Over de toegang tot de wetenschappelijke tijdschriften van Wiley, Big Deals en Open Access

open accessNederlandse universiteiten en de uitgeverij John Wiley and Sons, Inc. (Wiley) hebben een akkoord bereikt dat het ongelimiteerd open access publiceren van wetenschappelijke artikelen mogelijk maakt. Tegelijkertijd zorgt de overeenkomst voor uitgebreidere toegang tot wetenschappelijke tijdschriften. […]

De onderhandelingen tussen Wiley en de Nederlandse universiteiten hebben geleid tot een akkoord voor de periode 2016-2019. Het akkoord voorziet erin dat wetenschappers en studenten die verbonden zijn aan een Nederlandse universiteit, toegang hebben tot alle artikelen in de wetenschappelijke tijdschriften van Wiley. Daarnaast voorziet de overeenkomst in de mogelijkheid om open access te publiceren in alle circa 1.400 hybride tijdschriften van Wiley. Onderzoekers hoeven zelf geen aanvullende bedragen meer te betalen (APC’s) om open acces te publiceren. (bron: nieuwsbericht VSNU)

Big Deals

Nou zijn onderhandelingen met wetenschappelijke uitgevers op zich niet iets uitzonderlijks maar spelen er soms hele grote belangen als het om grote uitgevers gaat waarmee de meerderheid van de universiteiten en onderzoeksinstellingen zaken doen. Zelfs (alleen) in Nederland gaat het dan om tientallen miljoenen euro’s. Dergelijke Big deals zijn very big business als je Springer, Elsevier of Wiley bent.

Wie betaalt nou precies voor wat?

Het overgrote deel van de wetenschappelijke onderzoeksoutput wordt gepubliceerd in dure wetenschappelijke tijdschriften die commercieel geëxploiteerd worden door de wetenschappelijke uitgevers. Universiteiten betalen jaarlijks vele miljoenen euro’s om hun medewerkers en onderzoekers toegang te geven tot (een deel van) deze artikelen aangezien deze essentieel zijn voor de uitvoering van nieuw onderzoek en de productie van nieuwe wetenschappelijke artikelen.

En daarin zit ook de bijzondere relatie tussen de universiteiten en de wetenschappelijke uitgevers met wie dure Big Deals afgesloten worden. Het zijn namelijk de universiteiten en onderzoeksinstellingen die de meeste auteurs leveren die de artikelen schrijven voor die dure wetenschappelijke tijdschriften. Zij leveren ook de deskundigen en experts die bij de wetenschappelijke uitgevers de kwaliteitsbewaking – het zogeheten peer review proces – verzorgen en die juist de meerwaarde geven aan dat tijdschrift en wat wordt doorberekend aan de abonnees. En desondanks betalen universiteiten en onderzoeksinstellingen miljoenen euro’s – een substantieel deel van hun onderzoeksbudgetten – om de artikelen die door hun eigen onderzoekers geschreven zijn – en peer reviewed zijn door hun eigen onderzoekers – toegankelijk te maken voor, jawel, hun eigen onderzoekers.

Open Access

Maar het wordt nog een stukje complexer. Eind 2013 schreef staatssecretaris Dekker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een brief aan de Tweede Kamer waarin hij zijn Open Access beleid aankondigde.

Mijn uitgangspunt is dat resultaten van publiek en publiek/privaat gefinancierd onderzoek altijd vrij beschikbaar moeten zijn. Omdat het om publiek geld gaat, en er voor de uitrol van Open Access technisch in principe geen belemmeringen zijn, acht ik het van belang dat dit binnen afzienbare tijd gebeurt.

Hiermee wilde hij de druk vergroten om nu ook echt werk te gaan maken van Open Access. In 2018 moet 60% en in 2024 moet zelfs 100% van de wetenschappelijke publicaties, die met publiek geld gefinancierd zijn, Open Access beschikbaar zijn. Zijn eigen voorkeur gaat uit naar de gouden route en dat is ook de insteek geworden van de onderhandelingen die met de wetenschappelijke uitgevers gevoerd worden door de universiteiten.

Binnen het Open Access publiceren worden er twee routes onderscheiden: de gouden route (Gold Open Access) waarbij artikelen door de uitgever zelf in Open Access gepubliceerd worden. Dat kan in volledig OA Journals of in hybride tijdschriften die zowel artikelen bevatten die vrij toegankelijk zijn als artikelen die alleen voor abonnees toegankelijk zijn – de auteur, diens werk- of subsidiegever betaalt dan een Article Processing Charge (APC).

Maar ook de groene route (Green Open Access) waarbij artikelen na peer review maar vóór definitieve opmaak door of namens de auteur zelf gearchiveerd worden in een open repository (van de eigen instelling). Daar heeft een uitgever vaak een embargo-periode voor ingesteld. Dit heet self-archiving, is gratis en maakt vaak onderdeel uit van het beleid van het tijdschrift.

Waar wordt nou precies voor betaald?

Met de eis om Open Access te kunnen publiceren in de tijdschriften van een wetenschappelijke uitgever botsen er eigenlijk twee (betaal)modellen. Voorheen werd er alleen fors betaald voor de toegang tot de artikelen van de uitgever – en waren de artikelen in de Open Access tijdschriften vanzelfsprekend gratis toegankelijk voor iedereen – maar nu gaat het om zowel de toegang tot de niet-Open Access en hybride tijdschriften als om de mogelijkheid om in al die tijdschriften Open Access te publiceren. Zonder dat onderzoekers en auteurs additionele article processing charges (APC’s) moeten betalen.

Alle nieuw afgesloten Big Deals (Springer, Elsevier en nu dus Wiley) zijn daarmee een combinatie geworden van een toegangsregeling tot de betaalde tijdschriften van de uitgever en een afkoopregeling van APC’s voor – een deel van – die tijdschriften die 100% of hybride Open Access moeten gaan worden.

Kijk je naar het streven van de staatssecretaris dan zou een Big Deal idealiter alleen nog maar een afkoopregeling van APC’s zijn. Maar de praktijk is veel grilliger. Zo werd er eind vorig jaar met Elsevier afgesproken dat er een selectie van Elsevier tijdschriften (tot 30%) wordt aangewezen door de universiteiten waarin Nederlandse onderzoekers hun artikelen Open Access kunnen publiceren. De APC’s voor het publiceren in die (en alleen maar die) tijdschriften zijn weliswaar afgekocht maar als je als onderzoeker in een ander (OA) tijdschrift van Elsevier wil publiceren dan zul je alsnog zelf moeten zorgen voor de financiering ervan.

Ook bij de deal met Wiley wordt het ideaal niet gehaald. In de toelichting (PDF) is te lezen dat de overeenkomst het Open Access publiceren in ca. 1400 hybride tijdschriften van Wiley mogelijk maakt maar dat ironischerwijs het publiceren in de ca. 60 full Open Access tijdschriften van de uitgever niet onder de deal valt.

Dat is ook wel logisch want de full OA tijdschriften zitten natuurlijk niet in het pakket van betaalde titels maar er ontstaat hierdoor een rare situatie: onderzoekers kunnen “gratis” Open Access publiceren in de 1400 hybride tijdschriften van Wiley omdat de APC’s afgekocht zijn maar moeten wel APC’s betalen als ze in de full Open Access tijdschriften van Wiley willen publiceren. Het is niet moeilijk voor te stellen dat Nederlandse onderzoekers nu eerder gaan publiceren in de hybride tijdschriften in plaats van in de full Open Access tijdschriften. Waarom een afkoopregeling van APC’s voor deze tijdschriften niet meegenomen is in de nieuwe overeenkomst, is niet duidelijk.

Het hbo vindt Open Access eveneens belangrijk

Ook al worden de onderhandelingen gevoerd tussen universiteiten en uitgevers, de hbo instellingen hebben er net zo goed mee te maken. Een groot aantal hogeschoolbibliotheken heeft, als onderdeel van de overeenkomst met de universiteiten, eveneens de wetenschappelijke content afgenomen van Springer, Elsevier en Wiley voor de onderzoekers in het hbo.

Het hbo legt weliswaar meer de nadruk op de groene route als het op Open Access aankomt maar er wordt wel degelijk gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften van Springer, Elsevier en Wiley. Of onderzoekers in het hbo gebruik kunnen maken van dezelfde mogelijkheden voor Open Access publiceren als hun collega’s bij de universiteiten is nog maar de vraag. Het nieuwsbericht en de toelichting hebben het alleen over onderzoekers van universiteiten maar het zou mijns inziens een gemiste kans zijn als onderzoekers uit het hbo ontmoedigd worden om Open Access te gaan publiceren omdat voor hun de APC’s niet afgekocht zijn.

Met dit nieuwe akkoord is het behalen van de Nederlandse Open Access doelstelling wederom een stuk(je) dichterbij gekomen. Maar of het ook echt het beoogde resultaat gaat opleveren voor *alle* onderzoekers, dat valt nog te bezien.

#

Over Green Open Access, NWO voorwaarden en trusted repositories

green open access NWO repositories

Open Access publiceren

Je zou bijna gaan denken dat staatssecretaris Sander Dekker met het idee van Open Access is gekomen. Onzin natuurlijk want de Open Access-beweging maakt zich al heel wat jaren sterk voor het vrij toegankelijk maken van (actuele) wetenschappelijke informatie. Onderzoeksinstellingen en universiteiten steunen de Berlin Declaration – dat oproept om onderzoeksresultaten in open access te publiceren – en datzelfde geldt ook voor het hbo.

Binnen het Open Access publiceren worden er twee routes onderscheiden: de gouden route (Gold Open Access) waarbij artikelen door de uitgever zelf in Open Access gepubliceerd worden. Dat kan in volledig OA Journals of in hybride tijdschriften die zowel artikelen bevatten die vrij toegankelijk zijn als artikelen die alleen voor abonnees toegankelijk zijn – de auteur, diens werk- of subsidiegever betaalt dan een Article Processing Charge (APC).

Maar ook de groene route (Green Open Access) waarbij artikelen na peer review maar vóór definitieve opmaak door of namens de auteur zelf gearchiveerd worden in een open repository (van de eigen instelling). Daar heeft een uitgever vaak een embargo-periode voor ingesteld. Dit heet self-archiving, is gratis en maakt vaak onderdeel uit van het beleid van het tijdschrift.

Dat er meer nodig is om onderzoekers hun publicaties (artikelen en boeken) vrij beschikbaar te laten maken dan alleen goede wil, is inmiddels echter ook wel duidelijk geworden. Wetenschappelijke uitgevers staan niet te trappelen om hun verdienmodellen te ontmantelen maar ook onderzoekers zelf zien weinig redenen om te stoppen met het “ouderwets” publiceren van hun artikelen in de vooraanstaande peer-reviewed tijdschriften. Alle goede intenties en principes ten spijt.

Doel voor ogen

Eind 2013 schreef staatssecretaris Dekker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een brief aan de Tweede Kamer waarin hij zijn Open Access beleid aankondigde. Hiermee wilde hij de druk vergroten om nu ook echt eens werk te gaan maken van Open Access. In 2018 moet 60% en in 2024 moet zelfs 100% van de wetenschappelijke publicaties, die met publiek geld gefinancierd zijn, Open Access beschikbaar zijn.

Zijn eigen voorkeur gaat uit naar de gouden route en dat is ook de insteek geworden van de onderhandelingen die met de wetenschappelijke uitgevers gevoerd worden door de universiteiten. Met succes want met de meeste wetenschappelijke uitgevers (Elsevier, SAGE, Springer en Wiley) zijn inmiddels afspraken gemaakt om Open Access te kunnen publiceren.

Maar dat is niet het enige zichtbare resultaat want de laatste paar jaren zijn de ontwikkelingen rondom Open Access snel gegaan. Er komen steeds meer kwalitatief goede tijdschriften waarin onderzoekers volgens Open Access-standaarden kunnen publiceren en waar de kwaliteitsbewaking eveneens middels peer review plaats vindt. Daarnaast staan heel veel niet-Open Access tijdschriften self-archiving toe van artikelen en inmiddels is het recht om als onderzoeker je artikelen Open Access te publiceren zelfs opgenomen in de Auteurswet. Green Open Access draagt ook flink bij aan het halen van de doelstelling van Dekker.

Open Access (niet omdat het kan maar) omdat het moet

Maar hoe zorg je er nou voor dat Open Access publiceren van onderzoeksresultaten (min of meer) gegarandeerd wordt? Door het als voorwaarde op te nemen in de financiering van onderzoek!

Tenminste, dat is wat de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) per 1 december 2015 gedaan heeft. NWO wijzigde haar subsidievoorwaarden zodat alle publicaties, die voortkomen uit een ‘call for proposals’, op het moment van publicatie direct openbaar toegankelijk moeten zijn. Oftewel, maak je gebruik van onderzoeksfinanciering van NWO, dan moet je je ook aan de Open Access voorwaarden houden van NWO.

In het hbo wordt er veel gebruik gemaakt van subsidies van het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA. SIA is onderdeel van NWO en hoewel het voor de hand ligt dat ook voor de SIA subsidieregelingen een Open Access voorwaarde gaat gelden, is dat op het moment van schrijven nog niet bevestigd. Dat geldt ook voor de subsidieregelingen van o.a. ZonMw (gezondheidsonderzoek).

Horizon 2020 is met het OpenAIRE initiatief inmiddels wel aangehaakt bij de Open Access doelstellingen en ook hier geldt een OA verplichting als je van hun subsidieregeling gebruik maakt.

NWO-voorwaarden

OK, je maakt dus gebruik van onderzoeksfinanciering van NWO maar wanneer voldoe je nou aan de voorwaarden voor Open Access publiceren? NWO zegt op haar site dat het dan om de volgende publicaties gaat:

  • Artikelen in Gold Open Access tijdschriften en boeken die op het moment van publicatie Open Access beschikbaar zijn;
  • Artikelen in abonnee-tijdschriften die meteen vrij beschikbaar gemaakt worden via betaling door de auteur of via een overeenkomst van de Nederlandse universiteiten met een uitgever;
  • Met het deponeren van een versie van de publicatie in een trusted repository, die op het moment van publicatie onmiddellijk voor iedereen toegankelijk is, wordt voldaan aan de NWO-voorwaarden.

T.a.v. de gouden route is de werkwijze relatief eenvoudig. De Gold OA tijdschriften en boeken zijn “bekend” en onderzoekers kunnen met een linkje naar het gepubliceerde artikel simpelweg aantonen dat aan de voorwaarde voldaan is. Dat geldt min of meer ook voor de artikelen in abonnee-tijdschriften want daar kan eveneens naar gelinkt worden door een auteur en als er een overeenkomst is tussen de universiteiten en de uitgever (zoals bij de vier hierboven genoemde wetenschappelijke uitgevers), dan voldoen alle publicaties in die tijdschriften automatisch aan de door NWO gestelde voorwaarden.

Voor de groene route geldt echter een extra voorwaarde. Het deponeren van (een versie van) de publicatie moet in een “trusted repository” gebeuren: een repository die zelf ook weer aan een aantal voorwaarden moet voldoen en die opgenomen moet zijn in de Directory of Open Access Repositories (DOAR). De repositories van de universiteiten lijken hier allemaal al in opgenomen te zijn maar die van de hbo instellingen zijn dat nog niet.

De hbo’s werken echter samen met het beschikbaar maken van de publicaties van hun eigen instellingen in de HBO Kennisbank. NWO ziet de HBO Kennisbank – gelukkig – ook als een trusted repository (A. Jolmers, persoonlijke mededeling, 8 december 2015) maar voegt er wel aan toe dat daarvoor idealiter de repositories van de instelingen ook zichtbaar moeten zijn in OpenDOAR.

Open Access in het hbo

Als er over Open Access gesproken wordt dan lijkt het automatisch (alleen) om wetenschappelijke onderzoekspublicaties te gaan bij universiteiten en onderzoeksinstellingen. Onderzoek en publicaties in het hbo worden veelal niet meegenomen in de dialoog over open access terwijl er vanzelfsprekend ook in het hbo veel werken gepubliceerd worden. De publicatierichtlijn van Windesheim legt bijvoorbeeld sterk de focus op open access van afstudeerwerken (van studenten), onderwijsmateriaal (studieboeken) en onderzoekspublicaties.

Zoals één van onze onderzoekers terecht opmerkte: er is maar één soort onderzoek en dat is goed onderzoek. De rare kunstmatige scheiding tussen wetenschappelijk onderzoek en praktijkgericht onderzoek heeft geen enkel nut. Kennis is kennis en dat is wat je vrij beschikbaar wilt/moet maken als het afkomstig is uit met (deels) publieke middelen gefinancierd onderzoek.

Dit jaar zullen de hbo-instellingen, samen met SURF, aan de slag (moeten) gaan om vast te stellen wat in het hbo onder open access verstaan wordt, welke doelen gezamenlijk nagestreefd worden en welke consequenties dit heeft voor de HBO Kennisbank (en instellingsrepositories).

Voor alle publicaties die afkomstig zijn uit door NWO (of Horizon 2020) gefinancierd onderzoek, betekent het o.a. nadenken over hoe je deze terugvindbaar kunt maken zodat er gemakkelijk naar verwezen kan worden en hoe deze publicaties zich – ook qua gebruiksrecht – onderscheiden van alle andere publicaties. En natuurlijk moeten er tientallen repositories aangemeld en opgenomen worden bij OpenDOAR. Voor de repository van Windesheim hebben we deze procedure inmiddels succesvol afgerond.

windesheim repository open access
Hoog tijd om nu eens echt werk te gaan maken van open access. Vooral in het hbo.

#

Open Access publiceren (op Windesheim) : over self-archiving en het auteurscontractenrecht

Hoewel veel lectoren en onderzoekers bekend zijn met het verschijnsel Open Access publiceren, blijken ze in de praktijk een stuk minder bekend te zijn met hoe ze dat daadwerkelijk kunnen doen. Dat zorgt ervoor dat maar weinig onderzoekers rekening houden met de mogelijkheid om hun artikelen – behalve in het wetenschappelijke of vaktijdschrift waarin ze willen publiceren – ook in de instellingsrepository te publiceren. En dat is wel lastig als je instelling een publicatiebeleid heeft waarin je aangeeft om waar mogelijk publicaties van studenten, medewerkers en onderzoekers (Open Access) beschikbaar te maken.

Tijd voor voorlichting dus

Reden genoeg om als Mediacentrum (en Auteursrechten Informatie Punt) te beginnen met voorlichting over waarom Open Access een speerpunt is – ook binnen Windesheim – en waarom we het belangrijk vinden om zoveel mogelijk publicaties op te nemen in onze repository.

Gisteren, 16 november, organiseerden we de eerste lunch(voorlichtings)bijeenkomst om aan een groep onderzoekers uit te leggen hoe ze – door simpelweg te informeren bij de uitgever over de mogelijkheden een auteursversie van hun artikel op te mogen nemen in de instellingsrepository (self-archiving) – ook kunnen bijdragen.

Recht op Open Access

Daarnaast legde ik ook uit wat de recent aan de Auteurswet toegevoegde “Open Access-bepaling” praktisch voor hun kan betekenen om met hun uitgever de dialoog aan te gaan over het Open Access publiceren van hun artikelen, ook als de uitgever daar zelf al niet in voorziet.

Artikel 25fa
De maker van een kort werk van wetenschap waarvoor het onderzoek geheel of gedeeltelijk met Nederlandse publieke middelen is bekostigd, heeft het recht om dat werk na verloop van een redelijke termijn na de eerste openbaarmaking ervan, om niet beschikbaar te stellen voor het publiek, mits de bron van de eerste openbaarmaking daarbij op duidelijke wijze wordt vermeld.
(Wetten.nl)

Het is belangrijk om te beseffen dat deze ‘Open Access-bepaling’ geen nieuwe uitzondering op het auteursrecht is maar een wezenlijk (nieuw) onderdeel van de persoonlijkheidsrechten van een auteur. Dit recht op open access publiceren kan *niet* door een auteur overgedragen worden aan een uitgever. De nieuwe bepaling is met terugwerkende kracht in werking getreden en het is dus mogelijk om al eerder gepubliceerde artikelen alsnog in Open Access te publiceren.

In beginsel mogen alle wetenschappelijke artikelen – van auteurs in onderzoeksinstellingen, universiteiten en hogescholen – dat geheel of gedeeltelijk gefinancierd is met (Nederlandse) publieke middelen na verloop van tijd (ook) Open Access gepubliceerd. Mits daar de bron vermeld wordt van de oorspronkelijke publicatie en er een redelijke termijn met de uitgever afgesproken is.

Maar wat is een redelijke termijn? En hoe verhoudt dit (Nederlandse) recht zich tot de overeenkomsten en afspraken die medewerkers, onderzoekers en lectoren al hebben rondom hun publicaties? Met buitenlandse uitgevers? En hoe ga je als auteur/onderzoeker in dialoog met je uitgever hierover?

De komende maanden (jaren waarschijnlijk) willen we alle publicerende medewerkers voorlichten, bewust maken van deze kwestie en oproepen actie te ondernemen naar hun uitgever(s) om het Open Access publiceren ook mogelijk te maken. Ongeacht of je in een wetenschappelijk tijdschrift publiceert, in een vaktijdschrift, congresbundel enz. Dat kan betekenen dat je het alleen maar hoeft te vragen maar kan ook betekenen dat je nog eens goed naar je overeenkomst met die uitgever moet kijken, moet controleren wat het self-archiving beleid is of wellicht in een discussie terecht komt met je uitgever omdat die weigert mee te werken.

Daar willen we (Mediacentrum en het Auteursrechten Informatie Punt) iedereen zoveel mogelijk bij ondersteunen door bijv. het uitzoekwerk voor onze rekening te nemen, eveneens met uitgevers te gaan praten en natuurlijk door ervoor te zorgen dat de publicaties ook daadwerkelijk in de Windesheimrepository terecht gaan komen.

Tijd om nu echt eens werk te gaan maken van Open Access.

#

SHERPA RoMEO in het Nederlands: opzoeken van het Open Access en auteursrechtenbeleid van uitgevers

sherpa romeo
Er zijn diverse ontwikkelingen gaande rondom Open Access publiceren in het Nederlandse hoger onderwijs. Staatssecretaris Dekker kondigde ruim een jaar geleden zijn Open Access beleid aan waarbij hij het uitgangspunt benadrukte dat de resultaten van publiek en publiek/privaat gefinancierd onderzoek altijd vrij beschikbaar moeten zijn. Hij streeft er naar dat in 2019 60 procent van de Nederlandse wetenschappelijke publicaties Open Access toegankelijk is en in 2024 zelfs 100 procent op deze wijze gepubliceerd wordt.

Dit beleid wordt gesteund door de universiteiten – waar veel van deze onderzoeksoutput vandaan komt – en dat is de reden dat er in de onderhandelingen met wetenschappelijke uitgevers sterk ingezet wordt op het mogelijk maken van Open Access. Onder betere (financiële) voorwaarden dan dit in het verleden gebeurde.

Open Access en auteursrecht

Open Access en auteursrecht zijn twee kanten van dezelfde medaille. Het verschil tussen de traditionele wijze van publiceren en onder Open Access publiceren heeft namelijk te maken met de mate waarin auteurs hun auteursrecht kunnen behouden. Moeten ze al hun auteursrechten overdragen aan een uitgever om in een wetenschappelijk tijdschrift gepubliceerd te kunnen worden? Dan is de uitgever de feitelijke eigenaar van zo’n artikel en kan een auteur zelf niet meer bepalen of het op zijn eigen website of in de repository van zijn instelling vrij toegankelijk gemaakt mag worden.

Steeds vaker vraagt de uitgever echter alleen om de rechten op de specifieke versie zoals die in het tijdschrift verschenen is, na de redactionele aanpassingen en het peer review-proces. De auteur behoudt dan volledige zeggenschap over de versie zoals die in eerste instantie is aangeleverd is aan het tijdschrift of juist de versie na de peer review maar voor de vormgeving van het tijdschrift. Ook komt het voor dat er een embargoperiode wordt afgesproken zodat de auteur bijv. na 6 maanden wel de definitieve gepubliceerde versie mag gebruiken op zijn eigen website of die van zijn instelling. Dat soort afspraken verschilt van uitgever tot uitgever en vaak ook nog van tijdschrift tot tijdschrift, zelfs als die bij dezelfde uitgever zitten.

In Nederland komt daar nog een aanvullende ontwikkeling bij want in het wetsvoorstel auteurscontractenrecht is een artikel 25fa opgenomen dat Nederlandse auteurs een recht geeft om hun (korte – tot 8.000 woorden waarschijnlijk) artikelen na verloop van een redelijke termijn na de eerste openbaarmaking ervan, om niet beschikbaar te stellen voor het publiek, mits de bron van de eerste openbaarmaking daarbij op duidelijke wijze wordt vermeld. Dit artikel is bedoeld om het Open Access publiceren ook wettelijk te faciliteren maar betekent vooral dat auteurs van onderzoekspublicaties goed op de hoogte moeten zijn van hun rechten. En wat ze met een uitgever nog kunnen/mogen afspreken.

Dat zoeken we op …. in SHERPA/RoMEO

Afspraken over het auteursrecht op de artikelen en de mogelijkheden om deze artikelen, in welke vorm dan ook, zelf weer gratis beschikbaar te maken, worden vastgelegd in de publicatie-overeenkomst tussen een uitgever (het tijdschrift) en de auteur. De allerbeste bron om na te gaan wat de mogelijkheden zijn met jouw gepubliceerde artikelen is daarom ook je eigen overeenkomst. Maar voor bijna alle tijdschriften en uitgevers zijn er min of meer algemeen geldende afspraken die gelijk zijn voor alle auteurs. Die zijn veelal vastgelegd in standaardovereenkomsten, richtlijnen voor auteurs en open access beleidsregels die op de site van een tijdschrift te vinden zijn.

Al die afspraken, die mogelijkheden en het beleid dat een uitgever voor een bepaald tijdschrift hanteert op dit gebied, worden voor zoveel mogelijk tijdschriften verzameld en doorzoekbaar gemaakt op SHERPA/RoMEO. RoMEO staat voor Rights MEtadata for Open Archiving en je kunt hiermee op een uniforme en overzichtelijke wijze nakijken welke Open Access mogelijkheden je hebt bij een specifiek tijdschrift.

sherpa romeo
Ongeacht de formuleringen in het beleid van de uitgever – naar die documenten wordt ook verwezen  – wordt er een samenvatting gemaakt waarin je meteen kunt zien wat je met de pre-print van een artikel mag doen (de auteursversie van het artikel zoals dat in eerste instantie aangeleverd wordt), met de post-print (de versie na de peer review maar nog voordat het opgemaakt wordt in de stijl van het tijdschrift) en de uitgeversversie (zoals die definitief gepubliceerd is in het tijdschrift). De specifieke voorwaarden die hierbij gelden worden ook kernachtig weergegeven. Zo weet je vooraf precies wat je wel en niet mag met je eigen artikel.

Nu ook in het Nederlands

SHERPA/RoMEO streeft er naar om zo volledig mogelijk te zijn en bevat inmiddels gegevens van ca. 22.000 wetenschappelijke tijdschriften, waaronder ook diverse Nederlandstalige. De site en de informatie hierop waren echter niet in vertaald naar het Nederlands en met de vele juridische termen en formuleringen in het beleid van de uitgevers bleek dat voor Nederlandse auteurs soms een barrière te zijn.

Dit was reden voor een drietal hogescholen (Saxion, HAN en de HU) om vanuit het Netwerk Auteursrechten Informatiepunten-hbo te werken aan een Nederlandstalige versie van SHERPA/RoMEO in samenwerking met de University of Nottingham die de site beheert. Sinds vandaag, 22 april, is de Nederlandstalige editie beschikbaar en zijn zowel de interface als veel van de gegevens vertaald. Dat levert zo af en toe nog wel een hybride weergave op omdat nog niet alle voorwaarden en beleidsformuleringen in het Nederlands vertaald zijn maar het is absoluut een mooie stap in het (beter) voorlichten van onderzoekers over de mogelijkheden van Open Access publiceren.

#

Auteurscontractenrecht: Open Access in de Auteurswet vastgelegd

auteurscontractenrecht
Eens in de zoveel tijd worden wetten aangepast aan de nieuwe mogelijkheden en vereisten die er aan wetgeving gesteld worden. Er zijn mensen die denken dat de Auteurswet – uit 1912 – in meer dan een eeuw niet aangepast is maar dat wordt vooral als (dom) argument gebruikt in discussies over nut en noodzaak van auteursrechtwetgeving. De Auteurswet wordt zeer regelmatig (licht) aangepast maar na vorige week lijkt er zelfs een hele uitgebreide toevoeging bij te komen want de Tweede Kamer stemde in met het wetsvoorstel auteurscontractenrecht.

Auteurscontractenrecht

Het wetsvoorstel van staatssecretaris Teeven lag er al sinds juni 2012. Essentie van het voorstel is het versterken van de contractuele positie van auteurs en kunstenaars ten opzichte van degenen die hun werken exploiteren. Zoals filmmakers en de kabelmaatschappijen maar natuurlijk ook auteurs en hun uitgevers. Het gratis overdragen van hun auteurs- en exploitatierechten middels overeenkomsten wordt onmogelijk gemaakt aangezien de nieuwe wetsartikelen (PDF) het recht introduceren (art. 25c lid 1 Aw) op een billijke vergoeding voor het verlenen van de exploitatierechten (verplicht via een akte). Daarnaast ontstaat er een recht op een aanvullende vergoeding als de oorspronkelijk overeengekomen vergoeding in geen enkele verhouding meer staat tot de opbrengst voor de exploitant. De zogeheten bestsellerbepaling van artikel 25d Aw.

Heb je als maker wel je rechten verkocht/overgedragen maar doet een uitgever of andere exploitant niks met dat werk? Dan heb je nu als maker het recht op ontbinding van die overeenkomst zodat je je exploitatierechten weer terug kunt krijgen. De zogeheten non-usus-bepaling of use-it-or-lose-it-bepaling van artikel 25e lid 1 Aw.

Verder kunnen onredelijke bepalingen in exploitatie-overeenkomsten worden vernietigd (knevel- of wurgcontracten), bijvoorbeeld als een auteur verplicht wordt het auteursrecht op al zijn toekomstige werken aan dezelfde uitgever over te dragen. Dat wordt geregeld in lid 1 en 2 van artikel 25f Aw, mits het gaat om (volledige) overdracht van rechten en exclusieve licenties (art. 25b lid 2 Aw). Tot slot is er een nieuwe regeling voor het filmauteurscontractenrecht (art. 45d Aw) waarbij alle makers een billijke vergoeding krijgen van de producent en is er de mogelijkheid van een laagdrempelige geschillencommissie vastgelegd om te voorkomen dat geschillen voor de rechter belanden.

Hoezo Open Access?

In het wetsvoorstel zelf is geen sprake van Open Access. Maar in januari 2014 voegde kamerlid Taverne van de VVD een amendement toe aan het wetsvoorstel dat voorziet in nog een nieuw artikel: artikel 25fa. Ik ging vorig jaar al uitgebreid in op dit amendement aangezien ik het een bijzonder goed idee vond om het recht op Open Access te regelen in de Auteurswet in plaats van in de Wet op het Hoger Onderwijs, zoals staatssecretaris Dekker in eerste instantie beoogde. Ook dit (licht gewijzigde) amendement van Taverne werd vorige week aangenomen, zoals je bovenaan kunt zien.

Artikel 25fa
De maker van een kort werk van wetenschap waarvoor het onderzoek geheel of gedeeltelijk met Nederlandse publieke middelen is bekostigd, heeft het recht om dat werk na verloop van een redelijke termijn na de eerste openbaarmaking ervan, om niet beschikbaar te stellen voor het publiek, mits de bron van de eerste openbaarmaking daarbij op duidelijke wijze wordt vermeld.

Deze bepaling is deels geïnspireerd op artikel 38 lid 4 van de Duitse auteurswet zoals die per 1 januari 2014 is gaan gelden maar ook op auteursrechtwetgeving die inmiddels in o.a. Amerika van kracht is geworden.

Taverne beschrijft in de Toelichting wat het doel van artikel 25fa is:

Deze bepaling is erop gericht invulling te geven aan de groeiende behoefte om wetenschappelijk werk in de vorm van open access beschikbaar te stellen. De aanduiding “kort werk” houdt in dat het gaat om artikelen en niet om boeken. De term is ontleend aan artikel 16 lid 2 Auteurswet. Korte bijdragen aan (congres)bundels kunnen er ook onder vallen. Door deze bepaling behoudt de auteur het recht om zijn wetenschappelijk werk dat met publieke  middelen is gefinancierd gratis via internet in open access beschikbaar te stellen.

Werk van personen in dienst van een universiteit of ander door de overheid gefinancierde onderzoeksinstelling wordt geacht geheel of gedeeltelijk met publieke middelen te zijn bekostigd.  De term “voor het publiek beschikbaar stellen” verwijst naar de openbaarmakingsvorm waarbij materiaal per draad of draadloos voor leden van het publiek beschikbaar wordt gesteld op zodanige wijze dat zij daartoe op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang toe hebben. Dit is de internationaal gebruikelijke omschrijving van beschikbaarstelling via internet. Voorwaarden zijn dat de beschikbaarstelling geschiedt om niet, hetgeen een wezenskenmerk is van open access, en dat de bron van de eerste openbaarmaking, bijvoorbeeld het wetenschappelijke tijdschrift waarin het werk voor het eerst is gepubliceerd, wordt vermeld.

Deze bepaling is echter wel een stuk flexibeler dan vergelijkbare bepalingen in de wetgeving van Duitsland en Amerika. Zo wordt de termijn, waarop een artikel Open Access gepubliceerd mag worden, niet gefixeerd maar is dat onderwerp van te maken afspraken zodat ook de (financiële) belangen van een wetenschappelijke uitgever bewaakt worden die immers wel moet investeren in het publiceren en het organiseren van peer review. En dan maakt het wel verschil met welke frequentie een tijdschrift artikelen publiceert en in welk vakgebied er gepubliceerd wordt.

Om tegemoet te komen aan de belangen van de uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften die hun investeringen moeten kunnen terugverdienen, dient een redelijke termijn in acht te worden genomen alvorens de beschikbaarstelling in open access plaatsvindt. De reden waarom een redelijke termijn in acht genomen moet worden is het gerechtvaardigde belang van de uitgevers die tijdschriften uitgeven en peer-review organiseren. De investeringen die daarvoor nodig zijn dienen in sommige gevallen door betaling van abonnements- of toegangsgelden te worden  terugverdiend, alvorens na ommekomst van een redelijke termijn het werk gratis voor een ieder beschikbaar komt. De duur van deze redelijke termijn zal per publicatievorm verschillen. De redelijke termijn kan ook nul zijn, indien het redelijk en niet bezwaarlijk is als een werk, eventueel in een van de formele publicatie afwijkende opmaak, onmiddellijk gratis online verschijnt. Het staat partijen vrij om hier nadere afspraken over te maken, maar de rechter zal uiteindelijk moeten beoordelen of een termijn redelijk is, in het licht van alle omstandigheden van het geval.

Het is belangrijk om te beseffen dat deze ‘Open Access-bepaling’ geen nieuwe uitzondering op het auteursrecht is maar een wezenlijk (nieuw) onderdeel van de persoonlijkheidsrechten van een auteur die niet over te dragen zijn aan een uitgever.

Dat betekent dat alle wetenschappelijke artikelen – van auteurs in onderzoeksinstellingen, universiteiten en hogescholen – dat geheel of gedeeltelijk gefinancierd is met (Nederlandse) publieke middelen na verloop van tijd (ook) Open Access gepubliceerd mogen worden. Mits daar de bron vermeld wordt van de oorspronkelijke publicatie en er een redelijke termijn met de uitgever afgesproken is.

In de Toelichting wordt vermeld dat er bij – de voor de hand liggende – geschillen over die redelijke termijn een rechter aan te pas kan komen maar ik hoop dat eveneens een plek kan krijgen in de geschillencommissie. Ook al betwijfel ik of een grote buitenlandse uitgever onder de indruk zal zijn van een dergelijke commissie.

Van dat recht *kan* een auteur niet eens afstand doen waarmee de noodzaak om het (opnieuw) Open Access publiceren van wetenschapsartikelen in bijv. een eigen instellingsrepository (de ‘groene route’) te regelen in een aparte overeenkomst met de uitgever kan komen te vervallen. Een wetenschappelijke auteur behoudt altijd zijn of haar recht om wetenschappelijke artikelen Open Access te publiceren.

Iets dat bijzonder goed past in het Open Access beleid dat op dit moment door staatssecretaris Dekker en de Nederlandse universiteitein bedreven wordt. En wat zeker ook voor hogescholen interessant is die een volgende stap aan het zetten zijn in hun eigen Open Access beleid.

De bepaling behelst geen beperking op het auteursrecht, maar slechts een beperking van de overdraagbaarheid van een deel van het auteursrecht. Zij legt slechts vast dat de auteur van een kort wetenschappelijk werk niet contractueel gedwongen kan worden afstand te doen van het recht om zijn werk, als hij dat wenst, na verloop van tijd gratis op internet te plaatsen. De auteur van het werk is overigens niet verplicht om zijn werk om niet op internet te plaatsen. Het ligt wel in de rede dat de overheid of een van overheidswege gefinancierde subsidiënt van een specifiek wetenschappelijk onderzoek in bepaalde gevallen zal overeenkomen of als voorwaarde voor financiering zal stellen dat door haar gefinancierd onderzoek direct of na verloop van een redelijke termijn gratis op internet beschikbaar wordt gesteld.

Met de instemming door de Tweede Kamer is dit wetsvoorstel (incl. amendement) weliswaar aangenomen maar is de vernieuwde wetgeving nog niet van kracht. Daarvoor zal het wetsvoorstel eerst ook nog door de Eerste Kamer moeten worden aangenomen. Naar verwachting zal dit echter al binnen enkele maanden gebeuren waarna de wijzigingen per 1 juli 2015 in werking treden.

#

Pagina 1 of 6123...Laatste »
  • © 2006- 2016 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top