Archive for the 'Gastbloggers' category

E-content en Hoger Onderwijs : Mundaneum revisited

31/01/2012 om 4:28 Geplaatst door in Databanken, Gastbloggers, Meten is weten

Bij deze wil ik Raymond bedanken voor het feit dat ik voor een keer gebruiken mag maken van zijn volprezen Vakblog. Ik ben Appie Bieze en werkzaam als coordinator Digitale Bibliotheek aan de Hogeschool Utrecht en evenals Raymond lid van de werkgroep licenties van het SHB. Onderstaande tekst is geschreven naar aanleiding van desktop research naar het aanbod van digitale (betaalde) informatiebestanden van 13 Universiteiten en 20 Hogescholen in het voorjaar van 2011. Een aantal gegevens kunnen dus licht verouderd zijn.

E-content en Hoger Onderwijs: “Mundaneum Revisited” ?

 In 1910 richtte de Belgische advocaat Paul Otlet en Henri la Fontaine het Mundaneum op. In een tijdperk van een sterke toename van het aantal gedrukte informatiematerialen en een sterke verbetering van de internationale communicatie trachtte hij een wereldbibilotheek te stichten. 24 jaar later moest hij zijn pogingen staken door een letterlijke “information overload” en de stopzetting van subsidies.

Een eeuw later bevinden we ons in een vergelijkbare situatie. Het grote verschil is dat het web niet alleen dient ter communicatie en informatie maar bij uitstek ook geschikt is als publicatieplatform.

In dit artikel wordt de vraag gesteld hoe de bibliotheken aan het Hoger Onderwijs in Nederland omgaan met de sterke toename van digitalisering van kennis en informatie. Dit wordt bezien vanuit de aanbodkant.

Uitgaande van deze vraag is in het najaar van 2010 een inventarisatie gemaakt van de websites van 13 Universiteiten en 20 Hogescholen waar al dan niet betaalde informatie wordt aangeboden. Sommige instellingen publiceren hun aanbod  Open Access bronnen  via de “databankensite” van de instelling, anderen  verwijzen naar een apart gedeelte van hun intranet ( en dus niet vrij toegankelijk). Als naast vrij toegankelijke informatie ook betaalde informatie wordt aangeboden is de betreffende bron als Open Acces aangemerkt. Ditzelfde geldt als er sprake is van een gratis eenmalige registratie.

Uit recent Amerikaans onderzoek (1) blijkt dat 83% van de studenten hun zoektocht naar informatie starten bij een zoekmachine. 7% gebruikt hiervoor Wikipedia en slechts 1% start met 1 van de online databases aangeboden door de bibliotheek. Desondanks waardeert 60 % van die zelfde studenten het algehele aanbod van de bibliotheek als meer accuraat  en betrouwbaarder. Gevraagd naar de waardering van de resultaten van zoekmachine is men de laatste jaren echter steeds minder tevreden (2005: 82% – 2010 : 55%).

Wat treft men nu aan bij een bezoek aan de “digitale bibliotheek” van een instelling voor Hoger Onderwijs in Nederland? Volgens een definitie (2) uit de Staatscourant uit 2009 is een digitale bibliotheek een openbare bibliotheekvoorziening die in ieder geval twee hoofdbestanddelen omvat:

• de plaats- en tijdonafhankelijke centrale publieke toegang tot gestructureerde, verzamelde digitale informatie in primaire en bewerkte vorm; en

• het langs digitale weg faciliteren van het gebruik van fysieke media.

Wat direct opvalt is de diversiviteit van de naamgeving van de websites met verwijzingen naar de digitale bronnen. Zo spreekt men over A-Z zoeksystemen, databanken en links, informatiebronnen, e-bronnen databank, informatie bestanden en digitale bestanden en is de plaats op de site niet altijd logisch en snel te vinden. Eenmaal op de juiste site aangekomen blijken ook regelmatig de namen en annotaties van de digitale bestanden sterk te verschillen. Dit schept dan direct extra verwarring doordat voor de eindgebruiker maar zelfs ook voor menig informatiespecialist vaak niet snel duidelijk is wat voor een soort informatie men achter de naam van het bestand kan aantreffen. Het ligt dan ook voor de hand om hier een hier een betere metadatering toe te passen.

Weinig eenduidigheid is eveneens te onderkennen in wat dan vervolgens word aangeboden: wel of geen losse e-Journals en/of e-Books. Daarnaast worstelt men veelal met het dilemma tussen overzichtelijkheid en volledigheid: moeten verwijzingen naar “openbare” links hier worden opgenomen of worden aangeboden op een apart gedeelte van de website van de bibliotheek? Bij 1 instelling werden maar liefst 929 databanken en verwijzingen naar openbare bronnen  aangetroffen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de links vaak ook per vakgebied worden aangeboden.

In de volgende tabel een overzicht van de meest significante verschillen tussen mediatheken aan  HBO instellingen en de Universiteitsbibliotheken:

Wat direct opvalt is dat de HBO instelling met het grootste aanbod aan digitale bronnen nog altijd kleiner is  als de Universiteit met het kleinste aanbod. Dit wordt nog duidelijker als gekeken wordt naar de volgende indicatoren:

  • Uitgave aan digitale collectie per student/medewerker: dit was in 2009 € 145 bij de Universiteitsbibliotheken ( 2006: € 125,-) en bij de HBO Mediatheken € 9,- (2006 € 6,-
  • Uitgave aan digitale collectie ten opzichte van totale uitgaven aan collectievorming: voor de UB’s was dit in 2009 76% (2006 : 65%) en bij het HBO 38% (2006: 30%)

Geconcludeerd kan worden dat er bij het HBO er een kleiner budget voor collectievorming per student beschikbaar is en dat er binnen dat budget aanzienlijk minder wordt uitgegeven aan digitale bronnen.

Daarnaast heeft men in HBO-land nog altijd een sterke voorkeur voor Nederlandstalige content en komt er naast het Engels geen enkele ander taal voor. Eveneens is er een sprake van een enorme versplintering: 78% van de databanken aan het WO ( HBO 60%) wordt maar door 1 enkele UB aangeboden ( en slechts 5 databanken door alle 13 Universiteiten). Ongeveer de helft van het aantal digitale bronnen die bij het HBO worden aangeboden treft men ook aan bij de UB’s.

Veel instellingen onderkennen het probleem van de multi-doorzoekbaarheid van de veelheid aan digitaal content. De meest gekozen oplossingen, federated search en discovery services, kennen beide zo hun beperkingen. Een combinatie van beide zou uitkomst bieden en ondervangt direct de volgende actualiteit: “If libraries are going to ‘trump’ Google …we will need to provide a default search that works much like Google for our less expererienced users, but also a more advanced, fielded, and Boolean-capable search for those of our users who know more about what they are doing” (3)

Een kenniseconomie is gebaat bij kennisdeling. De huidige situatie, met een veelheid aan licenties die vervolgens gebonden zijn aan een enkele instelling, behoeft revisie. Met de groei van het aantal lectoraten en kenniscentra bij het HBO ontstaat daar meer en meer de behoefte aan toegang tot onderzoeksdatabanken. Nationale licenties al dan niet gecombineerd met een pay-per-view systeem, waartoe bij SURF en de KB voorzichtige pogingen toe worden ondernomen, zouden dit probleem kunnen ondervangen. Het is hoog tijd dat ook de aanbieders van digitale content hiervan doordrongen raken.

Teruglopende budgetten en een stijgende vraag naar digitale informatie zijn nog een extra argument om te streven naar nationale licenties.

Herhaalt de geschiedenis zich en wordt er geen 21ste eeuw variant van het Mundaneum gecreëerd? Paul Otlet zou zich in dat geval in zijn graf omdraaien.

 

Literatuur:

  1. Perception of Libraries: Context and Community. Een recent verschenen rapport van OCLC en aldaar gratis te downloaden.
  2. Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 juli 2009, nr. WJZ/139906 (8262), houdende subsidiëring van innovatie van bibliotheken (Subsidieregeling bibliotheekinnovatie)
  3. Bennet  Claire Ponsford and Wyoma vanDuinskerken, “User Expectations in the Time of Google: Usability Testing of Federated Searching” . Internet Reference Services Quartarly 12, nr. 1/2 , (2007) pg. 17

2 reacties

#rickatnvb Meet Rick Anderson: de bibliotheekgebruiker als chauffeur

21/10/2011 om 1:32 Geplaatst door in Collectionering, DRM, Ebooks, evenementen, Gastbloggers, Licenties, Meten is weten

Als gastblogger op ‘Vakblog’ zal ik me eerst even voorstellen. Ik ben Leen Liefsoens en werk als documentair informatiespecialist op De Haagse Hogeschool. Normaal blog ik op http://leenlief.weblog.nl maar helaas is mijn blog al twee maanden offline wegens een technische aangelegenheid. Omdat ik het bloggen miste heeft Raymond me aangeboden een gastblog te schrijven voor zijn blog en dat aanbod neem ik bij deze met veel plezier aan.

Raymond en ik komen elkaar regelmatig tegen op gezamenlijke werkgerelateerde activiteiten, zo ook een maand geleden op de NVB bijeenkomst ‘Meet Rick Anderson!‘. Rick Anderson is een Amerikaanse bibliothecaris, werkzaam bij de University of Utah. De afdelingen HB en WB van de NVB hadden hem uitgenodigd voor een Meet-the-Expert bijeenkomst vanwege zijn verfrissende nieuwe inzichten over collecties, collectievorming, dienstverlening en de toekomst van hoger onderwijs-bibliotheken. Anderson verzorgde die middag twee presentaties en we werden ondergedompeld in ‘The American way’.

Rivers vs. Ponds. The Future of the Collection Is Not a Collection

De bibliotheek was ooit een tempel, maar is nu één van de vele ‘Information Stores’. Anderson laat er geen gras over groeien, we zullen ons beleid moeten aanpassen aan het feit dat de bibliotheek in de toekomst geen grote rol meer zal spelen in het geven van toegang aan informatie en dat terwijl gebruikers juist meer informatie tot zich zullen krijgen. De bibliotheek is nu al de minst gekozen plaats om een zoekopdracht de starten.

Daarnaast heeft full-text search het catalogiseren van bibliotheken achterhaald. In tegenstelling tot Google vergt onze catalogus slimme gebruikers. En we zijn slecht in het raden van de behoeften van onze gebruikers. Dat was ook niet nodig, want we konden ons richten op de kwaliteit van de collectie. Maar door de economische crisis worden budgetten gekort en worden uitleencijfers fundamentele meetinstrumenten. Gedaan met speculeren.

We moeten dus minder gaan verzamelen (creëren van vijvers) en meer als makelaar optreden (real-time toegang tot de rivier bieden). Het beleid moet hierop worden aangepast:

  • Online informatie, betere meetinstrumenten, hogere prijzen en minder budget leiden tot het einde van de ‘Big deals’ (pakketlicenties) en ‘Medium deals’ (licenties op titelniveau) in het voordeel van ‘Tiny Deals’ (licenties op artikelniveau)
  • e-first/patron-first collectievorming en demand-driven acquisition (ook wel PDA genoemd): de gebruiker bepaald wat de bibliotheek aankoopt (zie verder)
  • Espresso Book Machine: printing on demand
  • Interdisciplinaire teams

Dit leidt tot bibliotheken met een kleine lokaal-gerichte fysieke collectie boeken die daarnaast toegang bieden tot enorm grote openbare digitale collecties.

Tenslotte maakt Anderson de vergelijking tussen de muziekindustrie en uitgevers:
In de jaren ’60 kochten we een plaat omdat we dat liedje mooi vonden (er kon maar 1 liedje op 1 plaat). Daarna kwamen de langspeelplaten en nog later de cd’s en moesten we het hele album kopen voor dat ene mooie liedje. Door het internet is de muziekindustrie weer verplicht om liedje per liedje te verkopen. Hetzelfde zal gebeuren met tijdschriftuitgevers: van titelniveau naar artikelniveau.

In reactie op deze eerste presentatie van Anderson schetst Kurt De Belder de bijwerkingen van patron-driven acquisition: PDA zorgt voor een te beperkte basis voor onderzoeksinstellingen want materialen die niet door veel bezoekers worden geleend kunnen toch heel waardevol zijn voor onderzoekers en PDA zorgt voor een te homogene markt en bedient dus alleen de grote commerciële uitgevers. De Belder vraagt zich ook af welk effect PDA zal hebben op wetenschappelijk publiceren en wie in een PDA-wereld de verantwoordelijkheid heeft over het bewaren van materialen. Terechte vragen, maar volgens Anderson achterhaald door de werkelijkheid, we zullen ons moeten concentreren op informatie en niet op publicaties. De uitgevers beslissen nu al tot wat we toegang krijgen. Daarnaast is PDA geen prijsmechanisme.

Putting the Patron in the Driver’s Seat. PDA in Theory and Practice.

Bij patron-driven acquistion gaat het om toegang bieden tot alles wat / waar / wanneer / hoe de gebruiker wil. Maar hoe pak je dat aan? In zijn tweede presentatie geeft Anderson ons hiervoor handvaten. Maar eerst geeft hij aan tegen welke problemen we kunnen aanlopen als we PDA gaan toepassen:

  • Wat met budget management?
  • ‘Elk boek dat ooit is verschenen is gemakkelijk en onmiddellijk vindbaar en kan wanneer er behoefte is door de bibliotheek onmiddellijk voor de gebruiker worden geworven (via aankoop of uitleen)’… elk boek?
  • Wat als de gebruiker rommel selecteert?
  • Collectievorming is een essentieel onderdeel van de functie van bibliothecaris… wat nu?

Door bekorting op zijn budget (in Amerika zijn de budgetten nog meer gekort dan in Nederland) is Anderson toch genoodzaakt om veranderingen aan te brengen in zijn collectiebeleid en ondanks bovenstaande kanttekeningen PDA in te voeren. Dit heeft hij gedaan door eerst e-first/patron-first richtlijnen in te voeren en PDA projecten op te starten. Zo worden ebooks van boekleverancier YBP die in het profiel van de bibliotheek passen opgenomen in de catalogus en worden deze pas echt aangekocht wanneer de gebruiker ze daadwerkelijk gaat gebruiken: demand-driven acquisition.

Er is dus minder bemiddeling van bibliothecarissen nodig en collectievorming wordt daardoor minder afhankelijk van speculaties. Just-in-time collectievorming die in mindere mate betrekking heeft op fysieke materialen.

Aan het einde van de middag gaf Peter van Laarhoven een uitgebreide samenvatting en zijn visie op PDA: niet lage uitleencijfers, maar kosten/tijd zijn argumenten voor PDA en DRM staat PDA in de weg.

 

Uitleencijfers gebruik ik al als meetinstrument bij het afschrijven van mijn deel van de bibliotheekcollectie, toch vraag ik me af hoeveel boeken wij nog zouden overhouden als we PDA ‘hard’ zouden gaan toepassen daar het onderwijs op HBO niveau toch nog vooral gericht is op die enkele voorgeschreven studieboeken. Deze middag heeft mij vooral bewust gemaakt van de noodzaak om als bibliotheek nu toch eindelijk optimaal te gaan profiteren van ‘die rivier’ aan informatie.

2 reacties

[gastpost] Op weg naar de Amazoogle bibliotheek?

03/11/2010 om 5:55 Geplaatst door in Gastbloggers, Library_2.0, Zoeken

In een interessant artikel onder de titel “Discovery versus Disintermediation” schetst Jane Burke, vice-president van Pro Quest de ontwikkeling van nieuwe zoektechnologieën in de digitale bibliotheek. ProQuest is een toonaangevende Amerikaanse leverancier van informatieproducten, zowel content (o.a. dissertaties) als software. Collega Jo Han Khouw schreef een al net zo interessante vrije bewerking van dit artikel op het Windesheim intranet, 12 oktober jl. Hoewel hij het inmiddels ook op zijn eigen weblog heeft gezet neem ik met permissie de gehele post over minus de afbeeldingen, zodat ik er later in mijn eigen blogposts eenvoudiger aan kan refereren. Het volledig zonder toestemming mutileren van de logo’s van Amazon en Google hierboven komt echter volledig op mijn eigen conto.

Disintermediatie doelt op het verschijnsel dat in veel bedrijfstakken er steeds minder plaats is voor tussenpersonen (bijvoorbeeld in de reisbranche, boek- en muziekhandel). Ook bibliotheken krijgen hiermee te maken. Veel bibliotheken zien hun rol in onderzoeksprocessen verwateren. Ze worden mikpunt voor bezuinigingen en raken bij de eindgebruiker buiten beeld.

Bedreigingen
Bibliotheken bieden een geweldige rijkdom aan kwalitatief hoogstaande informatiebronnen, maar ze slagen er niet in om die veelheid van bronnen zo te organiseren dat eindgebruikers daarmee goed uit de voeten kunnen. Onderzoek (2009) bij wetenschappelijke bibliotheken geeft aan dat meer dan 80% van de studenten en medewerkers het scala van de aanwezige bronnen niet overziet, laat staan optimaal gebruikt. Drie oorzaken:

  • De startpagina van de bibliotheek biedt geen helder en aantrekkelijk startpunt voor onderzoek
  • Gangbare namen en beschrijvingen van databanken maken het moeilijk om geschikte bronnen te identificeren
  • Gebruikers hebben onvoldoende inzicht in het totale aanbod van informatiebronnen

Aan de kant van de eindgebruiker speelt een ander probleem: tijdgebrek. Studenten maar ook docenten zoeken informatie op basis van het “just in time” criterium. Snelle resultaten zijn cruciaal. Vandaar de populariteit van Google en internet. De bibliotheek wil studenten en medewerkers graag ondersteunen bij hun onderzoek, met betrouwbare bronnen. Maar de organisatie van die bronnen is vaak nogal ingewikkeld. Gebruikers moeten veel geduld en navigatievermogen opbrengen. Dikwijls ervaren zij onzekerheid en frustratie.

Het is een stevig dilemma. Investeren in de collectie, in nog meer digitale bronnen, verergert de complexiteit van het aanbod. Maar níet investeren is geen keuze, er komen altijd nieuwe bronnen bij. Wat bibliotheken niet inzien is dat eindgebruikers geen onderscheid maken tussen al die verschillende typen en formats van informatieobjecten.
De huidige organisatie van content in gescheiden silo’s of containers vormt een groot obstakel. Informatie moet beschikbaar komen via “single search” zoekacties. Eenvoudig, gemakkelijk en snel. Het Amazoogle model is het leidende principe.

Kansen
De strategie waar bibliotheken tegenwoordig op inzetten heet “discovery”. Dat kun je inderdaad vertalen als Ontdekking… Het gaat vooral over de optie van een geïntegreerd aanbod van content uit diverse bronnen. Daarnaast streeft men ernaar om de complexe kanten van informatiemanagement drastisch te vereenvoudigen.
Belangrijke elementen zijn:

  • Een aantrekkelijke zoekinterface
  • Gemakkelijk zoeken (single search) in allerlei typen metadata
  • Representatie van alle bibliotheekcollecties en soorten content.

De ontwikkelingen spitsen zich toe op drie categorieën van “discovery services” :

  • Vernieuwing van lokale bibliotheekcatalogi (Discovery Layers)
  • Instrumenten voor zgn. “federatief zoeken” (Federated Search)
  • Integratie van webcontent (Web-scale Discovery)

Catalogusvernieuwing
De traditionele bibliotheekcatalogus (web OPAC) wordt steeds meer verrijkt met Web 2.0 elementen (discovery layers): tags, coverafbeeldingen, commentaar, ratings, suggesties, facetgebaseerd zoeken, lokale taxonomieën, visualisatie van zoekresultaten en metadata, en niet in de laatste plaats de presentatie op mobiele platforms. De Aquabrowser, sinds kort een Proquest product, is een voorbeeld van een visuele zoekmachine die bij veel Nederlandse (openbare) bibliotheken bekend is. Naast de bibliotheekcollectie kunnen ook andere lokale bestanden worden ontsloten, bijv. een repository van medewerkerspublicaties. Een op die manier gepimpte publiekscatalogus zal veel aantrekkelijker zijn voor eindgebruikers. Maar ook zo’n Next-Gen catalogus is slechts een gedeeltelijke oplossing. De ontsluiting van fulltext content uit externe, commerciële databanken komt daarmee niet dichterbij.

Federatief zoeken
De wens om vanuit één interface en vanuit één enkele zoekvraag gelijktijdig en realtime meerdere contentverzamelingen (databanken) te doorzoeken is een lang bestaand ideaal. Bibliotheken in de jaren ’80 kenden al het z39.50 protocol om zoekvragen te vertalen naar verschillende databanken. In 1998 presenteerde Webfeat (ook Proquest) zich als de eerste echte federated search engine. Tegenwoordig bestaan er ontelbare vergelijkbare softwaretoepassingen, onder uiteenlopende noemers: metasearch, cross-databse search, broadcast search, distributed search, deep web search. Die laatste term geeft precies aan waar het om draait: het zoeken en vinden van content in niet publieke, commerciële databanken (ook wel aangeduid als het diepe web).

De kern van de federatieve zoekmachine bestaat uit connectoren, stukjes software die de zoekvraag vertalen en overdragen naar de aangesloten databanken. De resultaten van zoekacties moeten vervolgens worden terugvertaald, geordend, bijgeschaafd en ontdubbeld. Daar zitten dan meteen ook de zwakke plekken in het systeem. Connectoren zijn kwetsbaar, kunnen ontregeld raken of het zoekproces vertragen. Een andere zorg is of de opgeleverde en bewerkte zoekresultaten nog wel voldoende relevantie hebben.

Integratie van webcontent
Om aan de problemen van federatieve zoekmachines tegemoet te komen worden nu systemen ontwikkeld die niet werken met connectoren, maar met een vooraf aangelegde index (unified search index, pre-aggregate index). Dit vereist wel dat met alle betrokken contentleveranciers overeenkomsten worden gesloten over beschikbaarstelling van hun materiaal en metadata. Bestaande containers (databanken) moeten worden opengebroken om toegang tot de fulltext content mogelijk te maken, via die ene voorgecoördineerde index. Dat is een enorme opgave. Maar de eerste resultaten zijn er. In 2009 werd Summon (ook Proquest) gelanceerd als eerste “web-scale discovery service”. Het idee erachter is om de databankencollectie van de bibliotheek te ontsluiten volgens het Google-model. Om het beste van twee werelden te combineren: éénstaps zoeken naar hoogwaardige content in de bibliotheek. Gemakkelijk, eenvoudig en snel. Discovery is vandaag het toverwoord. Of dat het tij zal keren en de kloof tussen bibliotheek en eindgebruikers kan dichten? We lezen er de komende tijd ongetwijfeld meer over.

Naar de volledige tekst van het oorspronkelijke artikel

Meer:

Discovering discovery services

Discovery services don’t make federated search useless

Federated search: users might actually like it

Wil je een inhoudelijke reactie geven op het bovenstaande? Doe dat dan natuurlijk op het blog van Jo Han.

2 reacties