E-content en Hoger Onderwijs : Mundaneum revisited

Bij deze wil ik Raymond bedanken voor het feit dat ik voor een keer gebruiken mag maken van zijn volprezen Vakblog. Ik ben Appie Bieze en werkzaam als coordinator Digitale Bibliotheek aan de Hogeschool Utrecht en evenals Raymond lid van de werkgroep licenties van het SHB. Onderstaande tekst is geschreven naar aanleiding van desktop research naar het aanbod van digitale (betaalde) informatiebestanden van 13 Universiteiten en 20 Hogescholen in het voorjaar van 2011. Een aantal gegevens kunnen dus licht verouderd zijn.

E-content en Hoger Onderwijs: “Mundaneum Revisited” ?

 In 1910 richtte de Belgische advocaat Paul Otlet en Henri la Fontaine het Mundaneum op. In een tijdperk van een sterke toename van het aantal gedrukte informatiematerialen en een sterke verbetering van de internationale communicatie trachtte hij een wereldbibilotheek te stichten. 24 jaar later moest hij zijn pogingen staken door een letterlijke “information overload” en de stopzetting van subsidies.

Een eeuw later bevinden we ons in een vergelijkbare situatie. Het grote verschil is dat het web niet alleen dient ter communicatie en informatie maar bij uitstek ook geschikt is als publicatieplatform.

In dit artikel wordt de vraag gesteld hoe de bibliotheken aan het Hoger Onderwijs in Nederland omgaan met de sterke toename van digitalisering van kennis en informatie. Dit wordt bezien vanuit de aanbodkant.

Uitgaande van deze vraag is in het najaar van 2010 een inventarisatie gemaakt van de websites van 13 Universiteiten en 20 Hogescholen waar al dan niet betaalde informatie wordt aangeboden. Sommige instellingen publiceren hun aanbod  Open Access bronnen  via de “databankensite” van de instelling, anderen  verwijzen naar een apart gedeelte van hun intranet ( en dus niet vrij toegankelijk). Als naast vrij toegankelijke informatie ook betaalde informatie wordt aangeboden is de betreffende bron als Open Acces aangemerkt. Ditzelfde geldt als er sprake is van een gratis eenmalige registratie.

Uit recent Amerikaans onderzoek (1) blijkt dat 83% van de studenten hun zoektocht naar informatie starten bij een zoekmachine. 7% gebruikt hiervoor Wikipedia en slechts 1% start met 1 van de online databases aangeboden door de bibliotheek. Desondanks waardeert 60 % van die zelfde studenten het algehele aanbod van de bibliotheek als meer accuraat  en betrouwbaarder. Gevraagd naar de waardering van de resultaten van zoekmachine is men de laatste jaren echter steeds minder tevreden (2005: 82% – 2010 : 55%).

Wat treft men nu aan bij een bezoek aan de “digitale bibliotheek” van een instelling voor Hoger Onderwijs in Nederland? Volgens een definitie (2) uit de Staatscourant uit 2009 is een digitale bibliotheek een openbare bibliotheekvoorziening die in ieder geval twee hoofdbestanddelen omvat:

• de plaats- en tijdonafhankelijke centrale publieke toegang tot gestructureerde, verzamelde digitale informatie in primaire en bewerkte vorm; en

• het langs digitale weg faciliteren van het gebruik van fysieke media.

Wat direct opvalt is de diversiviteit van de naamgeving van de websites met verwijzingen naar de digitale bronnen. Zo spreekt men over A-Z zoeksystemen, databanken en links, informatiebronnen, e-bronnen databank, informatie bestanden en digitale bestanden en is de plaats op de site niet altijd logisch en snel te vinden. Eenmaal op de juiste site aangekomen blijken ook regelmatig de namen en annotaties van de digitale bestanden sterk te verschillen. Dit schept dan direct extra verwarring doordat voor de eindgebruiker maar zelfs ook voor menig informatiespecialist vaak niet snel duidelijk is wat voor een soort informatie men achter de naam van het bestand kan aantreffen. Het ligt dan ook voor de hand om hier een hier een betere metadatering toe te passen.

Weinig eenduidigheid is eveneens te onderkennen in wat dan vervolgens word aangeboden: wel of geen losse e-Journals en/of e-Books. Daarnaast worstelt men veelal met het dilemma tussen overzichtelijkheid en volledigheid: moeten verwijzingen naar “openbare” links hier worden opgenomen of worden aangeboden op een apart gedeelte van de website van de bibliotheek? Bij 1 instelling werden maar liefst 929 databanken en verwijzingen naar openbare bronnen  aangetroffen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de links vaak ook per vakgebied worden aangeboden.

In de volgende tabel een overzicht van de meest significante verschillen tussen mediatheken aan  HBO instellingen en de Universiteitsbibliotheken:

Wat direct opvalt is dat de HBO instelling met het grootste aanbod aan digitale bronnen nog altijd kleiner is  als de Universiteit met het kleinste aanbod. Dit wordt nog duidelijker als gekeken wordt naar de volgende indicatoren:

  • Uitgave aan digitale collectie per student/medewerker: dit was in 2009 € 145 bij de Universiteitsbibliotheken ( 2006: € 125,-) en bij de HBO Mediatheken € 9,- (2006 € 6,-
  • Uitgave aan digitale collectie ten opzichte van totale uitgaven aan collectievorming: voor de UB’s was dit in 2009 76% (2006 : 65%) en bij het HBO 38% (2006: 30%)

Geconcludeerd kan worden dat er bij het HBO er een kleiner budget voor collectievorming per student beschikbaar is en dat er binnen dat budget aanzienlijk minder wordt uitgegeven aan digitale bronnen.

Daarnaast heeft men in HBO-land nog altijd een sterke voorkeur voor Nederlandstalige content en komt er naast het Engels geen enkele ander taal voor. Eveneens is er een sprake van een enorme versplintering: 78% van de databanken aan het WO ( HBO 60%) wordt maar door 1 enkele UB aangeboden ( en slechts 5 databanken door alle 13 Universiteiten). Ongeveer de helft van het aantal digitale bronnen die bij het HBO worden aangeboden treft men ook aan bij de UB’s.

Veel instellingen onderkennen het probleem van de multi-doorzoekbaarheid van de veelheid aan digitaal content. De meest gekozen oplossingen, federated search en discovery services, kennen beide zo hun beperkingen. Een combinatie van beide zou uitkomst bieden en ondervangt direct de volgende actualiteit: “If libraries are going to ‘trump’ Google …we will need to provide a default search that works much like Google for our less expererienced users, but also a more advanced, fielded, and Boolean-capable search for those of our users who know more about what they are doing” (3)

Een kenniseconomie is gebaat bij kennisdeling. De huidige situatie, met een veelheid aan licenties die vervolgens gebonden zijn aan een enkele instelling, behoeft revisie. Met de groei van het aantal lectoraten en kenniscentra bij het HBO ontstaat daar meer en meer de behoefte aan toegang tot onderzoeksdatabanken. Nationale licenties al dan niet gecombineerd met een pay-per-view systeem, waartoe bij SURF en de KB voorzichtige pogingen toe worden ondernomen, zouden dit probleem kunnen ondervangen. Het is hoog tijd dat ook de aanbieders van digitale content hiervan doordrongen raken.

Teruglopende budgetten en een stijgende vraag naar digitale informatie zijn nog een extra argument om te streven naar nationale licenties.

Herhaalt de geschiedenis zich en wordt er geen 21ste eeuw variant van het Mundaneum gecreëerd? Paul Otlet zou zich in dat geval in zijn graf omdraaien.

 

Literatuur:

  1. Perception of Libraries: Context and Community. Een recent verschenen rapport van OCLC en aldaar gratis te downloaden.
  2. Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 juli 2009, nr. WJZ/139906 (8262), houdende subsidiëring van innovatie van bibliotheken (Subsidieregeling bibliotheekinnovatie)
  3. Bennet  Claire Ponsford and Wyoma vanDuinskerken, “User Expectations in the Time of Google: Usability Testing of Federated Searching” . Internet Reference Services Quartarly 12, nr. 1/2 , (2007) pg. 17
  • © 2006- 2014 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top