Juridische kwesties: Tekst en datamining

Na drie jaar de Recht op informatie rubriek voor de IP geschreven te hebben over de onderwerpen die ik zelf interessant vond, ben ik dit jaar begonnen met een nieuwe vraag/antwoord rubriek waarin ik hoop vragen van anderen te beantwoorden over de juridische aspecten van het informatievakgebied. In de eerste editie van Juridische kwesties kwam er een vraag over hoe de door de Europese Commissie aangekondigde wettelijke uitzondering voor tekst en datamining er uit zou kunnen gaan zien.

De Europese Commissie wil de regelgeving rondom auteursrecht gaan herzien. Eén van de dingen waarvoor er volgens de Commissie een wettelijke uitzondering op dat auteursrecht moet komen, is tekst en data mining (TDM, ook wel als ‘content mining’ aangeduid). Dit is het gericht zoeken naar statistische verbanden in gegevensverzamelingen (databanken) ten behoeve van wetenschappelijk, journalistiek of commercieel gebruik. TDM zou moeten worden toegestaan voor ‘public interest research organisations’. Maar wat zijn dat? Aan welke kenmerken moet een organisatie straks voldoen om van de TDM-uitzondering gebruik te kunnen maken?

Er wordt al jaren uitgekeken naar een vernieuwde Europese auteursrechtrichtlijn die, als basis voor de auteursrechtwetgeving in de Europese lidstaten, de broodnodige modernisering van het auteursrecht moet gaan brengen. Na een publieke consultatie eind 2013, werd in juli 2015 een adviesrapport van europarlementariër Reda over de nieuwe auteursrecht-regelgeving besproken door het Europees Parlement.

In dit rapport werd o.a. de noodzaak aangegeven voor een uitzondering in de auteursrechtwetgeving om TDM toe te staan voor onderzoeksdoeleinden. In de praktijk blijken databank- en informatieleveranciers barrières op te werpen door ofwel de hoeveelheid opgevraagde data te beperken of te eisen dat er een aparte – en duurdere – licentie voor TDM afgesloten moet worden.

Deze spanning tussen de belangen van onderzoekers en de belangen van, in dit geval uitgevers, maakt ook meteen duidelijk waarom nieuwe uitzonderingen niet gemakkelijk en snel ingevoerd (kunnen) worden in wetgeving. Hoe wenselijk en vanzelfsprekend het ook zou zijn om een nieuwe uitzondering zo vrij mogelijk op te nemen in de auteursrecht-regelgeving, in de praktijk levert het flinke discussies op met de partijen die de rechten hebben waarop een uitzondering gemaakt moet worden.

De Europese Commissie probeert die discussie alvast te minimaliseren door in hun plan de mogelijkheid van TDM te beperken tot een specifieke gebruiksgroep en een specifiek gebruik van die verkregen data:

“allow public interest research organisations to carry out text and data mining of content they have lawful access to, with full legal certainty, for scientific research purposes”

De bovenstaande formulering van de uitzondering lijkt een belofte (naar uitgevers) in te houden dat TDM alleen toegestaan hoeft te worden als een instelling ook echt een eigen toegang heeft gekocht. Hiermee moet waarschijnlijk voorkomen worden dat onderzoekers gebruik gaan maken van de toegang die collega’s of collega-instellingen hebben.

Door TDM alleen toe te staan aan “public interest research organisations” wil men hoogstwaarschijnlijk alle instellingen en bedrijven, die op commerciële basis onderzoek verrichten, uitsluiten. Op die manier wil Europa voorkomen dat uitgevers te hard gaan protesteren zodra dit voorstel wet gaat worden. Dat verklaart ook waarom de term ‘public interest research organisation’ nog niet eerder gebruikt is in Europese wetgeving, besluiten en richtlijnen.

Ik vermoed dat onderzoeksinstellingen die hun onderzoeksresultaten op geen enkele manier commercieel exploiteren al snel onder de uitzondering geschaard zullen worden. Of dit ook de gewenste resultaten gaat opleveren betwijfel ik. Een wettelijke uitzondering zal geen uitgever kunnen dwingen om TDM ook daadwerkelijk (gratis) te faciliteren. Hoe de Europese Commissie hier tegenaan kijkt zullen we over enkele maanden zien als het uitgewerkte voorstel gepresenteerd wordt.

Heb je nou ook een vraag over auteursrecht, licenties, portretrecht of een ander juridisch aspect van het werken met informatie? Mail ze naar redactie (at) informatieprofessional.nl en lees het antwoord dan terug in de IP en op Vakblog. Oh en je naam wordt er alleen maar bij vermeld als je dat ook wilt dus laat je dat niet tegenhouden!

Deze Juridische kwesties is ook gepubliceerd in IP 1 (2016).

#

Over de toegang tot de wetenschappelijke tijdschriften van Wiley, Big Deals en Open Access

open accessNederlandse universiteiten en de uitgeverij John Wiley and Sons, Inc. (Wiley) hebben een akkoord bereikt dat het ongelimiteerd open access publiceren van wetenschappelijke artikelen mogelijk maakt. Tegelijkertijd zorgt de overeenkomst voor uitgebreidere toegang tot wetenschappelijke tijdschriften. […]

De onderhandelingen tussen Wiley en de Nederlandse universiteiten hebben geleid tot een akkoord voor de periode 2016-2019. Het akkoord voorziet erin dat wetenschappers en studenten die verbonden zijn aan een Nederlandse universiteit, toegang hebben tot alle artikelen in de wetenschappelijke tijdschriften van Wiley. Daarnaast voorziet de overeenkomst in de mogelijkheid om open access te publiceren in alle circa 1.400 hybride tijdschriften van Wiley. Onderzoekers hoeven zelf geen aanvullende bedragen meer te betalen (APC’s) om open acces te publiceren. (bron: nieuwsbericht VSNU)

Big Deals

Nou zijn onderhandelingen met wetenschappelijke uitgevers op zich niet iets uitzonderlijks maar spelen er soms hele grote belangen als het om grote uitgevers gaat waarmee de meerderheid van de universiteiten en onderzoeksinstellingen zaken doen. Zelfs (alleen) in Nederland gaat het dan om tientallen miljoenen euro’s. Dergelijke Big deals zijn very big business als je Springer, Elsevier of Wiley bent.

Wie betaalt nou precies voor wat?

Het overgrote deel van de wetenschappelijke onderzoeksoutput wordt gepubliceerd in dure wetenschappelijke tijdschriften die commercieel geëxploiteerd worden door de wetenschappelijke uitgevers. Universiteiten betalen jaarlijks vele miljoenen euro’s om hun medewerkers en onderzoekers toegang te geven tot (een deel van) deze artikelen aangezien deze essentieel zijn voor de uitvoering van nieuw onderzoek en de productie van nieuwe wetenschappelijke artikelen.

En daarin zit ook de bijzondere relatie tussen de universiteiten en de wetenschappelijke uitgevers met wie dure Big Deals afgesloten worden. Het zijn namelijk de universiteiten en onderzoeksinstellingen die de meeste auteurs leveren die de artikelen schrijven voor die dure wetenschappelijke tijdschriften. Zij leveren ook de deskundigen en experts die bij de wetenschappelijke uitgevers de kwaliteitsbewaking – het zogeheten peer review proces – verzorgen en die juist de meerwaarde geven aan dat tijdschrift en wat wordt doorberekend aan de abonnees. En desondanks betalen universiteiten en onderzoeksinstellingen miljoenen euro’s – een substantieel deel van hun onderzoeksbudgetten – om de artikelen die door hun eigen onderzoekers geschreven zijn – en peer reviewed zijn door hun eigen onderzoekers – toegankelijk te maken voor, jawel, hun eigen onderzoekers.

Open Access

Maar het wordt nog een stukje complexer. Eind 2013 schreef staatssecretaris Dekker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een brief aan de Tweede Kamer waarin hij zijn Open Access beleid aankondigde.

Mijn uitgangspunt is dat resultaten van publiek en publiek/privaat gefinancierd onderzoek altijd vrij beschikbaar moeten zijn. Omdat het om publiek geld gaat, en er voor de uitrol van Open Access technisch in principe geen belemmeringen zijn, acht ik het van belang dat dit binnen afzienbare tijd gebeurt.

Hiermee wilde hij de druk vergroten om nu ook echt werk te gaan maken van Open Access. In 2018 moet 60% en in 2024 moet zelfs 100% van de wetenschappelijke publicaties, die met publiek geld gefinancierd zijn, Open Access beschikbaar zijn. Zijn eigen voorkeur gaat uit naar de gouden route en dat is ook de insteek geworden van de onderhandelingen die met de wetenschappelijke uitgevers gevoerd worden door de universiteiten.

Binnen het Open Access publiceren worden er twee routes onderscheiden: de gouden route (Gold Open Access) waarbij artikelen door de uitgever zelf in Open Access gepubliceerd worden. Dat kan in volledig OA Journals of in hybride tijdschriften die zowel artikelen bevatten die vrij toegankelijk zijn als artikelen die alleen voor abonnees toegankelijk zijn – de auteur, diens werk- of subsidiegever betaalt dan een Article Processing Charge (APC).

Maar ook de groene route (Green Open Access) waarbij artikelen na peer review maar vóór definitieve opmaak door of namens de auteur zelf gearchiveerd worden in een open repository (van de eigen instelling). Daar heeft een uitgever vaak een embargo-periode voor ingesteld. Dit heet self-archiving, is gratis en maakt vaak onderdeel uit van het beleid van het tijdschrift.

Waar wordt nou precies voor betaald?

Met de eis om Open Access te kunnen publiceren in de tijdschriften van een wetenschappelijke uitgever botsen er eigenlijk twee (betaal)modellen. Voorheen werd er alleen fors betaald voor de toegang tot de artikelen van de uitgever – en waren de artikelen in de Open Access tijdschriften vanzelfsprekend gratis toegankelijk voor iedereen – maar nu gaat het om zowel de toegang tot de niet-Open Access en hybride tijdschriften als om de mogelijkheid om in al die tijdschriften Open Access te publiceren. Zonder dat onderzoekers en auteurs additionele article processing charges (APC’s) moeten betalen.

Alle nieuw afgesloten Big Deals (Springer, Elsevier en nu dus Wiley) zijn daarmee een combinatie geworden van een toegangsregeling tot de betaalde tijdschriften van de uitgever en een afkoopregeling van APC’s voor – een deel van – die tijdschriften die 100% of hybride Open Access moeten gaan worden.

Kijk je naar het streven van de staatssecretaris dan zou een Big Deal idealiter alleen nog maar een afkoopregeling van APC’s zijn. Maar de praktijk is veel grilliger. Zo werd er eind vorig jaar met Elsevier afgesproken dat er een selectie van Elsevier tijdschriften (tot 30%) wordt aangewezen door de universiteiten waarin Nederlandse onderzoekers hun artikelen Open Access kunnen publiceren. De APC’s voor het publiceren in die (en alleen maar die) tijdschriften zijn weliswaar afgekocht maar als je als onderzoeker in een ander (OA) tijdschrift van Elsevier wil publiceren dan zul je alsnog zelf moeten zorgen voor de financiering ervan.

Ook bij de deal met Wiley wordt het ideaal niet gehaald. In de toelichting (PDF) is te lezen dat de overeenkomst het Open Access publiceren in ca. 1400 hybride tijdschriften van Wiley mogelijk maakt maar dat ironischerwijs het publiceren in de ca. 60 full Open Access tijdschriften van de uitgever niet onder de deal valt.

Dat is ook wel logisch want de full OA tijdschriften zitten natuurlijk niet in het pakket van betaalde titels maar er ontstaat hierdoor een rare situatie: onderzoekers kunnen “gratis” Open Access publiceren in de 1400 hybride tijdschriften van Wiley omdat de APC’s afgekocht zijn maar moeten wel APC’s betalen als ze in de full Open Access tijdschriften van Wiley willen publiceren. Het is niet moeilijk voor te stellen dat Nederlandse onderzoekers nu eerder gaan publiceren in de hybride tijdschriften in plaats van in de full Open Access tijdschriften. Waarom een afkoopregeling van APC’s voor deze tijdschriften niet meegenomen is in de nieuwe overeenkomst, is niet duidelijk.

Het hbo vindt Open Access eveneens belangrijk

Ook al worden de onderhandelingen gevoerd tussen universiteiten en uitgevers, de hbo instellingen hebben er net zo goed mee te maken. Een groot aantal hogeschoolbibliotheken heeft, als onderdeel van de overeenkomst met de universiteiten, eveneens de wetenschappelijke content afgenomen van Springer, Elsevier en Wiley voor de onderzoekers in het hbo.

Het hbo legt weliswaar meer de nadruk op de groene route als het op Open Access aankomt maar er wordt wel degelijk gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften van Springer, Elsevier en Wiley. Of onderzoekers in het hbo gebruik kunnen maken van dezelfde mogelijkheden voor Open Access publiceren als hun collega’s bij de universiteiten is nog maar de vraag. Het nieuwsbericht en de toelichting hebben het alleen over onderzoekers van universiteiten maar het zou mijns inziens een gemiste kans zijn als onderzoekers uit het hbo ontmoedigd worden om Open Access te gaan publiceren omdat voor hun de APC’s niet afgekocht zijn.

Met dit nieuwe akkoord is het behalen van de Nederlandse Open Access doelstelling wederom een stuk(je) dichterbij gekomen. Maar of het ook echt het beoogde resultaat gaat opleveren voor *alle* onderzoekers, dat valt nog te bezien.

#

Over licenties en digitale collectievorming van bibliotheken

licenties contracten digitale collectievorming
In het digitale tijdperk is ook het traditionele proces van collectievorming bij bibliotheken sterk van karakter veranderd. Was het voorheen primair een administratieve workflow die het selecteren, bestellen en catalogiseren van boeken voor de eigen collecties moest faciliteren, tegenwoordig is het een complex proces geworden waarbij duizenden aanbieders digitale informatie leveren tegen sterk uiteenlopende voorwaarden en prijzen. 

En waar je ineens rekening moet houden met alle verschillende manieren van aanbieden van deze digitale content aan je gebruikers, de bijbehorende technische aspecten, *hoe* je gebruikers die content mogen gebruiken en het feit dat je nu ineens moet betalen op basis van al je gebruikers in plaats van die max 17 leners van dat ene boekexemplaar (als je een uitleentermijn van 3 weken hanteert).

Aangezien boeken – dankzij het leenrecht – gewoon door bibliotheken gekocht en uitgeleend mogen worden zonder dat auteurs en uitgevers daar nog aanvullende voorwaarden aan kunnen stellen, is het zelfs na al die jaren van aanbieden van digitale informatiebronnen en databanken nog niet vanzelfsprekend dat er door bibliotheken (krachtig) onderhandeld wordt over de voorwaarden, prijs en hoe die digitale bron beschikbaar gemaakt moet (en kan) worden aan de eigen eindgebruikers.

Een andere bril opzetten

Licenties en licentieonderhandelingen zijn geen onderwerpen waar je het met veel bibliothecarissen over kunt hebben. Tenminste, dat is mijn ervaring. Als ik niet de voorzitter was van de werkgroep Licenties van het Samenwerkingsverband Hogeschoolbibliotheken dan zou ik erg mijn best moeten doen om collega’s bij andere hogeschoolbibliotheken – maar ook openbare bibliotheken, de KB en universiteitsbibliotheken – te vinden om over deze onderwerpen te kunnen praten.

En dat bevreemd me. Licenties zijn niets meer en minder dan de vastgelegde afspraken tussen een leverancier – die zijn uiterste best doet om je dure content te verkopen – en jou als bibliotheek die met zeer beperkte middelen een zo breed mogelijke doelgroep zo goed mogelijk wil bedienen. Alle licenties bij elkaar vormen in feite je digitale collectie en je zou toch verwachten dat elke bibliotheek dit zo goed en professioneel mogelijk zou willen organiseren.

Maar ergens gaat het hier toch behoorlijk mis. Veel bibliotheken nemen digitale producten van leveranciers af zoals ze ook hun boeken inkochten: ze kijken naar de prijs en beoordelen aan de hand van hun budget of ze het zich wel of niet kunnen veroorloven om aan te schaffen. Soms wordt nog geprobeerd om een korting te bedingen en sporadisch wordt er gekeken naar de kleine lettertjes in een overeenkomst maar over het algemeen dicteren de leveranciers de voorwaarden en prijs. En gaan bibliotheken daar zonder al te veel morren in mee.

Wiens belang?

Ik denk dat het grootste probleem is dat bibliotheken onvoldoende hun eigen belang voor ogen hebben. Wat wil je precies van die leverancier of uitgever? Hoe wil je het zelf aanbieden aan je bibliotheekgebruikers? Hoe past het in je eigen collectiebeleid en welke eisen stel je daarvoor aan die leverancier/uitgever? Wat ben je bereid er maximaal voor te betalen? En nog belangrijker: ben je ook bereid om nee te zeggen als de leverancier niet van plan is om hierin mee te gaan?

Want die leverancier, geloof me, die heeft uitstekend zijn eigen belang voor ogen. Die denkt niet na over hoe die jou zo goed mogelijk kan helpen. Die maakt zich zorgen over de gegarandeerde minimale omzet, over de afspraken die ze zelf met andere aanleverende partijen hebben, over winstmarges en eventuele aandeelhouders. Kortom, die houdt zijn businessmodel in de gaten en zal alles doen om met minimale inspanningen een maximaal resultaat te behalen. Jou als betalende klant binnenhalen die past in hun businessmodel dus. Die leverancier zit er om geld aan jou te verdienen, zo simpel is het.

Leveranciers zijn vriendelijk maar ze zijn niet je vrienden.

En dan maakt het dus niet uit of je een wetenschappelijke databank wil voor je universiteitsbibliotheek, een vakspecialistische databank voor je hogeschoolbibliotheek of ebooks voor de openbare bibliotheek. Leveranciers en uitgevers willen die graag (duur) aan je verkopen en het is aan de bibliotheken om daar afspraken over te maken, gebaseerd op wat je juist wel en wat je juist niet wil accepteren. Zodat je komt tot een licentie waar jij tevreden over kunt zijn en waar de leverancier mee kan leven. Idealiter.

Een andere tak van sport

Natuurlijk vereist het digitale collectioneren via licenties hele andere vaardigheden. Ineens de mogelijkheid *en noodzaak* hebben om te onderhandelen met een uitgever of leverancier vraagt een andere insteek voor bibliotheken. Over de prijs van boeken hoefde en kon je niet onderhandelen, terwijl je als bibliotheek dat boek in eigendom kreeg en zelf kon bepalen wat je er mee deed.

Met digitale content moet je onderzoeken wat je gebruikers er mee kunnen en willen, wat je er als bibliotheek mee kan om vervolgens te gaan onderhandelen met een monopolist die als enige datgene heeft wat jij zoekt maar die niet van plan is om dat lage bedrag te vragen wat jij er voor over hebt. En heb je dat voor elkaar, dan komt er behalve een factuur ook een contract van 10 pagina’s op tafel te liggen. Of je maar even wilt tekenen want dan wordt de rest voor je geregeld. Inclusief een groot aantal voorwaarden die door de uitgever of leverancier opgesteld zijn en waar je later nog wel eens problemen mee zou kunnen krijgen.

Maar dit is niet nieuw allemaal. Bibliotheken sluiten al ruim twintig jaar van dit soort overeenkomsten af voor digitale content. Op welk punt leidt dit echter tot het besef dat de vaardigheden om licentieonderhandelingen te kunnen voeren met uitgevers en de uiteindelijke licenties en contracten af te kunnen sluiten, bij de bibliothecaris-van-nu horen?

Voorbeeldje

Gisteren maakte de Koninklijke Bibliotheek bekend dat jaarpashouders – de leden van de KB – vanaf volgend jaar geen toegang meer hebben tot de krantenbank van LexisNexis.

kb lexisnexis licenties
Dat is een kort bericht waar ongetwijfeld een heel (complex) verhaal achter zal zitten. De formulering is er eentje waar ik me licht aan erger want dat ‘de aanbieder LexisNexis helaas niet wilde ingaan’ op het verlengen van deze licentie is niet alleen taaltechnisch discutabel maar mijns inziens ook nog eens vreemd onderdanig geformuleerd.

Wie heeft er nou belang bij het aanbieden van de krantenbank? De KB of LexisNexis? En benoem het beestje nou bij zijn naam. Wilde Lexis Nexis het onderste uit de kan en weigerde die om onder dezelfde voorwaarden de krantenbank te blijven leveren? Of wilde de KB meer dan wat LexisNexis nog binnen hun businessmodel vond passen en kon er simpelweg niet geleverd worden wat de KB wilde? Nu klinkt het alsof het Hare Majesteit LexisNexis niet meer behaagde om haar diensten aan de KB te verkopen.

Op de site van LexisNexis vind je een gelijksoortig kort berichtje dat echter nogal verschilt qua formulering:

lexisnexis kb licenties
Niks geen afgeketste overeenkomst tussen leverancier en (verloren) klant, nee, het was een samenwerking volgens LexisNexis want vanzelfsprekend zijn ze nog steeds je vriend. De reden voor de breuk? Dat dit abonnement zich zó ontwikkeld heeft dat de vergoeding helaas niet meer in verhouding staat tot het gebruik van de dienst.

Dat is leverancierstaal voor dat deze specifieke licentie echt niet meer in het businessmodel van LexisNexis past omdat er niet genoeg aan verdiend wordt (of dat het de inkomsten elders negatief beïnvloedt). Het zal overigens vooral dat laatste zijn want als je dure abonnementen op krantenartikelen verkoopt aan bedrijven, onderwijsinstellingen en zzp’ers, dan ben je niet blij dat elke Nederlander voor 15 euro per jaar lid kan worden van de KB en toegang krijgt tot die krantenbank. En trek je daar liever de stekker uit. Dat moet kunnen tussen goede vrienden natuurlijk.

De vraag die bij mij overblijft is waarom dit nieuws, waar de KB-leden niet blij mee zullen zijn, niet anders wordt gepresenteerd? Waarom niet helder verteld wordt wat de KB wilde met de krantenbank en *waarom* die niet meer aangeboden wordt door LexisNexis via de KB? Hoe het proces verlopen is en dat dit (hopelijk) niet in goed overleg tussen twee samenwerkende “partners” gegaan is. Ook dat behoort bij de rol van de bibliotheken vind ik want je bent er voor je leden en niet voor de leveranciers.

En misschien wordt het eens tijd om bijv. met Blendle te gaan praten of daar nog een interessante deal uit te halen valt voor de duizenden KB-leden die het nu ineens zonder recente krantenartikelen moeten stellen. Ik onderhandel namens de hogeschoolbibliotheken graag mee voor een Blendle bibliotheeklicentie want als leveranciers dan toch je vrienden willen zijn, dan kies ik liever voor vrienden die wel willen blijven samenwerken.

Ook als het ze iets minder goed uitkomt.

Update 10-12-2015: De KB legt wel duidelijk uit waarom de krantenbank niet meer in het basispakket digitale content zit voor de openbare bibliotheken.

@foto via Juli (Flickr) met een CC BY-NC-ND licentie
#

Over gebruiksrecht, licenties en de readerovereenkomst: wat mag je nou met die dure content?

gebruiksrechtIn de nieuwe readerovereenkomst voor het hbo wordt nu eindelijk duidelijk gesteld dat alle afspraken/procedures – m.b.t. het gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken als/in onderwijsmateriaal – alleen van toepassing zijn op korte overnames voor zover daarin al niet via licenties of andere wijze is voorzien. Is er al een gebruiksrecht verkregen via een content- of Creative Commons-licentie, is het materiaal sowieso niet auteursrechtelijk (meer) beschermd of heb je rechtstreeks toestemming gekregen van een uitgever of andere rechthebbende, dan hoef je overnames niet nog een keer aan te melden. Het zou anders twee keer betalen kunnen betekenen.

Maar in hoeverre is in contentlicenties nou eigenlijk voorzien in die toestemming? Bibliotheken geven enorme bedragen uit aan tientallen of zelfs honderden databanken vol met digitale content voor hun studenten, docenten, medewerkers en onderzoekers. In de overeenkomsten (de licenties) met leveranciers staan een groot aantal afspraken waar zowel de leverancier en (vooral) de afnemer van de content zich aan moeten houden maar verrassend genoeg blijken de afspraken over het gebruiksrecht – wat mag je als betalende afnemer met die content doen? – niet altijd duidelijk te zijn.

Hoezo moeten we het daar over hebben?

Dat is ergens wel te begrijpen. Vergelijk het in licentie nemen van een nieuwe digitale informatiebron maar eens met het leasen van een auto. Als je op zoek bent naar een nieuwe auto dan heb je daar verwachtingen en wensen bij. Verwachtingen over het model auto, hoe zuinig die is, welke kleur maar vooral over de betaalbaarheid ervan. Je zoekt een auto die aan je verwachtingen voldoet en onderhandelt hoogstens nog over de prijs. Op geen enkel moment verwacht je dat je na de aankoop te horen krijgt dat je met je geleasde auto alleen maar mag rijden op snelwegen. Of dat je alleen maar zelf achter het stuur mag zitten nadat je een cursus van de autofabrikant succesvol afgerond hebt. Of nog erger, dat je er alleen maar naar mag kijken en helemaal niet mee mag rijden.

Een belachelijke vergelijking? Niet echt want als je een steekproef neemt door de passages over het gebruiksrecht van enkele tientallen licentie-overeenkomsten nader te bestuderen, dan kom je af en toe rare voorwaarden tegen.

Kijken mag natuurlijk wel van iedereen want het zou lastig zijn als dat niet zo was: The Subscriber and its Authorized Users may access, search, browse and view the Subscribed Products

Samenvatten, bewerken of vertalen van de content, dat vinden de meeste uitgevers echter minder leuk: the Subscriber and its Authorized Users may not abridge, modify, translate or create any derivative work based on the Subscribed Products without the prior written permission

Maar mag je dan tenminste wel zonder verdere restricties de (duur gekochte) content gebruiken in/als onderwijsmateriaal? Niet in alle gevallen: [Toegestaan is] “het zonder te betalen van een nadere billijke vergoeding opnemen van niet substantiële delen van Content in elektronische dan wel papieren publicaties die worden gemaakt als toelichting bij het onderwijs, mits aan de wettelijke bepalingen van de onderwijsexceptie wordt voldaan.”

Die ‘sigaar uit eigen doos’ voorwaarden kom je frequent tegen. Uitgevers die je feitelijk een gebruiksrecht toestaan die al in de Auteurswet geregeld is. Zo is bij velen het downloaden en/of kopiëren en/of uitprinten van “niet substantiële delen van de Content” toegestaan voor eigen oefening en gebruik (wat je sowieso al mag zonder toestemming dankzij de thuiskopie-exceptie). In bijna alle licenties word je een uitgebreid gebruiksrecht verstrekt die het linken naar de content mogelijk maakt in een digitale leeromgeving (linken naar rechtmatig gepubliceerde werken vormt echter geen inbreuk en vereist dus ook geen toestemming dus hoezo een gebruiksrecht?). En in het voorbeeld uit de vorige paragraaf krijg je dus doodleuk het gebruiksrecht om de content uit de databank te gebruiken als onderwijsmateriaal zolang je je maar aan de afspraken van de readerovereenkomst houdt. Waarmee je dus voor lange overnames twee keer betaalt: 1 keer via de licentie en 1 keer via het gebruik van die content in een reader of leeromgeving.

Het kan nog erger want er is zelfs een voorbeeld te vinden van een licentie waarin het gebruik van de content als onderwijsmateriaal simpelweg niet toegestaan is. Tenzij het onder de readerovereenkomst valt.

“Uitsluitend gedurende [..] is onder de Gebruiksrechten tevens begrepen het zonder te betalen van een nadere billijke vergoeding opnemen van delen van de Content in elektronische dan wel papieren publicaties die worden gemaakt als toelichting bij het onderwijs. Partijen komen echter uitdrukkelijk overeen dat dit Gebruiksrecht vervalt […] en dat na deze datum het gebruik van de Content voor dit doel niet langer deel uitmaakt van deze Overeenkomst.”

Je zou je moeten afvragen waarom je als onderwijsbibliotheek een licentie wilt afsluiten met een voorwaarde erin die stelt dat je eigen gebruikers het materiaal niet mogen gebruiken voor het onderwijs.

De uitzondering bevestigt de regel?

Al komen de ‘sigaar uit eigen doos’ voorwaarden veel voor, de licenties die beperkingen opleggen aan het realistisch te verwachten gebruik van de content zijn gelukkig zeldzaam. In de meeste gevallen is er een gebruiksrecht voor het “zonder te betalen van een nadere billijke vergoeding opnemen van delen van Content in elektronische dan wel papieren publicaties die worden gemaakt als toelichting bij het onderwijs”.

Het gebruik van terminologie als “billijke vergoeding” en “delen van content” in een gebruiksrecht die je toestemming zou moeten geven voor het gebruik van de content in het onderwijs, is echter wel ongelukkig. Het zijn namelijk ook termen die in de onderwijsexceptie en readerovereenkomst gebruikt worden terwijl je het bij (duur)betaalde content niet meer hoeft te hebben over een additionele “billijke vergoeding” en het niet gaat om delen van een boek of tijdschrift. Het leidt nu af en toe tot misverstanden bij uitgevers die een gebruiksrecht interpreteren als het moeten verstrekken van de wettelijke mogelijkheden die hun klanten hebben. En vooral niks meer dan dat.

In een formulering van een gebruiksrecht moet echter minimaal staan dat je de gelicenseerde content mag gebruiken in digitale en papieren publicaties ter toelichting van het onderwijs. Daarmee is de readerovereenkomst niet meer van toepassing en hoeven we het daar ook niet meer over te hebben.

Dat kan anders en dat kan beter

De komende jaren zal veel meer dan voorheen de aandacht op het gebruiksrecht moeten komen te liggen. Wat wil een docent of onderzoeker *kunnen doen* met de content die bibliotheken willen aanbieden aan de eigen gebruikers? In elk geval moet het zo zijn dat als je als bibliotheek een licentie afsluit, je daarmee ook het gebruiksrecht en de toestemming hebt om het gelicenseerde te kunnen gebruiken in het onderwijs. En zou het toch ook zo moeten zijn dat je de lat wel wat hoger legt dan een setje aan gebruiksrechten waar al lang door de Auteurswet in voorzien wordt. Wat als je instelling zich bijv. bezig houdt met open online onderwijs en docenten daar onderwijsmateriaal voor moeten maken? Daar voorziet de readerovereenkomst sowieso niet in en dat moet je dus op een andere manier regelen.

De nieuwe readerovereenkomst voor het hbo is dus eigenlijk het begin van een veel langer traject waarin hogescholen (de bibliotheken met name) betere afspraken moeten maken met uitgevers en de eigen docenten als het gaat om het mogen gebruiken van content als/in onderwijsmateriaal zonder daar alsnog de readerovereenkomst op los te moeten laten met alle (financiële) consequenties van dien. Bibliotheken moeten kunnen aantonen – naar o.a. Stichting PRO – dat als er aangetroffen artikelen of andere materialen uit bepaalde databanken afkomstig zijn, daar dus een gebruiksrecht voor opgenomen is in de licentie. Idealiter moeten ze ook kunnen aangeven richting docenten en onderzoekers welke content uit welke databanken *wel* en welke content *niet* zomaar gebruikt mogen worden in de digitale leeromgevingen of readers. En uit kunnen leggen natuurlijk waarom ze een dure licentie afgesloten hebben als docenten en onderzoekers het gekochte niet mogen gebruiken.

Dit is dus ook waar ik mee aan de slag wil gaan. Samen met (de juriste van) SURFmarket kijken naar een veel duidelijkere formulering van de gebruiksrechten zodat je weet wat je met de gelicenseerde content wel en niet mag doen. Zonder onnodige verwijzingen naar rechten die je toch al hebt volgens de wet en met een verwoording die zekerheid geeft dat de readerovereenkomst niet van toepassing is voor die betreffende licentie. En natuurlijk wil ik samen met de andere bibliotheken die lat hoger neerleggen in toekomstige onderhandelingen met de uitgevers zodat de beter geformuleerde gebruiksrechten ook in de nieuwe licenties terecht gaan komen.

We willen natuurlijk wel dat onze docenten en onderzoekers kunnen rijden in die mooie geleasde auto, nietwaar?

@afbeelding via Pixabay met een CC0 verklaring

#

Over Big Deals, Open Access en de onderhandelingen tussen Elsevier en de universiteiten

big dealsAls er één bedrijfstak is die nauwelijks of geen last heeft gehad van de economische crisis, dan zijn het wel de wetenschappelijke uitgevers. Tenminste, dat is mijn conclusie bij elke ronde gesprekken en onderhandelingen voor nieuwe licenties voor onderwijs- en onderzoeksinstellingen zodat ze toegang krijgen (of behouden) tot (wetenschappelijke) artikelen. Elk jaar stijgen de kosten met een stevig percentage terwijl het budget van de gemiddelde instelling in de praktijk al vele jaren geen gelijke tred kan houden.

Big Deals

Dit beperkt zich niet tot wetenschappelijke uitgevers – het is ook van toepassing op bijna alle digitale content van uitgevers die door de onderwijs- en onderzoeksinstellingen afgenomen wordt – maar nergens wordt het beter geïllustreerd dan bij de zogenaamde Big Deals. Dit zijn overeenkomsten die door de grote wetenschappelijke uitgevers met universiteiten (per regio) over de hele wereld afgesloten worden en waar elke drie jaar zware onderhandelingen aan vooraf gaan.

Ze heten Big Deals omdat het om overeenkomsten gaat die met de meerderheid van de universiteiten en onderzoeksinstellingen afgesloten worden en omdat het – vanzelfsprekend – om honderden miljoenen euro’s wereldwijd gaat. Big deals zijn very big business als je Springer, Wiley Blackwell of Elsevier bent.

Ook al zijn hun betalende klanten dezelfde instellingen die verantwoordelijk zijn voor de inhoud *en* kwaliteitsbewaking van hun wetenschappelijke tijdschriften en ook al hebben de bibliotheken van de instellingen al jaren te kampen met bezuinigingen, het leidt niet tot een herziening van het verdienmodel van uitgevers. Integendeel want telkens weer stijgen de prijzen sterker dan de inflatie en inmiddels zijn er al vele universiteiten – waaronder ook bekende – die zich niet meer (kunnen) laten gijzelen door het prijsbeleid van een uitgever en minder of geen toegang meer bieden tot bepaalde wetenschappelijke tijdschriften.

Wie betaalt nou precies voor wat?

Het overgrote deel van de wetenschappelijke onderzoeksoutput wordt gepubliceerd in dure wetenschappelijke tijdschriften die commercieel geëxploiteerd worden door de wetenschappelijke uitgevers. Universiteiten betalen jaarlijks vele miljoenen euro’s om hun medewerkers en onderzoekers toegang te geven tot (een deel van) deze artikelen aangezien deze essentieel zijn voor de uitvoering van nieuw onderzoek en de productie van nieuwe wetenschappelijke artikelen.

En daarin zit ook de bijzondere relatie tussen de universiteiten en de wetenschappelijke uitgevers met wie dure Big Deals afgesloten dienen te worden. Het zijn namelijk de universiteiten die, bijna zonder uitzondering, de auteurs leveren die de artikelen schrijven voor die dure wetenschappelijke tijdschriften. Zij leveren ook de deskundigen en experts die bij de wetenschappelijke uitgevers de kwaliteitsbewaking – het zogeheten peer review proces – verzorgen en die juist de meerwaarde geven aan dat tijdschrift en wat wordt doorberekend aan de abonnees. En desondanks betalen universiteiten en onderzoeksinstellingen miljoenen euro’s – een substantieel deel van hun onderzoeksbudgetten – om de artikelen die door hun eigen onderzoekers geschreven zijn – en peer reviewed zijn door hun eigen onderzoekers – toegankelijk te maken voor, jawel, hun eigen onderzoekers.

Ze zijn daarmee in hoge mate afhankelijk van elkaar. Wetenschappers dienen hun onderzoeksresultaten te publiceren in (bij voorkeur prestigieuze) tijdschriften en de wetenschappelijke uitgevers kunnen de tijdschriften niet vullen als wetenschappers niet zouden publiceren en middels peer review invulling geven aan de kwaliteitsbewaking. Gelijkwaardig is die relatie echter niet. Er is een lange geschiedenis van praktijken waarin de wetenschappelijke uitgevers het auteursrecht claimen van de artikelen in ruil voor de mogelijkheid om de artikelen te kunnen publiceren en met dit recht dus de toegang tot al die wetenschappelijke artikelen verkopen aan de universiteiten. Een hele dure sigaar uit eigen doos in feite.

Open Access

Maar wacht, het wordt nog een stukje interessanter. Bijna een jaar geleden schreef staatssecretaris Dekker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een brief aan de Tweede Kamer waarin hij zijn Open Access beleid aankondigde.

Mijn uitgangspunt is dat resultaten van publiek en publiek/privaat gefinancierd onderzoek altijd vrij beschikbaar moeten zijn. Omdat het om publiek geld gaat, en er voor de uitrol van Open Access technisch in principe geen belemmeringen zijn, acht ik het van belang dat dit binnen afzienbare tijd gebeurt.

De staatssecretaris wil er naar streven dat in vijf jaar (2019) 60 procent van de Nederlandse wetenschappelijke publicaties Open Access toegankelijk is en in tien jaar (2024) zelfs 100 procent op deze wijze gepubliceerd wordt.

Open Access wordt vooral geassocieerd met ‘gratis’ en ‘vrij toegankelijk’ en voor iemand die kennis wil nemen van een onderwijs- of onderzoekspublicatie klopt dat ook. Lezers hebben gratis toegang tot artikelen die Open Access gepubliceerd zijn. Auteurs hebben daar voordeel van omdat ze ook gemakkelijker gevonden – en gelezen – worden door die lezers want die hoeven niet meer honderden, of zelfs duizenden, euro’s te betalen voor een duur abonnement op een wetenschappelijk tijdschrift. Maar onderzoekers profiteren ook omdat zij dan zelf vrij toegang hebben tot de onderzoekspublicaties en -resultaten van andere onderzoekers waar op voortgebouwd kan worden zonder de noodzaak eerder onderzoek te herhalen.

Maar publiceren in wetenschappelijke tijdschriften is vanzelfsprekend niet gratis. Open Access publiceren betekent dat de kosten niet meer verhaald (kunnen) worden op de lezers of abonnees en dat die kosten daardoor bij de auteurs komen te liggen. Onderzoekers moeten dus betalen om een artikel te publiceren in een Open Access tijdschrift, of in een regulier wetenschappelijk tijdschrift onder Open Access voorwaarden waarbij andere artikelen in datzelfde tijdschrift niet per se OA zijn (hybride). Dit wordt de gouden publicatieroute (Golden Road) naar Open Access publiceren genoemd.

De staatssecretaris spreekt een voorkeur uit voor deze gouden publicatieroute en dit betekent dat het de wetenschappelijke uitgevers zijn die met een ander (verdien)model moeten gaan komen om Open Access publiceren mogelijk te maken in hun tijdschriften. De staatssecretaris voegde er in zijn brief wel aan toe dat hij in 2016 een wettelijke verplichting tot open access publiceren zou introduceren in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, mocht dit nodig zijn om dit doel ook daadwerkelijk te behalen. Niet onverstandig aangezien het niet te verwachten was dat wetenschappelijke uitgevers met enthousiasme uit zichzelf afscheid zouden nemen van een zeer winstgevend model van publiceren.

Terug naar de Big Deals

Universiteiten (maar ook hogescholen) zijn al jaren bezig met Open Access. Hierin volgen ze de groene publicatieroute (Green Road) waarbij een artikel nog steeds gepubliceerd wordt in een traditioneel, niet OA-tijdschrift maar waarna het artikel – na publicatie – óók gepubliceerd wordt in een institutionele repository. Een andere variant is dat een preprint (een auteursversie voordat de opmaak en redigeerwerk van een tijdschrift toegepast worden) gepubliceerd wordt in de eigen repository. Een institutionele repository is daarmee dus een archief van digitale publicaties die geschreven zijn door medewerkers van die instelling. Deze wordt beheerd door de instelling zelf terwijl de inhoud van de gezamenlijke repositories vrij toegankelijk is voor iedereen via NARCIS en de HBO Kennisbank.

De universiteiten steunen het Open Access plan van de staatssecretaris en kondigden aan bij de komende Big Deals onderhandelingen hoog in te gaan zetten om de Nederlandse wetenschappelijke publicaties Open Access gepubliceerd te gaan krijgen. De vereniging van universiteiten, de VSNU, voegde zich daarom bij het samenwerkingsverband universiteitsbibliotheken en Koninklijke Bibliotheek (UKB) voor de onderhandelingen en leverde ook de hoofdonderhandelaar.

Elsevier

De VSNU onderhandelde de afgelopen maanden afzonderlijk met Springer Verlag, Wiley en Elsevier om tot Open Access publiceren te komen in de tijdschriften van deze uitgevers. Vanochtend maakte de VSNU echter bekend in een persbericht dat de onderhandelingen met Elsevier vastgelopen zijn. De Volkskrant weet te melden dat de VSNU voorgesteld had om de kosten van het Open Access publiceren af te kopen door dit te verrekenen met het bedrag dat op dit moment aan Elsevier betaald wordt maar dat Elsevier extra kosten voor Open Access publiceren in rekening wil brengen. Het tegenvoorstel zou daarmee in totaal wederom een forse prijsstijging gaan opleveren voor de universiteiten. Afgelopen vrijdag zijn daarom de onderhandelingen afgebroken.

En wat nu?

Tenzij er een nieuw voorstel door Elsevier wordt gedaan zal er per 1 januari 2015 geen nieuwe overeenkomst liggen voor toegang tot artikelen uit de duizenden tijdschriften van Elsevier. Nieuwe artikelen kunnen dan niet meer geraadpleegd worden door onderzoekers hoewel de artikelen t/m 2014 wel raadpleegbaar blijven aangezien in de huidige overeenkomst is opgenomen dat deze zelfs bij ontbinding van de overeenkomst toegankelijk blijven.

De VSNU meldt ook in hun persbericht dat ze begonnen zijn met het informeren van hun achterban en onderzoekers over de consequenties van deze patstelling en lijkt vastbesloten te zijn zich niet te laten gijzelen hierdoor. Het is afwachten of ze, in tegenstelling tot diverse buitenlandse universiteitsbibliotheken die in het verleden uiteindelijk toch overstag gingen, wel hun standpunt vasthouden maar ik kan me niet voorstellen dat de VSNU eenzijdig op hun besluit terugkomt.

Het gaat verder dan alleen de universiteiten

Ook al speelt deze kwestie zich af tussen de universiteiten en de uitgevers, ook de hbo instellingen hebben er mee te maken. Een groot aantal hogeschoolbibliotheken heeft, als onderdeel van de huidige overeenkomst met de universiteiten, eveneens de wetenschappelijke content afgenomen van Wiley, Springer Verlag en Elsevier aangezien er ook in hbo instellingen aan onderzoek gedaan wordt. Met aanzienlijk lagere budgetten (en gebruik) dan de universiteiten is er veel onduidelijkheid en onzekerheid hoe en of deze artikelen toegankelijk zullen blijven voor de onderzoekers in het hbo hoewel ook hier veel steun te vinden is voor het open access publiceren.

Persoonlijk vind ik het staken van de onderhandelingen vooral een goed signaal naar zowel de wetenschappelijke uitgevers (Elsevier voorop) als naar de eigen publicatiecultuur bij de universiteiten. Open Access publiceren vereist, behalve een andere insteek door uitgevers, ook een andere insteek bij de onderzoekers en instellingen zelf. Er is nog steeds een druk en vanzelfsprekendheid om in prestigieuze – niet Open Access – tijdschriften te publiceren omdat dit waardering en aanzien oplevert terwijl de kwaliteit van de onderzoeksoutput mijns inziens niet anders is als je datzelfde artikel in een Open Access tijdschrift zou publiceren. Hiermee houd je het bestaande systeem in stand en geef je alle controle aan de uitgevers.

Dus laat het nu maar eens flink knallen. Laat het ook maar eens duidelijk worden hoe serieus de consequenties zijn van het niet meer beschikbaar zijn van duurbetaalde wetenschappelijke artikelen. Laat universiteiten, hbo’s en onderzoekers nu ook maar eens echt wennen aan Open Access. Vul en doorzoek de eigen repositories, neem eens contact op met die onderzoeker om een exemplaar van zijn of haar onderzoekspublicatie op te vragen en weiger het auteursrecht over je eigen artikelen af te staan aan een uitgever die je vervolgens diezelfde artikelen weer terugverkoopt.

Verder lezen: Persbericht ‘Onderhandelingen tussen universiteiten en Elsevier vastgelopen’ (VSNU) / Open Access bij (Auteurs)wet geregeld [over hoe je ook de Auteurswet zou moeten aanpassen om Open Access te stimuleren] (Vakblog) / Wetenschap ligt overhoop met uitgever Elsevier (Volkskrant)
@afbeelding via Pixabay met CC0 verklaring

#

Pagina 1 of 13123...Laatste »
  • © 2006- 2016 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top