Open Access publiceren, de Big Deals en de sigaar uit eigen doos

open accessMijn uitgangspunt is dat resultaten van publiek en publiek/privaat gefinancierd onderzoek altijd vrij beschikbaar moeten zijn. Omdat het om publiek geld gaat, en er voor de uitrol van Open Access technisch in principe geen belemmeringen zijn, acht ik het van belang dat dit binnen afzienbare tijd gebeurt’, aldus staatssecretaris Dekker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).

Dit schreef hij op 15 november 2013 in een brief aan de Tweede Kamer en hij voegde er aan toe dat hij in 2016 een wettelijke verplichting tot open access publiceren zou introduceren in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, mocht dit nodig zijn om dit doel ook te behalen.

Aangezien het niet heel realistisch is om te verwachten dat de onderwijs- en onderzoeksinstellingen – en vooral de wetenschappelijke uitgevers – in slechts 2 jaar een kentering weten te bewerkstelligen in de wijze hoe onderzoeksartikelen gepubliceerd worden, ging ik eerder dit jaar vooral in op hoe zo’n wettelijke borging mijns inziens beter geregeld kan worden in de Auteurswet. Ik denk dat dit nog steeds wenselijk, en zelfs nodig, is maar met alleen het verplichten en wettelijk faciliteren van Open Access publiceren ben je er natuurlijk nog steeds niet.

Open Access publiceren

Open Access wordt vooral geassocieerd met ‘gratis’ en ‘vrij toegankelijk’ en voor iemand die kennis wil nemen van een onderwijs- of onderzoekspublicatie klopt dat ook. Lezers hebben gratis toegang tot artikelen die Open Access gepubliceerd zijn. Auteurs hebben daar voordeel van omdat ze ook gemakkelijker gevonden – en gelezen – worden door die lezers want die hoeven niet meer honderden, of zelfs duizenden, euro’s te betalen voor een duur abonnement op een wetenschappelijk tijdschrift. Maar onderzoekers profiteren ook omdat zij dan zelf vrij toegang hebben tot de onderzoekspublicaties en -resultaten van andere onderzoekers waar op voortgebouwd kan worden zonder de noodzaak eerder onderzoek te herhalen.

Maar publiceren in wetenschappelijke tijdschriften is vanzelfsprekend niet gratis. Open Access publiceren betekent dat de kosten niet meer verhaald (kunnen) worden op de lezers of abonnees en dat die kosten daardoor bij de auteurs komen te liggen. Onderzoekers moeten dus betalen om een artikel te publiceren in een Open Access tijdschrift, of in een regulier wetenschappelijk tijdschrift onder Open Access voorwaarden waarbij andere artikelen in datzelfde tijdschrift niet per se OA zijn (hybride). Dit wordt de gouden publicatieroute (Golden Road) naar Open Access publiceren genoemd.

Wie gaat dat betalen?

Deze gouden publicatieroute geniet de voorkeur van staatssecretaris Dekker maar is om voor de hand liggende redenen lastig in de praktijk te brengen. Wetenschappelijke uitgevers – die de afgelopen 20 jaar gigantische winsten hebben gemaakt – staan niet te trappelen om hun verdienmodellen op te geven. Open Access tijdschriften uitgeven waarbij de auteurs moeten betalen om artikelen te kunnen publiceren gaat leiden tot meer concurrentie en marktwerking. De vanzelfsprekendheid om in de tijdschriften van naam te publiceren wordt dan vervangen door een kostenbewustwording van onderzoekers die niet voornemens zijn tienduizenden euro’s te betalen om een artikel te laten publiceren als er andere tijdschriften zijn waar dit voor de fractie van die prijs kan. OA tijdschriften worden veel meer een doorgeefluik in plaats van de huidige prestigieuze bronnen waar uitgevers nu miljoenen aan verdienen.

Ook de universiteiten en onderzoeksinstellingen zitten met een financieel probleem. De gouden publicatieroute betekent dat deze instellingen, en daarmee de onderzoekers, de kosten van het publiceren over (moeten) nemen en dat gaat ongetwijfeld tientallen miljoenen euro’s kosten. Alleen al voor de Nederlandse onderzoeksoutput.

What’s in it for me?

En het is maar de vraag wat die gouden publicatieroute gaat opleveren. De staatssecretaris gebruikt voor zijn definitie van (golden road) Open Access ook de termen ‘gratis’ en ‘vrij toegankelijk’ terwijl de andere helft van de gangbare definitie ontbreekt. Het is minstens zo belangrijk om bij OA over de auteursrechten, en vooral de gebruiksrechten, te praten. In zijn brief (PDF, pagina 4) gaat de staatssecretaris er van uit dat bij een gouden publicatieroute de auteur zijn auteursrechten behoudt – en dat bij hergebruik dus telkens toestemming gevraagd moet worden aan de auteur – terwijl de gangbare praktijk anders is. Bij OA tijdschriften worden artikelen in veel gevallen gepubliceerd onder een Creative Commons Naamsvermelding licentie (CC-BY) en geeft de auteur dus een aantal gebruiksrechten weg zodat de lezer de (inhoud van de) artikelen ook vrijelijk mag bewerken en hergebruiken mits er verwezen wordt naar de auteur. Dat past zeer goed bij Open Access natuurlijk maar er blijft weinig over van het idee – en geïmpliceerde toezegging van de staatssecretaris – dat de gouden publicatieroute meer zeggenschap oplevert voor de auteurs van de publicaties.

Betalen voor de sigaar uit eigen doos

Waarom ineens die druk van de staatssecretaris om (golden road) Open Access te gaan publiceren? Dat komt omdat de huidige situatie van het publiceren van onderzoekspublicaties nu al vreemde en ongewenste aspecten heeft. Het overgrote deel van al het wetenschappelijke onderzoeksoutput verschijnt in dure wetenschappelijke tijdschriften die vervolgens commercieel geëxploiteerd worden door de wetenschappelijke uitgevers. Dat betekent dat het toegang krijgen tot deze wetenschappelijke publicaties een enorm dure aangelegenheid is (geworden) voor zowel het publiek als de onderwijs- en onderzoeksinstellingen. Universiteiten betalen jaarlijks vele miljoenen euro’s om hun medewerkers en onderzoekers toegang te geven tot (een deel van) deze artikelen, terwijl het voor particulieren of kleine instellingen simpelweg onbetaalbaar is geworden.

En dat is een bizarre situatie om meerdere redenen. Het gaat in veel gevallen inderdaad om onderzoeksresultaten uit onderzoek dat met (deels) publieke middelen gefinancierd is. Maar voor universiteiten en onderzoeksinstellingen gaat het nog verder: zij leveren bijna zonder uitzondering de auteurs die de artikelen schrijven voor die dure wetenschappelijke tijdschriften. Zij leveren ook de deskundigen en experts die bij de wetenschappelijke uitgevers de kwaliteitsbewaking – het zogeheten peer review proces – verzorgen en die juist de meerwaarde geven aan dat tijdschrift die in de immer stijgende kosten wordt doorberekend aan de abonnees. En desondanks betalen universiteiten en onderzoeksinstellingen miljoenen euro’s – een substantieel deel van hun onderzoeksbudgetten – om de artikelen die door hun eigen werknemers geschreven zijn – en peer reviewed zijn door hun eigen werknemers – toegankelijk te maken voor, jawel, hun eigen werknemers.

Big Deals

De kosten voor toegang tot (wetenschappelijke) artikelen zijn de afgelopen tien jaren, ondanks een economische crisis, onverminderd blijven stijgen. Het beperkt zich niet tot wetenschappelijke uitgevers – het is eveneens van toepassing op bijna alle digitale content van uitgevers die door onderwijs- en onderzoeksinstellingen afgenomen wordt – maar nergens wordt het beter geïllustreerd dan bij de zogenaamde Big Deals. Dit zijn overeenkomsten die door de grote wetenschappelijke uitgevers met universiteiten (per regio) over de hele wereld afgesloten worden en waar elke drie jaar zware onderhandelingen aan vooraf gaan.

Ze heten Big Deals omdat het om overeenkomsten gaat die met de meerderheid van de universiteiten en onderzoeksinstellingen afgesloten worden en omdat het – vanzelfsprekend – om honderden miljoenen euro’s wereldwijd gaat. Big deals zijn big business als je Springer, Wiley Blackwell of Elsevier bent.

Ook al zijn hun betalende klanten dezelfde instellingen die verantwoordelijk zijn voor de inhoud *en* kwaliteitsbewaking van hun tijdschriften, ook al hebben de bibliotheken van de instellingen al jaren te kampen met bezuinigingen, ook al klinkt de roep om Open Access steeds luider, het leidt niet tot een betaalbaar en voor de afnemers beter werkend verdienmodel. Integendeel want telkens weer stijgen de prijzen sterker dan de inflatie en inmiddels zijn er al vele universiteiten – waaronder ook bekende – die zich niet meer (kunnen) laten gijzelen door het prijsbeleid van een uitgever en minder of geen toegang meer bieden tot bepaalde wetenschappelijke tijdschriften.

Dat kan O(ok) A(nders)

Dat kan niet alleen anders, dat moet ook gewoon anders. In de onderhandelingen met uitgevers moeten de onderwijs- en onderzoeksinstellingen hun onderhandelingspositie veel beter gaan benutten. Ze hebben weliswaar de uitgevers nodig maar dat geldt andersom net zo. En net als Harvard moeten de instellingen ook nee durven te zeggen tegen een uitgever. Je kunt nu eenmaal niet onderhandelen als je vooraf al besloten hebt dat je akkoord wilt/moet gaan met de prijs en voorwaarden omdat je achterban heeft aangegeven niet zonder die content te willen.

De afhankelijkheid die instellingen hebben ten opzichte van de uitgevers, daar kan ook wat aan gedaan worden door inderdaad de eigen onderzoekspublicaties en -artikelen Open Access beschikbaar te maken. Dat hoeft niet per se de gouden publicatieroute te zijn want er kan ingezet worden op de groene publicatieroute (Green Road). Hierbij wordt een artikel nog steeds gepubliceerd in een traditioneel, niet OA-tijdschrift waarna het artikel (na publicatie dus) óók gepubliceerd wordt in een OA-institutionele repository. Een OA-institutionele repository is een archief van digitale publicaties die geschreven zijn door medewerkers van die instelling, wordt beheerd door de instelling zelf en is vrij toegankelijk voor iedereen.

Dit vereist wel dat de auteurs/medewerkers zelf vooraf goed nadenken over hun auteursrechten en in welk tijdschrift ze willen en kunnen publiceren. Ze zullen een afweging moeten maken tussen hun eigen belangen en het (opgelegde) belang om het artikel ook in de eigen instellingsrepository op te laten nemen. Vervolgens moeten er dan afspraken gemaakt worden tussen de auteur en het tijdschrift om opname van het artikel in de eigen repository mogelijk te maken. Een relatief bewerkelijk proces dat ook weinig zal doen om uitgevers tot een ander verdienmodel te bewegen, wat de reden zal zijn dat de staatssecretaris in zijn brief weinig ziet in de groene publicatieroute naar Open Access publiceren. Voor de gezamenlijke onderzoeksinstellingen is het mijns inziens, zeker als de Auteurswet het wettelijk mogelijk maakt een eigen publicatie Open Access te publiceren, echter de beste manier om aan de Open Access doelstelling te voldoen en tevens minder afhankelijk te worden van de grote uitgevers.

Maar ook het hoger beroepsonderwijs vindt Open Access belangrijk

Het zijn niet alleen de universiteiten die het nut en noodzaak van Open Access inzien en nu aan de slag gaan met richtlijnen en beleid om hun artikelen, onderzoeksoutput en onderwijsmateriaal toegankelijk te maken. Ook bij de hogescholen groeit de bewustwording om de eigen kennisproducten inzichtelijk te maken conform het Open Access beginsel, al heeft dat niet zo zeer met de dure toegang tot content te maken maar meer met het (aantoonbaar) verbeteren van de onderwijskwaliteit.

Hogescholen moeten de komende jaren gaan aantonen op welke wijze ze de onderwijskwaliteit en het studiesucces verbeteren, het onderwijs en onderzoek profileren en de aansluiting met het bedrijfsleven en de regio versterken. Binnen de Vereniging Hogescholen hebben de hogescholen daarom gezamenlijk een kwaliteitsagenda opgesteld voor de komende jaren onder het motto ‘Kwaliteit als opdracht’ (PDF) om beter bij te kunnen dragen aan het versterken van de kenniseconomie in Nederland en in de (eigen) regio. In het rapport ‘Naar een duurzaam onderzoeksklimaat. Ambities en succesfactoren voor het onderzoek aan hogescholen’ (PDF, 2010) stelt de Vereniging Hogescholen daarnaast dat het gezamenlijk zichtbaar maken van de kennisproducten en onderzoeksresultaten ook essentieel is.

Het beschikbaar stellen van deze kennis aan particulieren, bedrijven, instellingen en overheden zien hogescholen als een belangrijk onderdeel en invulling van die kwaliteitsdoelstelling. Waar mogelijk willen ook hogescholen de kennisproducten en onderzoeksresultaten kosteloos voor iedereen toegankelijk maken, voortkomend uit de ondertekening van de Berlin Declaration on Open Access to Knowledge in the Sciences and Humanities (kortweg de Berlin Declaration on Open Access). De nadruk op het zoveel mogelijk Open Access publiceren is hier aan te relateren.

En er worden al veel kennisproducten geproduceerd binnen hogescholen. Onderzoekers en medewerkers die verbonden zijn aan kenniskringen en lectoraten publiceren al vele jaren in wetenschappelijke en vaktijdschriften. Docenten produceren onderwijsmateriaal en publiceren frequent dit materiaal bij educatieve uitgevers terwijl studenten sinds enkele jaren afstudeerwerken (kunnen) publiceren in de HBO Kennisbank. Bij hogescholen wordt het publiceren steeds beter gefaciliteerd en er worden de mogelijkheden verkend om Open Access publiceren gezamenlijk op te gaan pakken.

OA bewust

Uiteindelijk zou het bij alle hoger onderwijsinstellingen en de onderzoeksinstellingen meer moeten gaan om dat bewustwordingsproces. Niet om nou zo nodig in een OA-tijdschrift te publiceren en niet omdat het de instelling of de maatschappij veel geld kan besparen. De gedachte achter Open Access is dat publicaties en andere werken die met publieke middelen gefinancierd zijn, vrij toegankelijk zouden moeten zijn voor iedereen en dat iedereen die werken vervolgens kan hergebruiken voor eigen doeleinden. Dat belang kan haaks staan op de belangen van een individuele onderzoeker, medewerker, docent of student maar het is belangrijk dat de afweging op zijn minst gedaan wordt.

Dat de belangen van uitgevers, die alleen maar het publiceren zelf voor hun rekening zouden moeten nemen, zo bepalend zijn geweest de laatste decennia toont alleen maar aan hoe essentieel het is om de discussie rondom Open Access te blijven voeren.

Open Access is gewoon ook een Big Deal.

Verder lezen/kijken: Collegevoorzitter Gerard Meijer van de Radboud Universiteit Nijmegen sprak enkele weken geleden over de noodzaak van Open Access en wat de rol is van zowel de eigen onderzoekers als die van de wetenschappelijke uitgevers (15 minuten, getipt door Maarten Hekman) / De SURF themapagina over Open Access (SURF) / Openaccess.nl met informatie over de voordelen van Open Access publiceren (SURF)

#

Open Access bij (Auteurs)wet geregeld

open accessStaatssecretaris Dekker kondigde in november 2013 al zijn voornemen aan het een en ander te willen wijzigen in de wetenschappelijke publicatiecultuur door – middels Open Access - een betere toegankelijkheid van wetenschappelijke publicaties en onderzoeksgegevens te bewerkstelligen.

Mijn uitgangspunt is dat resultaten van publiek en publiek/privaat gefinancierd onderzoek altijd vrij beschikbaar moeten zijn. Omdat het om publiek geld gaat, en er voor de uitrol van Open Access technisch in principe geen belemmeringen zijn, acht ik het van belang dat dit binnen afzienbare tijd gebeurt.

Daar heeft de staatssecretaris ook ideeën bij – die overigens makkelijker gezegd dan gedaan zijn – en hij is van plan om in 2016 een verplichting voor Open Access publiceren van onderzoeksresultaten van met (deels) publieke middelen gefinancierd onderzoek, op te nemen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Als het nodig is, voegde hij er aan toe maar gezien alle praktische hindernissen kan ik me bijna niet voorstellen dat het niet nodig zal zijn.

Of alle media-aandacht de laatste tijd over de kwaliteit (en de kwantiteit) van wetenschappelijke output een rol gespeeld heeft durf ik niet te zeggen maar steeds vaker krijg ik het idee dat Open Access ook gezien wordt als een goede manier om tot meer transparantie te komen in het wetenschappelijk publiceren. Hoe beter de toegankelijkheid is, hoe beter ook de controle kan zijn op wat zich achter de schermen van het publiceren afspeelt.

Eén van die aspecten achter de schermen van het (Open Access) publiceren heeft te maken met auteursrecht. Auteurs/onderzoekers willen (of moeten) in toonaangevende vaktijdschriften gepubliceerd worden en ondanks alle aandacht en focus op open accessbeleid betekent dat nog steeds dat er vaak rechten overgedragen moeten worden aan de uitgever van een tijdschrift om te kunnen publiceren op een wijze die onderzoekers wenselijk vinden. En dan is het een gepasseerd station als je de onderzoeksresultaten ook nog Open Access beschikbaar wilt maken want je kunt slechts één keer bepalen wat je met je auteursrechten wilt doen. Het is of het één of het ander.

Of toch niet?

Het ligt voor de hand om de facilitering en stimulering van Open Access publiceren te borgen in een wet. Maar of je dat bereikt door een additionele verplichting op te nemen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is maar zeer de vraag. De reikwijdte van deze wet is relatief beperkt (tot de onderwijs- en onderzoeksinstellingen) en bestaande praktijken, publicatiecultuur en andere belangen zullen net zo zwaar blijven meetellen als een additionele verplichting om Open Access te gaan publiceren. En in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kun je wel iets gaan verplichten maar is het ondoenlijk om de bijkomende randvoorwaarden te regelen. Wie bekostigt deze publicatieroute, wanneer moet het per se en wanneer niet en je behoudt dezelfde problemen rondom de overdracht van auteursrechten.

Juist de positie van auteurs als het gaat om het overdragen van hun auteursrechten staat echter al centraal in een compleet ander wetsvoorstel waar al jaren aan gewerkt wordt. De wet Auteurscontractenrecht stelt een wijziging voor van zowel de Auteurswet als de Wet op de naburige rechten om de positie van auteurs en uitvoerenden te versterken in de auteursrechtwetgeving. Ik ga er verder op in zodra er zicht is op een daadwerkelijke behandel- en ingangsdatum maar in het kort komt het er op neer dat een maker van een werk een licentie moet verlenen voor het geheel of een gedeelte van het auteursrecht aan een ander voor exploitatie. Aan deze exploitatieovereenkomst zitten dan echter wel beperkingen die meer controle geven aan de makers en uitvoerenden. Zoals een ‘bestseller’ voorwaarde die een aanvullende vergoeding oplevert voor een auteur als zijn of haar werk commercieel succesvoller is dan verwacht. En een ontbindende voorwaarde als bijv. een uitgever een werk niet (meer) uitgeeft zodat een auteur dat werk zelf (of via een andere partij) kan exploiteren. Vandaar ook de naam van het wetsvoorstel want er wordt veel meer gestuurd op het aangaan van contracten waarbij beide partijen zich goed bewust dienen te zijn van hun rechten en plichten.

Het ligt dan ook veel meer voor de hand om Open Access te faciliteren in de Auteurswet, moet kamerlid Taverne van de VVD gedacht hebben. Afgelopen week bracht hij een amendement in op het wetsvoorstel Auteurscontractenrecht die een nieuw artikel (25fa) moet gaan toevoegen aan de Auteurswet.

Artikel 25fa
De maker van een kort werk van wetenschap waarvoor het onderzoek geheel of gedeeltelijk met publieke middelen is bekostigd, heeft het recht om dat werk na verloop van een redelijke termijn na de eerste openbaarmaking ervan, om niet beschikbaar te stellen voor het publiek, mits de bron van de eerste openbaarmaking daarbij op duidelijke wijze wordt vermeld.

Deze bepaling is deels geïnspireerd op artikel 38 lid 4 van de Duitse auteurswet zoals die per 1 januari 2014 is gaan gelden maar ook op auteursrechtwetgeving die inmiddels in o.a. Amerika van kracht is geworden.

Zoals Taverne ook in de Toelichting beschrijft:

Door deze bepaling behoudt de auteur het recht om zijn wetenschappelijk werk dat met openbare middelen is gefinancierd gratis via internet in open access beschikbaar te stellen. Werk van personen in dienst van een universiteit of ander door de overheid gefinancierde onderzoeksinstelling wordt geacht geheel of gedeeltelijk met openbare middelen zijn is bekostigd. De term «voor het publiek beschikbaar stellen» verwijst naar de openbaarmakingsvorm waarbij materiaal per draad of draadloos voor leden van het publiek beschikbaar wordt gesteld op zodanige wijze dat zij daartoe op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang toe hebben». Dit is de internationaal gebruikelijke omschrijving van beschikbaarstelling via internet. Voorwaarden zijn dat de beschikbaarstelling geschiedt om niet, hetgeen een wezenskenmerk is van open access, en dat de bron van de eerste openbaarmaking, bijvoorbeeld het wetenschappelijke tijdschrift waarin het werk voor het eerst is gepubliceerd, wordt vermeld.

Deze bepaling is echter wel een stuk flexibeler dan vergelijkbare bepalingen in de wetgeving van Duitsland en Amerika. Zo wordt de termijn waarop een artikel Open Access gepubliceerd mag worden niet gefixeerd maar is dat onderwerp van te maken afspraken zodat ook de (financiële) belangen van een wetenschappelijke uitgever bewaakt worden die immers wel moet investeren in het publiceren en het organiseren van peer review. En dan maakt het wel verschil met welke frequentie een tijdschrift artikelen publiceert en in welk vakgebied er gepubliceerd wordt. In de Toelichting vermeldt Taverne dat er bij geschillen over de termijn een rechter aan te pas kan komen hoewel dat wellicht iets laagdrempeliger georganiseerd kan worden me dunkt.

Mits en zodra deze bepaling geldend recht wordt in de Auteurswet zou het meer kunnen doen voor de toegankelijkheid van wetenschappelijke publicatie en onderzoeksgegevens dan alleen maar een verplichting in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. In plaats van of het één of het ander heb je dan wel ineens beide opties tot je beschikking als je gaat publiceren. Ook al kies je voor traditioneel publiceren met overdracht van rechten bij een wetenschappelijke uitgever, na een bepaalde termijn kun je datzelfde artikel alsnog gratis (Open Access) beschikbaar stellen zonder dat je dit in een overeenkomst vastgelegd hoeft te hebben. Mits je daarbij vermeldt waar het artikel oorspronkelijk (in) verschenen is.

In het ideale scenario zou de route naar Open Access publiceren overigens in beide wetten vastgelegd kunnen worden. In de Auteurswet om een auteur/onderzoeker de wettelijke mogelijkheid daartoe te geven en in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek om de prikkel te geven ook daadwerkelijk gebruik te maken van die wettelijke mogelijkheid.

Een Open Access een-tweetje als het ware.

#

Open Access Week 2013: deel jij ook jouw kennis?

open access week 2013

Ik ben een groot voorstander van het actief delen van kennis en anderen toegang geven tot de kennisproducten die jij gemaakt hebt. Ongeacht of je dat nu op kleine schaal doet, door bijv. te bloggen en je zelfgemaakte foto’s vrij te geven onder een Creative Commons licentie of dat je dat op grote schaal doet door je wetenschappelijke boeken en onderzoeksinformatie op basis van open access beschikbaar te maken. Ik geloof dat je het beste kunt leren en zelf kennis kunt vergaren door verder te bouwen op de kennis van anderen en dat begint voor mij met het besef dat je je eigen kennis ook moet delen met anderen.

De internationale Open Access Week, die dit jaar voor de zevende keer wordt georganiseerd, richt zich vooral op het bevorderen van de bekendheid en bewustwording rondom open access tot wetenschappelijke informatie. In meer dan 100 landen, waaronder Nederland, worden in deze week dan ook vele activiteiten georganiseerd door hoger onderwijsinstellingen die de verschillende aspecten van open toegang tot onderzoeksresulaten toelichten.

open access journals via browzineDaar zitten heel veel praktische activiteiten tussen om best practices te laten zien. Om te laten zien waar je zelf informatie kunt halen. Met tips over waar je open access wetenschappelijke tijdschriften kunt vinden (de Directory of Open Access Journals bijvoorbeeld), overzichtsites met (alle) institutionele repositories van onderwijs- en onderzoeksinstellingen, een uitleg over SHERPA/RoMEO waar je voor zeer veel uitgevers en tijdschriften informatie kunt vinden over hun copyright beleid of zustersite SHERPA/JULIET met informatie over open access beleid van onderzoeksfinanciers.

Maar de meeste aandacht gaat, zowel binnen de OA Week als daar buiten, nog steeds naar voorlichting over waarom open access belangrijk is, wat het oplevert en vooral waarom een ieder zich aangesproken zou moeten voelen. Want zo vanzelfsprekend is het ook na al die jaren nog niet om je kennis(producten) te delen met anderen.

Er speelt veel mee natuurlijk. Vaak wordt er eenvoudigweg niet eens over nagedacht om resultaten te delen. Of is het (te) veel moeite om het zelf naar buiten te (laten) brengen. En of je het nu bescheidenheid noemt of niet, het is ook wel spannend om de hele wereld te laten meekijken. Wat zou een ander ervan vinden en is het wel goed genoeg? Plus, het beeld heerst nog steeds dat gratis informatie minder betrouwbaar is dan informatie waar je voor moet betalen. En zouden anderen eigenlijk niet moeten betalen voor mijn inspanningen voordat ik mijn kennis deel?

Ook in de hogeschool waar ik werk gaat dat allemaal niet vanzelf. Op de uitgangspunten zijn we het allemaal wel met elkaar eens: kennisproducten die we zelf produceren moeten minimaal ter beschikking komen voor onszelf en het eigen onderwijs versterken. En idealiter zou de buitenwereld mee moeten kunnen profiteren.

Maar desondanks zijn we al ruim een jaar bezig om deze uitgangspunten om te zetten naar een publicatiebeleid. Hierin staat wat we willen bereiken maar ook hoe we dat moeten gaan doen. Dat we zoveel mogelijk afstudeeropdrachten van studenten willen opnemen in de HBO Kennisbank. Maar ook dat het betekent dat we dit samen met alle opleidingen moeten gaan stimuleren. En dat heeft consequenties voor afstudeerreglementen en afspraken met organisaties/bedrijven die opdrachten aanbieden voor afstudeerders. We willen onderwijsmateriaal en studieboeken, door onze medewerkers geschreven, vrij toegankelijk maken voor alle eigen studenten en medewerkers. Maar dat betekent minimaal dat er afspraken gemaakt moeten gaan worden met medewerkers die nu studieboeken door educatieve uitgevers laten uitgeven. En natuurlijk moet het publicatiebeleid voorzien in het (open access) beschikbaar maken van de onderzoekspublicaties van onze onderzoekers. Maar daar moeten we letten op soms complexe auteursrechtelijke vraagstukken en erkennen dat het ook niet altijd haalbaar of wenselijk zal zijn.

Dus daar zijn we gesprekken en discussies over aan het voeren. Want je kunt het wel eens zijn met het principe maar het wordt toch soms een ander verhaal als je de consequenties aan den lijve gaat ondervinden. En dan maakt het niet uit of je een student, docent of onderzoeker bent. Er zijn altijd wel redenen, hindernissen, te vinden om je kennis en je kennisproducten niet te delen. De vraag is of je genoeg in het principe gelooft om verder te kijken dan de beren op je weg. Of je je wilt inspannen om ondanks de bezwaren alsnog je kennis te delen.

En dan is open access of kennis delen helemaal niet voorbehouden aan hoger onderwijsinstellingen. Het geldt voor ons allemaal. Niet alleen toevallig deze week maar het hele jaar door.

Dus wees niet te bescheiden, staar je niet blind op de redenen om het niet te doen maar deel ook jouw kennis met anderen.

#

Wikiwijs plus Leermiddelenplein is Wikiwijsleermiddelenplein

wikiwijsleermiddelenplein

Ik vroeg me al af wat er zou gaan gebeuren met Wikiwijs. Na ruim 3 jaar geleden online te zijn gegaan stopt aan het einde van dit jaar de financiering vanuit het ministerie van OCW en was ik benieuwd of het uberhaupt nog wel zou blijven bestaan. Want ook al vond ik het een prachtig initiatief om docenten een platform te bieden waar ze zelf lesmateriaal konden uploaden, vinden en bewerken, juist het uitgangspunt dat het hierbij om open standaarden en dus ook open leermiddelen zou moeten gaan bleek nog wel een forse uitdaging te zijn. Open access van lesmateriaal – open educational resources of open leermiddelen – is zo’n typisch voorbeeld van iets wat iedereen een goed idee vindt maar wat lang niet door iedereen ook daadwerkelijk gedaan wordt.
Ik begreep dat het Wikiwijsplatform sowieso doorgaat na 1-1-2014 maar dat er nog goed gekeken gaat worden naar hoe het aangeboden gaat worden naar de verschillende sectoren in het onderwijs. Ik was dan ook wat verrast toen ik vorige week een persbericht las dat Wikiwijs samen is gegaan met het Leermiddelenplein, het “andere” platform met leermiddelen die niet vrij beschikbaar zijn.

Het Leermiddelenplein van SLO en het Wikiwijs-platform van Kennisnet en de Open Universiteit gaan vanaf 11 oktober samen verder onder de naam Wikiwijsleermiddelenplein. Door het samenbrengen van de inhoud en functionaliteiten van beide websites kunnen scholen en docenten op één plek terecht voor het zoeken, maken, delen en vergelijken van leermiddelen. En hebben ze via wikwijsleermiddelenplein.nl toegang tot informatie over ruim 1.400 lesmethodes en meer dan 100.000 beschikbare (digitale) lesmaterialen.

Met Wikiwijsleermiddelenplein is daarmee een mix ontstaan waarin zowel vrij beschikbare als commercieel beschikbare lesmaterialen zijn opgenomen, voor het basisonderwijs tot en met universitair onderwijs. Via Lesmateriaal zoeken kan er gezocht worden in het aanbod van alle beschikbare lesmaterialen, terwijl bij Methodes zoeken gezocht wordt binnen de (betaalde) beschikbare lesmethodes, voor het basisonderwijs tot en met het middelbaar beroepsonderwijs.

wikiwijsleermiddelenplein

wikiwijsleermiddelenplein

Maar je kunt ook Zelf aan de slag en lesmateriaal maken en/of delen met anderen waardoor ook op Wikiwijsleermiddelenplein het uitgangspunt van open leermiddelen nog in stand blijft.

En daar moet ook zeker wel aandacht voor blijven want ik denk dat (hoger) onderwijsinstellingen echt meer moeten gaan doen met open leermiddelen. Daar was Wikiwijs natuurlijk al een zeer geschikt platform voor maar ik moet zeggen dat het samengaan met Leermiddelenplein ook wel voordelen biedt. Juist door de mix van commercieel beschikbare lesmethodes en vrij toegankelijk lesmateriaal te bieden krijg je beter zicht als gebruiker op het totale aanbod. Daarbij heeft Wikiwijsleermiddelenplein een prima zoekfunctie en maakt het mijns inziens een veel betere scheiding tussen het vrij toegankelijke materiaal en de commerciële methoden dan Wikiwijs dat voorheen deed.

Als je een goed overzicht hebt van het totale aanbod dan kun je als docent of onderwijsmedewerker ook goed zien waar dus nog geen lesmateriaal voor beschikbaar is. Hopelijk stimuleert dat juist weer het zelf maken en delen van dat lesmateriaal met anderen. Wikiwijsleermiddelenplein is een mooie bron geworden voor leraren en docenten uit alle onderwijssectoren om lesmateriaal in te vinden en wellicht ook het eigen lesmateriaal weer te delen met collega´s.

#

Hoe kun je als bibliothecaris bijdragen aan open access en open onderwijs?

open access

Onderwijsbibliotheken, en ik focus me hier even op hogeschoolbibliotheken want daar werk ik nu eenmaal, staan op de drempel van grote veranderingen. Natuurlijk, de leeromgeving (de studieplekken) en de collecties blijven onverminderd belangrijk voor deze bibliotheken maar in een tijdperk van grootscheepse bezuinigingen en een overdaad aan vrijelijk beschikbare informatiebronnen op internet valt het nog niet mee om je meerwaarde aan te (blijven) tonen. Wat dat betreft verschillen alle soorten bibliotheken uiteindelijk maar weinig van elkaar.

Oude taken maar nieuwe rollen
Hoe bijzonder is het dan dat onderwijsbibliotheken nu de gelegenheid krijgen om zichzelf opnieuw te definiëren? Om een nieuwe rol te pakken voor het onderwijs? Onderwijsinstellingen zijn tegenwoordig namelijk steeds drukker met het produceren van (open) onderwijsmateriaal en onderzoekspublicaties. Niet alleen wordt er meer en meer gewerkt met kennisproducten van anderen in het onderwijs, er wordt ook steeds meer zelf gemaakt. Onderwijsinstellingen zijn kennisinstellingen. Of willen dat heel graag zijn.

Nou zou elke medewerker van een dergelijke kennisinstelling idealiter prima in staat moeten zijn om ook adequaat, zorgvuldig en verantwoord om te kunnen gaan met al die kennisproducten. De realiteit dat dit niet het geval is – en het ook nooit zo gaat worden – geeft de bibliotheek een perfecte plek in een dergelijke instelling. Nietwaar?

In het trendrapport Open Educational Resources 2013 ziet Cora Bijsterveld wel nieuwe rollen voor juist de onderwijsbibliotheken. Die ziet ze vooral als content curator voor al het open onderwijsmateriaal dat inmiddels beschikbaar is maar in hetzelfde trendrapport gaat het ook over open leermiddelen, open access en de rol van uitgevers. De conclusies die Saskia de Rijk en Paul Vermeulen hierin maken sluiten prima aan bij mijn eigen: zowel het onderwijs als de bibliotheken moeten meer doen met hun eigen materiaal. Onderwijs- en onderzoeksmateriaal wordt aan de lopende band geproduceerd en het is aan de instellingen en bibliotheken zelf om hier het optimale uit te halen. Kennisproducten die niet bij uitgevers beschikbaar zijn en die zeker niet even via Google te vinden zijn. Een unieke monopoliepositie zo je wilt.

Eerlijk delen en beschikbaar stellen
Dat wil niet zeggen dat je er al bent als je besluit dat dit je nieuwe gat in de markt is. Want al die medewerkers van onderwijsinstellingen zijn niet zo ideaal als het gaat om het (willen) delen van al het materiaal dat ze produceren. Iedereen wil graag andermans materiaal gebruiken maar delen, daar zijn toch snel redenen voor te vinden om niet meteen het achterste van je tong te laten zien. In, jawel, datzelfde trendrapport schetsen Wilfred Rubens en Wim Didderen maar liefst 12 van dat soort redenen die belemmerend werken voor medewerkers in het onderwijs als het op delen aankomt.

Goed voorbeeld doet volgen?
De bibliotheek heeft een mooie uitdaging om samen met die medewerkers, ondersteund door te ontwikkelen beleid van de onderwijsinstellingen, aan de slag te gaan met het verwerven en beschikbaar maken van al dat materiaal. Ook als individuele bibliothecaris kun je nu al het goede voorbeeld geven. Niet alleen door zelf gebruik te maken van open access publicaties, materiaal met een Creative Commons licentie of publicaties uit een repository. Maar vooral door zelf je kennis te delen met anderen. En je eigen kennisproducten actief beschikbaar te maken voor anderen. Ook voor bibliothecarissen/informatiespecialisten is het niet perse vanzelfsprekend om dat te doen heb ik de afgelopen jaren ervaren.

Wat kan ik NU zelf doen?

  • Ga bloggen, twitteren, Googleplussen etc. en schrijf, twitter en update iedereen over de onderwerpen waar je iets over te vertellen hebt. Bibliothecarissen zijn traditioneel vraagbaken geweest en kunnen dat nog steeds zijn maar je moet jezelf wel laten zien!
  • Deel het onderwijsmateriaal dat je zelf gemaakt hebt voor trainingen, workshops en presentaties. Denk aan Slideshare voor je presentaties en wees niet te bescheiden om naar Wikiwijs te kijken om je workshopmateriaal te delen. Ook jij produceert producten waar anderen gebruik van zouden kunnen maken.
  • Deel je teksten, afbeeldingen, wat voor content dan ook onder een Creative Commons Naamsvermelding licentie of een Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen licentie. Het zijn de twee ruimste Creative Commons licentie waarbij een hergebruiker zelf verder kan bouwen op je content en alleen een naamsvermelding verplicht is (en dat bewerkt materiaal alleen verspreid mag worden met een soortgelijke licentie). Wat me doet beseffen dat ik de CC licentie van dit blog dan ook moet versoepelen eigenlijk.

Door zelf te delen, te delen en nog eens te delen. Zo kun je als bibliothecaris bijdragen aan zowel de ontwikkelingen binnen je onderwijsinstelling als de toekomst van de bibliotheek waar je werkt. Dat zou ons als informatieprofessionals toch heel eenvoudig moeten afgaan.

Nietwaar?

@foto: Carlos Maya via photopin cc

#

Op het nachtkastje: trendrapport Open Educational Resources 2013

trendrapport open educational resourcesDeze week vindt de internationale Open Education Week plaats die aandacht vraagt voor laagdrempelig onderwijs en toegang tot open leermaterialen. De Special Interest Group van SURF over Open Educational Resources bracht daarom op de eerste dag het Trendrapport Open Educational Resources 2013 uit met 15 bijdragen over diverse trends in Open Educational Resources voor de Nederlandse hoger onderwijs-, bibliotheek- en uitgeverswereld. Deze worden afgewisseld met 15 intermezzo’s die praktische voorbeelden en tips geven voor iedereen die geïnteresseerd is in Open Educational Resources.

Hoewel ze ongetwijfeld allemaal het lezen waard zijn, werd mijn aandacht vooral getrokken naar een drietal artikelen uit het trendrapport. Pierre Gorissen van Fontys schreef een artikel over de trends en kansen als het gaat om open tekstboeken (wat ik nog steeds geen geweldige vertaling vind van open textbooks). Cora Bijsterveld gaat in op een nieuwe rol bij content curation van de bibliotheek in het hoger onderwijs. En ook de trends, kansen en bedreigingen richting de uitgevers bij open access en open educational resources worden besproken door Saskia de Rijk en Paul Vermeulen. Alle drie de artikelen zijn verplichte kost als je in een onderwijsbibliotheek werkzaam bent wat mij betreft.

Zoals het hoort natuurlijk is ook dit rapport vrijelijk – en in meerdere versies – te downloaden en te lezen. Een Nederlandstalige PDF in lage resolutie, een Engelstalige PDF, in een online boekomgeving en zelfs als app voor iPhone of iPad.

Lezen maar!

#

Wikiwijs voor het hoger onderwijs: waar liggen kansen? #owd12

In de derde sessieronde van dinsdag schoof ik in een grote zaal aan bij een presentatie van Robert Schuwer (Open Universiteit) over Wikiwijs en dan specifiek gericht op de mogelijkheden die het biedt voor het hoger onderwijs. De concurrentie van de overige sessies in deze ronde bleek moordend te zijn want de zaal was helaas maar door een klein groepje bezoekers gevuld. Jammer want het onderwerp van gebruik, maken en delen van open leermaterialen sloot niet alleen perfect aan bij de keynote van Anka Mulder maar verdient sowieso meer aandacht dan dat het nu krijgt.

Robert blikte eerst terug op de activiteiten die er vanuit Wikiwijs ondernomen zijn dit jaar. Lorenet (waar enkele hoger onderwijsinstellingen voorheen open leermaterialen in opgeslagen hebben) is aangesloten op Wikiwijs, men is druk geweest met een metadateringsstandaard voor vakken/modules in het hoger onderwijs aangezien deze -in tegenstelling tot het overige onderwijs- niet gestandaardiseerd zijn en er is gestart met een zgn. sectorkamer hbo/wo. De sectorkamer is een overlegstructuur met afgevaardigden van hogescholen, universiteiten en SURF dat in het leven geroepen is om de richting en strategie van Wikiwijs voor het hbo/wo te bepalen.

Onderzoek
Dit jaar is er ook een onderzoek uitgevoerd door de OU onder de hoger onderwijsinstellingen in opdracht van SURF en Wikiwijs. Dit had als doel om gebruik en bestaan van collecties van open leermateriaal in kaart te brengen en te inventariseren wat de status is van beleids(vorming) over open leermiddelen in het hbo en wo. Dit heeft geleid tot een rapport OER Hollands Landschap (PDF) waaruit enkele van de resultaten gepresenteerd worden. Hier schreef ik al eerder wat uitgebreider over.

Hoewel 7 universiteiten en 19 hogescholen gereageerd hebben blijkt dat velen niet of nauwelijks actief zijn op gebied van open leermiddelen. Ook is er slechts in heel beperkte mate sprake van een (gedeelde) visie op gebruik van open leermiddelen al geven een paar instellingen aan dat dit wel begint te ontstaan.

In het kader van dit onderzoek zijn er ook interviews gehouden met diverse bestuurders van hogescholen en universiteiten. Deze spreken zich krachtig uit voor het ontwikkelen en gebruiken van open leermiddelen maar ondanks dat lijkt er geen enkele sprake te zijn van een geïntegreerde aanpak waarbij onderwijsinstellingen ook samenwerken om deze doelen te bereiken.

Wat nu?
Wikiwijs wil nu actief instellingen gaan benaderen om materiaal vindbaar te krijgen in Wikiwijs. Hierbij gaat het dus zowel om het ontsluiten van bestaand materiaal en bestaande collecties (denk aan bijv. weblectures) als ook het materiaal rechtstreeks te verkrijgen in Wikiwijs zelf. De noodzaak om ook beleidsmakers bij onderwijsinstellingen te ondersteunen bij het formuleren van beleid rondom open leermiddelen wordt ook gezien door Wikiwijs en dat wil men, samen met SURF, ook gaan oppakken.

Uiteindelijk is het vooral een combinatie van beleid en cultuur die het delen van materiaal vanzelfsprekend moeten gaan maken, of zoals Robert het verwoordde: het inzichtelijk maken van gewin, gemak en genot voor docenten zodat ze ook hun materiaal willen delen.

Open vraag
De presentatie eindigde met de open vraag aan de aanwezigen waar Wikiwijs (meer) aandacht aan zou moeten gaan besteden. Daar kwam vanuit de zaal niet hele concrete input op terug, behalve een mogelijke andere naam en doelstelling om het beter te richten en te promoten richting het hoger onderwijs.

Je eigen instellingsrepository
Zelf sprak ik na afloop met Robert over het (beter) promoten van de mogelijkheid die Wikiwijs biedt om eigen instellingsrepositories onder/bij Wikiwijs zelf in te kunnen richten. Voor de NOH-I doen ze dit al en dat stelt deze hogeschool in staat om op een eigen plek materiaal te verzamelen terwijl er dan zowel binnen de eigen collectie als Wikiwijs-breed gezocht kan worden. Ik blijf van mening dat het (helaas?) essentieel blijft om een eigen verzamelplaats te hebben als instelling zodat beleid en cultuur in elk geval gestimuleerd kan worden met een klein beetje afscherming. Voordat alles meteen helemaal beschikbaar is voor de buitenwereld.

De rechten blijven lastig
Ook zou er meer aandacht moeten zijn bij de instellingen -en dus qua ondersteuning ook bij Wikiwijs- voor de benodigde workflow en redactie. Onderdeel van (te vormen) beleid zijn ook de diverse criteria waar materiaal aan moet voldoen voordat het publiekelijk gedeeld en gebruikt kan worden. Dat zijn o.a. kwaliteitseisen maar ook taalkundig en t.a.v het mogen gebruiken van andermans materiaal in het te delen leermateriaal moet hier goed op gelet worden. Zelf ken ik docenten die zeer teleurgesteld en gedemotiveerd waren toen bleek dat ze hun ontwikkeld materiaal eigenlijk niet mochten delen omdat ze (ook) gebruik maakten van andermans materiaal. Iets dat toegestaan en geregeld is voor het onderwijs dat ze zelf geven maar dat dus niet mag als je het publiek wilt gaan maken in bijvoorbeeld Wikiwijs. Eigenlijk zou deze huidige readerregeling breder gemaakt moeten worden wil open leermateriaal een succes worden.

Een conclusie was er eigenlijk niet aan te verbinden deze sessie maar het gevoel dat er nog ontzettend veel moet gebeuren, dat bleek eens te meer. Mijns inziens toch echt te beginnen met een duidelijke stellingname van alle hoger onderwijsinstellingen om hier serieus werk van te gaan maken. Het zijn toch de kennisinstellingen van Nederland die de motor achter open leermiddelen moet zijn en niet Wikiwijs. Het is te hopen dat bestuurders en beleidsmakers ook goed geluisterd hebben naar Anka Mulder en dat ze een volgende keer wel massaal aanwezig zijn als het over open leermiddelen gaat. De zaal was in ieder geval groot genoeg voor die ambitie.

Kijk het zelf ook nog even na
Deze sessie is ook in zijn geheel opgenomen en beschikbaar op de video pagina van de Onderwijsdagen site. De presentatie is eveneens beschikbaar via Slideshare.

Deze blogpost verscheen eerder op het blog van Dé Onderwijsdagen. De bovenstaande versie is licht gewijzigd met verwijzingen naar eerdere blogposts op Vakblog

#

Pagina 1 of 4123...Laatste »
  • © 2006- 2014 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top