Auteurscontractenrecht: Open Access in de Auteurswet vastgelegd

auteurscontractenrecht
Eens in de zoveel tijd worden wetten aangepast aan de nieuwe mogelijkheden en vereisten die er aan wetgeving gesteld worden. Er zijn mensen die denken dat de Auteurswet – uit 1912 – in meer dan een eeuw niet aangepast is maar dat wordt vooral als (dom) argument gebruikt in discussies over nut en noodzaak van auteursrechtwetgeving. De Auteurswet wordt zeer regelmatig (licht) aangepast maar na vorige week lijkt er zelfs een hele uitgebreide toevoeging bij te komen want de Tweede Kamer stemde in met het wetsvoorstel auteurscontractenrecht.

Auteurscontractenrecht

Het wetsvoorstel van staatssecretaris Teeven lag er al sinds juni 2012. Essentie van het voorstel is het versterken van de contractuele positie van auteurs en kunstenaars ten opzichte van degenen die hun werken exploiteren. Zoals filmmakers en de kabelmaatschappijen maar natuurlijk ook auteurs en hun uitgevers. Het gratis overdragen van hun auteurs- en exploitatierechten middels overeenkomsten wordt onmogelijk gemaakt aangezien de nieuwe wetsartikelen (PDF) het recht introduceren (art. 25c lid 1 Aw) op een billijke vergoeding voor het verlenen van de exploitatierechten (verplicht via een akte). Daarnaast ontstaat er een recht op een aanvullende vergoeding als de oorspronkelijk overeengekomen vergoeding in geen enkele verhouding meer staat tot de opbrengst voor de exploitant. De zogeheten bestsellerbepaling van artikel 25d Aw.

Heb je als maker wel je rechten verkocht/overgedragen maar doet een uitgever of andere exploitant niks met dat werk? Dan heb je nu als maker het recht op ontbinding van die overeenkomst zodat je je exploitatierechten weer terug kunt krijgen. De zogeheten non-usus-bepaling of use-it-or-lose-it-bepaling van artikel 25e lid 1 Aw.

Verder kunnen onredelijke bepalingen in exploitatie-overeenkomsten worden vernietigd (knevel- of wurgcontracten), bijvoorbeeld als een auteur verplicht wordt het auteursrecht op al zijn toekomstige werken aan dezelfde uitgever over te dragen. Dat wordt geregeld in lid 1 en 2 van artikel 25f Aw, mits het gaat om (volledige) overdracht van rechten en exclusieve licenties (art. 25b lid 2 Aw). Tot slot is er een nieuwe regeling voor het filmauteurscontractenrecht (art. 45d Aw) waarbij alle makers een billijke vergoeding krijgen van de producent en is er de mogelijkheid van een laagdrempelige geschillencommissie vastgelegd om te voorkomen dat geschillen voor de rechter belanden.

Hoezo Open Access?

In het wetsvoorstel zelf is geen sprake van Open Access. Maar in januari 2014 voegde kamerlid Taverne van de VVD een amendement toe aan het wetsvoorstel dat voorziet in nog een nieuw artikel: artikel 25fa. Ik ging vorig jaar al uitgebreid in op dit amendement aangezien ik het een bijzonder goed idee vond om het recht op Open Access te regelen in de Auteurswet in plaats van in de Wet op het Hoger Onderwijs, zoals staatssecretaris Dekker in eerste instantie beoogde. Ook dit (licht gewijzigde) amendement van Taverne werd vorige week aangenomen, zoals je bovenaan kunt zien.

Artikel 25fa
De maker van een kort werk van wetenschap waarvoor het onderzoek geheel of gedeeltelijk met Nederlandse publieke middelen is bekostigd, heeft het recht om dat werk na verloop van een redelijke termijn na de eerste openbaarmaking ervan, om niet beschikbaar te stellen voor het publiek, mits de bron van de eerste openbaarmaking daarbij op duidelijke wijze wordt vermeld.

Deze bepaling is deels geïnspireerd op artikel 38 lid 4 van de Duitse auteurswet zoals die per 1 januari 2014 is gaan gelden maar ook op auteursrechtwetgeving die inmiddels in o.a. Amerika van kracht is geworden.

Taverne beschrijft in de Toelichting wat het doel van artikel 25fa is:

Deze bepaling is erop gericht invulling te geven aan de groeiende behoefte om wetenschappelijk werk in de vorm van open access beschikbaar te stellen. De aanduiding “kort werk” houdt in dat het gaat om artikelen en niet om boeken. De term is ontleend aan artikel 16 lid 2 Auteurswet. Korte bijdragen aan (congres)bundels kunnen er ook onder vallen. Door deze bepaling behoudt de auteur het recht om zijn wetenschappelijk werk dat met publieke  middelen is gefinancierd gratis via internet in open access beschikbaar te stellen.

Werk van personen in dienst van een universiteit of ander door de overheid gefinancierde onderzoeksinstelling wordt geacht geheel of gedeeltelijk met publieke middelen te zijn bekostigd.  De term “voor het publiek beschikbaar stellen” verwijst naar de openbaarmakingsvorm waarbij materiaal per draad of draadloos voor leden van het publiek beschikbaar wordt gesteld op zodanige wijze dat zij daartoe op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang toe hebben. Dit is de internationaal gebruikelijke omschrijving van beschikbaarstelling via internet. Voorwaarden zijn dat de beschikbaarstelling geschiedt om niet, hetgeen een wezenskenmerk is van open access, en dat de bron van de eerste openbaarmaking, bijvoorbeeld het wetenschappelijke tijdschrift waarin het werk voor het eerst is gepubliceerd, wordt vermeld.

Deze bepaling is echter wel een stuk flexibeler dan vergelijkbare bepalingen in de wetgeving van Duitsland en Amerika. Zo wordt de termijn, waarop een artikel Open Access gepubliceerd mag worden, niet gefixeerd maar is dat onderwerp van te maken afspraken zodat ook de (financiële) belangen van een wetenschappelijke uitgever bewaakt worden die immers wel moet investeren in het publiceren en het organiseren van peer review. En dan maakt het wel verschil met welke frequentie een tijdschrift artikelen publiceert en in welk vakgebied er gepubliceerd wordt.

Om tegemoet te komen aan de belangen van de uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften die hun investeringen moeten kunnen terugverdienen, dient een redelijke termijn in acht te worden genomen alvorens de beschikbaarstelling in open access plaatsvindt. De reden waarom een redelijke termijn in acht genomen moet worden is het gerechtvaardigde belang van de uitgevers die tijdschriften uitgeven en peer-review organiseren. De investeringen die daarvoor nodig zijn dienen in sommige gevallen door betaling van abonnements- of toegangsgelden te worden  terugverdiend, alvorens na ommekomst van een redelijke termijn het werk gratis voor een ieder beschikbaar komt. De duur van deze redelijke termijn zal per publicatievorm verschillen. De redelijke termijn kan ook nul zijn, indien het redelijk en niet bezwaarlijk is als een werk, eventueel in een van de formele publicatie afwijkende opmaak, onmiddellijk gratis online verschijnt. Het staat partijen vrij om hier nadere afspraken over te maken, maar de rechter zal uiteindelijk moeten beoordelen of een termijn redelijk is, in het licht van alle omstandigheden van het geval.

Het is belangrijk om te beseffen dat deze ‘Open Access-bepaling’ geen nieuwe uitzondering op het auteursrecht is maar een wezenlijk (nieuw) onderdeel van de persoonlijkheidsrechten van een auteur die niet over te dragen zijn aan een uitgever.

Dat betekent dat alle wetenschappelijke artikelen – van auteurs in onderzoeksinstellingen, universiteiten en hogescholen – dat geheel of gedeeltelijk gefinancierd is met (Nederlandse) publieke middelen na verloop van tijd (ook) Open Access gepubliceerd mogen worden. Mits daar de bron vermeld wordt van de oorspronkelijke publicatie en er een redelijke termijn met de uitgever afgesproken is.

In de Toelichting wordt vermeld dat er bij – de voor de hand liggende – geschillen over die redelijke termijn een rechter aan te pas kan komen maar ik hoop dat eveneens een plek kan krijgen in de geschillencommissie. Ook al betwijfel ik of een grote buitenlandse uitgever onder de indruk zal zijn van een dergelijke commissie.

Van dat recht *kan* een auteur niet eens afstand doen waarmee de noodzaak om het (opnieuw) Open Access publiceren van wetenschapsartikelen in bijv. een eigen instellingsrepository (de ‘groene route’) te regelen in een aparte overeenkomst met de uitgever kan komen te vervallen. Een wetenschappelijke auteur behoudt altijd zijn of haar recht om wetenschappelijke artikelen Open Access te publiceren.

Iets dat bijzonder goed past in het Open Access beleid dat op dit moment door staatssecretaris Dekker en de Nederlandse universiteitein bedreven wordt. En wat zeker ook voor hogescholen interessant is die een volgende stap aan het zetten zijn in hun eigen Open Access beleid.

De bepaling behelst geen beperking op het auteursrecht, maar slechts een beperking van de overdraagbaarheid van een deel van het auteursrecht. Zij legt slechts vast dat de auteur van een kort wetenschappelijk werk niet contractueel gedwongen kan worden afstand te doen van het recht om zijn werk, als hij dat wenst, na verloop van tijd gratis op internet te plaatsen. De auteur van het werk is overigens niet verplicht om zijn werk om niet op internet te plaatsen. Het ligt wel in de rede dat de overheid of een van overheidswege gefinancierde subsidiënt van een specifiek wetenschappelijk onderzoek in bepaalde gevallen zal overeenkomen of als voorwaarde voor financiering zal stellen dat door haar gefinancierd onderzoek direct of na verloop van een redelijke termijn gratis op internet beschikbaar wordt gesteld.

Met de instemming door de Tweede Kamer is dit wetsvoorstel (incl. amendement) weliswaar aangenomen maar is de vernieuwde wetgeving nog niet van kracht. Daarvoor zal het wetsvoorstel eerst ook nog door de Eerste Kamer moeten worden aangenomen. Naar verwachting zal dit echter al binnen enkele maanden gebeuren waarna de wijzigingen per 1 juli 2015 in werking treden.

#

Hoe herken je wetenschappelijke literatuur?

De laatste jaren ligt er meer nadruk op het gebruik van wetenschappelijke literatuur in het hoger beroepsonderwijs. Niet alleen bij kenniskringen en lectoraten speelt het zoeken naar en verwerken van wetenschappelijke literatuur een belangrijke rol, ook van studenten wordt steeds vaker verwacht dat ze behalve de vakliteratuur (en Google) ook gebruik maken van wetenschappelijke tijdschriftartikelen en boeken. Die moeten wat meer verdieping en niveau geven aan hun literatuuronderzoek.

De vraag hoe je wetenschappelijke literatuur onderscheidt van ‘reguliere’ vakliteratuur is er niet eentje die ik mezelf ooit gesteld heb. Het is één van die dingen waar je nooit over nadenkt – maar gewoon doet – totdat je het moet omschrijven naar anderen toe. En dat is natuurlijk precies wat je als docent moet doen als je van je studenten vraagt om minstens een paar wetenschappelijke tijdschriftartikelen of boeken te raadplegen bij het praktijkonderzoek dat ze uitvoeren. Ik zou het zelf gehouden hebben op ‘literatuur die (de resultaten van) wetenschappelijk onderzoek beschrijft’ maar in een opdrachtbeschrijving voor literatuuronderzoek bij een niet nader genoemde opleiding, van een niet nader genoemde docent, kwam ik het onderstaande stukje tegen.

wetenschappelijke literatuur

Als het nu nog mis gaat bij die studenten, dan weet ik het ook niet meer ;)

#

Open Access bij (Auteurs)wet geregeld

open accessStaatssecretaris Dekker kondigde in november 2013 al zijn voornemen aan het een en ander te willen wijzigen in de wetenschappelijke publicatiecultuur door – middels Open Access – een betere toegankelijkheid van wetenschappelijke publicaties en onderzoeksgegevens te bewerkstelligen.

Mijn uitgangspunt is dat resultaten van publiek en publiek/privaat gefinancierd onderzoek altijd vrij beschikbaar moeten zijn. Omdat het om publiek geld gaat, en er voor de uitrol van Open Access technisch in principe geen belemmeringen zijn, acht ik het van belang dat dit binnen afzienbare tijd gebeurt.

Daar heeft de staatssecretaris ook ideeën bij – die overigens makkelijker gezegd dan gedaan zijn – en hij is van plan om in 2016 een verplichting voor Open Access publiceren van onderzoeksresultaten van met (deels) publieke middelen gefinancierd onderzoek, op te nemen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Als het nodig is, voegde hij er aan toe maar gezien alle praktische hindernissen kan ik me bijna niet voorstellen dat het niet nodig zal zijn.

Of alle media-aandacht de laatste tijd over de kwaliteit (en de kwantiteit) van wetenschappelijke output een rol gespeeld heeft durf ik niet te zeggen maar steeds vaker krijg ik het idee dat Open Access ook gezien wordt als een goede manier om tot meer transparantie te komen in het wetenschappelijk publiceren. Hoe beter de toegankelijkheid is, hoe beter ook de controle kan zijn op wat zich achter de schermen van het publiceren afspeelt.

Eén van die aspecten achter de schermen van het (Open Access) publiceren heeft te maken met auteursrecht. Auteurs/onderzoekers willen (of moeten) in toonaangevende vaktijdschriften gepubliceerd worden en ondanks alle aandacht en focus op open accessbeleid betekent dat nog steeds dat er vaak rechten overgedragen moeten worden aan de uitgever van een tijdschrift om te kunnen publiceren op een wijze die onderzoekers wenselijk vinden. En dan is het een gepasseerd station als je de onderzoeksresultaten ook nog Open Access beschikbaar wilt maken want je kunt slechts één keer bepalen wat je met je auteursrechten wilt doen. Het is of het één of het ander.

Of toch niet?

Het ligt voor de hand om de facilitering en stimulering van Open Access publiceren te borgen in een wet. Maar of je dat bereikt door een additionele verplichting op te nemen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is maar zeer de vraag. De reikwijdte van deze wet is relatief beperkt (tot de onderwijs- en onderzoeksinstellingen) en bestaande praktijken, publicatiecultuur en andere belangen zullen net zo zwaar blijven meetellen als een additionele verplichting om Open Access te gaan publiceren. En in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kun je wel iets gaan verplichten maar is het ondoenlijk om de bijkomende randvoorwaarden te regelen. Wie bekostigt deze publicatieroute, wanneer moet het per se en wanneer niet en je behoudt dezelfde problemen rondom de overdracht van auteursrechten.

Juist de positie van auteurs als het gaat om het overdragen van hun auteursrechten staat echter al centraal in een compleet ander wetsvoorstel waar al jaren aan gewerkt wordt. De wet Auteurscontractenrecht stelt een wijziging voor van zowel de Auteurswet als de Wet op de naburige rechten om de positie van auteurs en uitvoerenden te versterken in de auteursrechtwetgeving. Ik ga er verder op in zodra er zicht is op een daadwerkelijke behandel- en ingangsdatum maar in het kort komt het er op neer dat een maker van een werk een licentie moet verlenen voor het geheel of een gedeelte van het auteursrecht aan een ander voor exploitatie. Aan deze exploitatieovereenkomst zitten dan echter wel beperkingen die meer controle geven aan de makers en uitvoerenden. Zoals een ‘bestseller’ voorwaarde die een aanvullende vergoeding oplevert voor een auteur als zijn of haar werk commercieel succesvoller is dan verwacht. En een ontbindende voorwaarde als bijv. een uitgever een werk niet (meer) uitgeeft zodat een auteur dat werk zelf (of via een andere partij) kan exploiteren. Vandaar ook de naam van het wetsvoorstel want er wordt veel meer gestuurd op het aangaan van contracten waarbij beide partijen zich goed bewust dienen te zijn van hun rechten en plichten.

Het ligt dan ook veel meer voor de hand om Open Access te faciliteren in de Auteurswet, moet kamerlid Taverne van de VVD gedacht hebben. Afgelopen week bracht hij een amendement in op het wetsvoorstel Auteurscontractenrecht die een nieuw artikel (25fa) moet gaan toevoegen aan de Auteurswet.

Artikel 25fa
De maker van een kort werk van wetenschap waarvoor het onderzoek geheel of gedeeltelijk met publieke middelen is bekostigd, heeft het recht om dat werk na verloop van een redelijke termijn na de eerste openbaarmaking ervan, om niet beschikbaar te stellen voor het publiek, mits de bron van de eerste openbaarmaking daarbij op duidelijke wijze wordt vermeld.

Deze bepaling is deels geïnspireerd op artikel 38 lid 4 van de Duitse auteurswet zoals die per 1 januari 2014 is gaan gelden maar ook op auteursrechtwetgeving die inmiddels in o.a. Amerika van kracht is geworden.

Zoals Taverne ook in de Toelichting beschrijft:

Door deze bepaling behoudt de auteur het recht om zijn wetenschappelijk werk dat met openbare middelen is gefinancierd gratis via internet in open access beschikbaar te stellen. Werk van personen in dienst van een universiteit of ander door de overheid gefinancierde onderzoeksinstelling wordt geacht geheel of gedeeltelijk met openbare middelen zijn is bekostigd. De term «voor het publiek beschikbaar stellen» verwijst naar de openbaarmakingsvorm waarbij materiaal per draad of draadloos voor leden van het publiek beschikbaar wordt gesteld op zodanige wijze dat zij daartoe op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang toe hebben». Dit is de internationaal gebruikelijke omschrijving van beschikbaarstelling via internet. Voorwaarden zijn dat de beschikbaarstelling geschiedt om niet, hetgeen een wezenskenmerk is van open access, en dat de bron van de eerste openbaarmaking, bijvoorbeeld het wetenschappelijke tijdschrift waarin het werk voor het eerst is gepubliceerd, wordt vermeld.

Deze bepaling is echter wel een stuk flexibeler dan vergelijkbare bepalingen in de wetgeving van Duitsland en Amerika. Zo wordt de termijn waarop een artikel Open Access gepubliceerd mag worden niet gefixeerd maar is dat onderwerp van te maken afspraken zodat ook de (financiële) belangen van een wetenschappelijke uitgever bewaakt worden die immers wel moet investeren in het publiceren en het organiseren van peer review. En dan maakt het wel verschil met welke frequentie een tijdschrift artikelen publiceert en in welk vakgebied er gepubliceerd wordt. In de Toelichting vermeldt Taverne dat er bij geschillen over de termijn een rechter aan te pas kan komen hoewel dat wellicht iets laagdrempeliger georganiseerd kan worden me dunkt.

Mits en zodra deze bepaling geldend recht wordt in de Auteurswet zou het meer kunnen doen voor de toegankelijkheid van wetenschappelijke publicatie en onderzoeksgegevens dan alleen maar een verplichting in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. In plaats van of het één of het ander heb je dan wel ineens beide opties tot je beschikking als je gaat publiceren. Ook al kies je voor traditioneel publiceren met overdracht van rechten bij een wetenschappelijke uitgever, na een bepaalde termijn kun je datzelfde artikel alsnog gratis (Open Access) beschikbaar stellen zonder dat je dit in een overeenkomst vastgelegd hoeft te hebben. Mits je daarbij vermeldt waar het artikel oorspronkelijk (in) verschenen is.

In het ideale scenario zou de route naar Open Access publiceren overigens in beide wetten vastgelegd kunnen worden. In de Auteurswet om een auteur/onderzoeker de wettelijke mogelijkheid daartoe te geven en in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek om de prikkel te geven ook daadwerkelijk gebruik te maken van die wettelijke mogelijkheid.

Een Open Access een-tweetje als het ware.

#

Blokkade van The Pirate Bay werkt alleen voor BREIN en Buma/Stemra

the pirate bay
Gisteren werd er een onderzoek (PDF) gepresenteerd van de Universiteit van Amsterdam en CentERdata naar de effecten van de door de rechter opgelegde blokkade van The Pirate Bay in Nederland. Begin 2012 moesten eerst Ziggo en XS4ALL een lijst met URL’s van The Pirate Bay blokkeren waarna een half jaar later ook UPC, KPN, Tele2 en T-Mobile verplicht volgden. Daarmee werd geïmpliceerd dat 80% van Nederlandse internetters geen toegang meer zou hebben tot The Pirate Bay.

Dat ging o.a. met vele discussies gepaard over de effectiviteit van deze maatregel. Met aan de ene kant de eisende partij bij de rechter – Stichting BREIN – die geen discussie zocht en simpelweg de bekendste torrentsite ontoegankelijk wilde maken en aan de andere kant zo’n beetje de rest van de wereld die riep dat een dergelijke blokkade eenvoudig te omzeilen zou zijn en dat er altijd voldoende alternatieven zouden blijven.

De Universiteit van Amsterdam en CentERdata keken daarom op twee verschillende momenten (in mei en in november 2012) naar het downloadgedrag van Nederlanders. Wordt er minder gedownload van torrentsites, maakt het nog verschil of het om muziek, films, ebooks of games gaat en is er verschil tussen de verschillende internetproviders?

the pirate bayOp een miniscule daling na bij het downloaden van muziek uit illegale bron – en dat kun je net zo goed toewijzen aan het opkomen van legale streamingdiensten dan aan een blokkade van The Pirate Bay – zijn alle cijfers juist gestegen. Er zijn meer films en tv series, ebooks en games gedownload dan voor de blokkade.

the pirate bay

Ook lijken de abonnees van de internetproviders in kwestie eerder gestimuleerd te zijn om te gaan downloaden. Downloadde voor de blokkade nog 15,7% van de UPC, KPN, Tele2 en T-Mobile abonnees nog wel eens wat uit illegale bron, na een blokkadeperiode van zes maanden was dat gestegen naar 18,4%. Voor Ziggo en XS4ALL abonnees geldt dat 22,5% nog downloadde bij de eerste meting – toen de blokkade al 3 maanden een feit was – maar 7 maanden later was ook dit gestegen naar 25,2%.

the pirate bay

De onderzoekers keken vervolgens bij een groot aantal torrents op The Pirate Bay en constateerden dat het percentage van peers (die de torrent gedownload hebben) bij de verschillende blokkerende providers maar nauwelijks fluctueerde. Abonnees van de betrokken providers blijven dus min of meer onverminderd vertegenwoordigd in de torrentstatistieken.

Het onderzoek stelt wel dat een deel van de abonnees door de blokkade minder zijn gaan downloaden – en zelfs dat een klein deel is gestopt met downloaden – maar dat dit gecompenseerd wordt door abonnees die juist meer zijn gaan downloaden. Hierbij wordt dan gebruik gemaakt van één van de tientallen proxies (links die de blokkade omzeilen), een VPN of simpelweg een alternatieve torrentsite. Geconcludeerd wordt dan ook dat er geen aanwijzingen te vinden zijn dat een langdurige blokkade voorkomt dat consumenten downloaden uit illegale bron. En daarmee ook dat een toename van legale diensten – voor muziek – niet te danken is aan de blokkade van The Pirate Bay.

Zo. Een duidelijk onderzoek dat uitlegt hoe er gemeten is, representatief kijkt naar het downloadgedrag, zelfs nog aan Bittorrent monitoring doet om losse torrents te beoordelen en duidelijk laat zien dat in ieder geval het downloaden uit illegale bron niet afgenomen is sinds de blokkade. En daar eigenlijk nog hele voorzichtige conclusies aan verbindt.

Het was natuurlijk wachten op een reactie van BREIN zelf.

Die loog er in kenmerkende BREIN stijl niet om. Met een kop dat de blokkade van The Pirate Bay (wel) goed werkt stelt BREIN dat de onderzoekers onterecht de opinie er op nahouden dat de blokkering van verkeer niet effectief zou zijn. Het onderzoek ziet men kennelijk niet als relevant maar BREIN hoest wel (uit eigen ‘onderzoek’) op dat het Nederlandse bezoek aan de site met zo’n 80% zou zijn gedaald. Het Uva en CentERdata onderzoek ziet BREIN alleen als bevestiging dat alternatieve torrentsites ook zo snel mogelijk geblokkeerd moeten worden.

Die andere organisatie die regelmatig een geheel eigen interpretatie van de Nederlandse wetgeving loslaat op consumenten, Buma/Stemra, praat BREIN in een eigen reactie volledig na. Waarschijnlijk om verontruste leden gerust te stellen dat het echt allemaal vanzelf wel goed komt zodra providers en overheid eindelijk eens ophouden met dwarsliggen.

En de inhoud van dat boeiende onderzoek van BREIN? Dat wordt – blijkt uit een reactie van Tim Kuik aan Webwereld – nog even onder de pet gehouden. Die eigen cijfers moeten helpen als het hoger beroep van de Nederlandse internet serviceproviders bij de rechter dient volgende maand. Op 19 september wordt deze soap weer vervolgd.

#

Hoe kun je als bibliothecaris bijdragen aan open access en open onderwijs?

open access

Onderwijsbibliotheken, en ik focus me hier even op hogeschoolbibliotheken want daar werk ik nu eenmaal, staan op de drempel van grote veranderingen. Natuurlijk, de leeromgeving (de studieplekken) en de collecties blijven onverminderd belangrijk voor deze bibliotheken maar in een tijdperk van grootscheepse bezuinigingen en een overdaad aan vrijelijk beschikbare informatiebronnen op internet valt het nog niet mee om je meerwaarde aan te (blijven) tonen. Wat dat betreft verschillen alle soorten bibliotheken uiteindelijk maar weinig van elkaar.

Oude taken maar nieuwe rollen
Hoe bijzonder is het dan dat onderwijsbibliotheken nu de gelegenheid krijgen om zichzelf opnieuw te definiëren? Om een nieuwe rol te pakken voor het onderwijs? Onderwijsinstellingen zijn tegenwoordig namelijk steeds drukker met het produceren van (open) onderwijsmateriaal en onderzoekspublicaties. Niet alleen wordt er meer en meer gewerkt met kennisproducten van anderen in het onderwijs, er wordt ook steeds meer zelf gemaakt. Onderwijsinstellingen zijn kennisinstellingen. Of willen dat heel graag zijn.

Nou zou elke medewerker van een dergelijke kennisinstelling idealiter prima in staat moeten zijn om ook adequaat, zorgvuldig en verantwoord om te kunnen gaan met al die kennisproducten. De realiteit dat dit niet het geval is – en het ook nooit zo gaat worden – geeft de bibliotheek een perfecte plek in een dergelijke instelling. Nietwaar?

In het trendrapport Open Educational Resources 2013 ziet Cora Bijsterveld wel nieuwe rollen voor juist de onderwijsbibliotheken. Die ziet ze vooral als content curator voor al het open onderwijsmateriaal dat inmiddels beschikbaar is maar in hetzelfde trendrapport gaat het ook over open leermiddelen, open access en de rol van uitgevers. De conclusies die Saskia de Rijk en Paul Vermeulen hierin maken sluiten prima aan bij mijn eigen: zowel het onderwijs als de bibliotheken moeten meer doen met hun eigen materiaal. Onderwijs- en onderzoeksmateriaal wordt aan de lopende band geproduceerd en het is aan de instellingen en bibliotheken zelf om hier het optimale uit te halen. Kennisproducten die niet bij uitgevers beschikbaar zijn en die zeker niet even via Google te vinden zijn. Een unieke monopoliepositie zo je wilt.

Eerlijk delen en beschikbaar stellen
Dat wil niet zeggen dat je er al bent als je besluit dat dit je nieuwe gat in de markt is. Want al die medewerkers van onderwijsinstellingen zijn niet zo ideaal als het gaat om het (willen) delen van al het materiaal dat ze produceren. Iedereen wil graag andermans materiaal gebruiken maar delen, daar zijn toch snel redenen voor te vinden om niet meteen het achterste van je tong te laten zien. In, jawel, datzelfde trendrapport schetsen Wilfred Rubens en Wim Didderen maar liefst 12 van dat soort redenen die belemmerend werken voor medewerkers in het onderwijs als het op delen aankomt.

Goed voorbeeld doet volgen?
De bibliotheek heeft een mooie uitdaging om samen met die medewerkers, ondersteund door te ontwikkelen beleid van de onderwijsinstellingen, aan de slag te gaan met het verwerven en beschikbaar maken van al dat materiaal. Ook als individuele bibliothecaris kun je nu al het goede voorbeeld geven. Niet alleen door zelf gebruik te maken van open access publicaties, materiaal met een Creative Commons licentie of publicaties uit een repository. Maar vooral door zelf je kennis te delen met anderen. En je eigen kennisproducten actief beschikbaar te maken voor anderen. Ook voor bibliothecarissen/informatiespecialisten is het niet perse vanzelfsprekend om dat te doen heb ik de afgelopen jaren ervaren.

Wat kan ik NU zelf doen?

  • Ga bloggen, twitteren, Googleplussen etc. en schrijf, twitter en update iedereen over de onderwerpen waar je iets over te vertellen hebt. Bibliothecarissen zijn traditioneel vraagbaken geweest en kunnen dat nog steeds zijn maar je moet jezelf wel laten zien!
  • Deel het onderwijsmateriaal dat je zelf gemaakt hebt voor trainingen, workshops en presentaties. Denk aan Slideshare voor je presentaties en wees niet te bescheiden om naar Wikiwijs te kijken om je workshopmateriaal te delen. Ook jij produceert producten waar anderen gebruik van zouden kunnen maken.
  • Deel je teksten, afbeeldingen, wat voor content dan ook onder een Creative Commons Naamsvermelding licentie of een Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen licentie. Het zijn de twee ruimste Creative Commons licentie waarbij een hergebruiker zelf verder kan bouwen op je content en alleen een naamsvermelding verplicht is (en dat bewerkt materiaal alleen verspreid mag worden met een soortgelijke licentie). Wat me doet beseffen dat ik de CC licentie van dit blog dan ook moet versoepelen eigenlijk.

Door zelf te delen, te delen en nog eens te delen. Zo kun je als bibliothecaris bijdragen aan zowel de ontwikkelingen binnen je onderwijsinstelling als de toekomst van de bibliotheek waar je werkt. Dat zou ons als informatieprofessionals toch heel eenvoudig moeten afgaan.

Nietwaar?

@foto: Carlos Maya via photopin cc

#

srie13

Onderzoek alles en behoud het goede tijdens het SURF Research and Innovation Event 2013

Waarom alle evenementen en grote gebeurtenissen altijd op dezelfde dag lijken te vallen weet ik niet maar volgende week donderdag 28 februari is kennelijk zo’n knooppunt. Niet alleen kun je er voor kiezen om – ademloos ongetwijfeld – toe te kijken op tv hoe de Paus terugtreedt maar er zijn voor informatieprofessionals twee gelijktijdige evenementen die als zaligmakend alternatief kunnen dienen: het SURF Research and Innovation Event 2013 en de Vogin-IP-lezing.

De Vogin-IP-lezing, bestaande uit workshops en lezingen over zoeken op internet, ligt misschien net iets meer in mijn straatje maar nieuwe dingen leren kun je volgens mij beter doen als het over onderwerpen gaat waar je maar nauwelijks iets van af weet. Het SURF Research and Innovation Event 2013 past met het programma definitief binnen die doelstelling. Omgaan met onderzoeksdata en andere grote dataverzamelingen is een terugkerend thema in het programma en hoewel onderzoek binnen het HBO nog geen hele grote rol speelt, groeit deze wel. Ook voor informatiespecialisten wordt het dan tijd om zich er verder in te verdiepen.

Programma
Het programma voor de #srie13 is opgebouwd uit meerdere tracks en twee keynotes. Ik moet mijn eigen programma nog samenstellen maar het zullen vooral onderdelen uit track 1 en track 4 worden die wat algemener over onderzoeksdata en social media data gaan. De onderwerpen uit de beide overige tracks spreken me minder aan.

Bloggen
Het is al helemaal lastig om nee te zeggen als ze ook nog specifiek bloggers zoeken om verslag te doen van het SURF Research and Innovation Event 2013. Kennis delen door te bloggen blijft eigenlijk toch ook een innovatie vind ik. Hopelijk wordt er ook veel geblogd over de Vogin-IP-lezing want dan heeft iedereen het beste uit twee werelden.

Zelfs diegenen die naar het aftreden van de paus willen kijken.

#

Samenwerken in hoger onderwijs en onderzoek met EDUgroepen

Het ging er zelfs nog wel een beetje om spannen maar EDUgroepen is een kleine twee maanden voordat de ‘oude’ samenwerksomgeving SURFgroepen definitief stopt nu dan toch beschikbaar voor alle studenten en medewerkers van hoger onderwijsinstellingen en onderzoeksinstituten. Daar waar SURFgroepen gebaseerd was op teamsites in een Sharepoint 2007 omgeving is EDUgroepen gebouwd op een Sharepoint 2010 omgeving. Dat betekent weliswaar wederom teamsites en alle andere soorten lijsten maar daar was eigenlijk ook helemaal niks mis mee.

Behalve met de vernieuwingen die samen gaan met de update die Microsoft zelf al aan Sharepoint 2010 gaf -het uiterlijk is behoorlijk veranderd ten opzichte van de 2007 versie- is er ook nog wel meer gesleuteld aan EDUgroepen. Ook al is de look and feel onmiskenbaar die van Sharepoint 2010, er is toch zo veel mogelijk een kleurrijke en geheel eigen vormgeving meegegeven die in elk geval positief afsteekt tegen de oude SURFgroepen uitstraling.

Het draait om samenwerken
Het belangrijkste van een samenwerksomgeving is natuurlijk niet het uiterlijk maar de functionaliteit. Ook al gebruik je binnen je eigen instelling wellicht al Sharepoint (2010), juist het samenwerken met mensen buiten je eigen instelling blijft vaak een hele uitdaging. Als het uberhaupt al mogelijk is. En dat is precies wat al prettig werkte bij SURFgroepen en nu met EDUgroepen zelfs verbeterd is. Ook al kon iedereen in het hoger onderwijs en onderzoek probleemloos een SURFgroepen account aanmaken, juist het feit dat je toch weer een apart account moest aanmaken was voor velen een belemmering. Zeker als je niet frequent gebruikt maakte van deze omgeving vergat je nog wel eens je inloggegevens.

EDUgroepen heeft nog steeds de mogelijkheid van een apart EDUgroepen account maar is ook gekoppeld aan SURFconext, de infrastructuur die door SURF nou net in het leven is geroepen om alle samenwerkingsomgevingen in het hoger onderwijs aan elkaar te knopen.

In de praktijk betekent dit dat je via SURFconext met de inloggegevens van je eigen instelling kunt inloggen op EDUgroepen. Dat is handig want dan hoef je geen aparte inloggegevens te maken en te onthouden. Zo’n apart account blijft echter wel noodzakelijk als je niet werkzaam bent bij een instelling voor hoger onderwijs en onderzoek. Je kunt weliswaar geen eigen teamsite aanmaken in EDUgroepen maar je kunt wel uitgenodigd worden voor een teamsite door iemand die wel eigenaar is. De grote kracht van EDUgroepen is dat je niet alleen eenvoudig kunt samenwerken met collega’s van andere onderwijs- en onderzoeksinstellingen maar dus ook mensen erbij kunt betrekken die daar niet werkzaam zijn.

Wat krijg je?
Sowieso krijg je waar voor je geld want het is gratis. Iedere gebruiker die inlogt krijgt de mogelijkheid om 20 teamsites aan te maken van elk 250 MB. Op die teamsites kunnen een onbeperkt aantal anderen worden uitgenodigd en dat betekent dus ook dat je misschien dan ‘slechts’ eigenaar kunt zijn van 20 teamsites maar dat je van een onbeperkt aantal teamsites lid kunt zijn.

Als je een site aanmaakt dan krijg je het bekende Sharepoint 2010 scherm waar bovenaan te zien is hoeveel sites je al aangemaakt hebt (en hoeveel je er dus nog kunt aanmaken). Je moet verplicht een titel geven aan je nieuwe site en optioneel een beschrijving waarna je je eigen url kunt kiezen/aanpassen. Standaard staat de taal op Engels en zelf zou ik dat zoveel mogelijk laten want in Sharepoint is alle gebruikte terminologie hoe dan ook Engelstalig.

Een nieuwe site kan standaard diverse en verschillende onderdelen bevatten zoals een documentbibliotheek of een agenda maar ook een blog hoort tot de mogelijkheden. Je kunt altijd later nieuwe bibliotheken en lijsten toevoegen maar door een specifiek template te kiezen kun je alvast een handige eerste selectie maken. Begin je een nieuwe site puur als vergaderplek, dan kun je dus beter een template uit het tabblad Meetings gebruiken bijvoorbeeld. Na het klikken op Create is je nieuwe site ook meteen gereed en kun je anderen uitnodigen.

Vanaf dit moment staan alle Sharepoint 2010 functies tot je beschikking en kun je je teamsite helemaal naar eigen smaak aanpassen. Meer of andere documentbibliotheken, een eigen logo of apart lettertype en achtergrondkleur, het kan allemaal. In de speciale publieke teamsite EDUgroepengebruikers vind je o.a. de veelgestelde vragen (en antwoorden), een InfoBank en een gebruikersforum. Ook is er een uitgebreide handleiding beschikbaar die alles uitlegt wat je als eigenaar met een site kunt doen.

Of je nu al wel ervaring had met SURFgroepen en zat te wachten op EDUgroepen of dat je er nog nooit van gehoord had, EDUgroepen is sowieso een mooie opvolger en een prima plek om samen te werken met collega’s binnen en buiten je onderwijsinstelling.

#

Pagina 1 of 212
  • © 2006- 2015 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top