SHERPA RoMEO in het Nederlands: opzoeken van het Open Access en auteursrechtenbeleid van uitgevers

sherpa romeo
Er zijn diverse ontwikkelingen gaande rondom Open Access publiceren in het Nederlandse hoger onderwijs. Staatssecretaris Dekker kondigde ruim een jaar geleden zijn Open Access beleid aan waarbij hij het uitgangspunt benadrukte dat de resultaten van publiek en publiek/privaat gefinancierd onderzoek altijd vrij beschikbaar moeten zijn. Hij streeft er naar dat in 2019 60 procent van de Nederlandse wetenschappelijke publicaties Open Access toegankelijk is en in 2024 zelfs 100 procent op deze wijze gepubliceerd wordt.

Dit beleid wordt gesteund door de universiteiten – waar veel van deze onderzoeksoutput vandaan komt – en dat is de reden dat er in de onderhandelingen met wetenschappelijke uitgevers sterk ingezet wordt op het mogelijk maken van Open Access. Onder betere (financiële) voorwaarden dan dit in het verleden gebeurde.

Open Access en auteursrecht

Open Access en auteursrecht zijn twee kanten van dezelfde medaille. Het verschil tussen de traditionele wijze van publiceren en onder Open Access publiceren heeft namelijk te maken met de mate waarin auteurs hun auteursrecht kunnen behouden. Moeten ze al hun auteursrechten overdragen aan een uitgever om in een wetenschappelijk tijdschrift gepubliceerd te kunnen worden? Dan is de uitgever de feitelijke eigenaar van zo’n artikel en kan een auteur zelf niet meer bepalen of het op zijn eigen website of in de repository van zijn instelling vrij toegankelijk gemaakt mag worden.

Steeds vaker vraagt de uitgever echter alleen om de rechten op de specifieke versie zoals die in het tijdschrift verschenen is, na de redactionele aanpassingen en het peer review-proces. De auteur behoudt dan volledige zeggenschap over de versie zoals die in eerste instantie is aangeleverd is aan het tijdschrift of juist de versie na de peer review maar voor de vormgeving van het tijdschrift. Ook komt het voor dat er een embargoperiode wordt afgesproken zodat de auteur bijv. na 6 maanden wel de definitieve gepubliceerde versie mag gebruiken op zijn eigen website of die van zijn instelling. Dat soort afspraken verschilt van uitgever tot uitgever en vaak ook nog van tijdschrift tot tijdschrift, zelfs als die bij dezelfde uitgever zitten.

In Nederland komt daar nog een aanvullende ontwikkeling bij want in het wetsvoorstel auteurscontractenrecht is een artikel 25fa opgenomen dat Nederlandse auteurs een recht geeft om hun (korte – tot 8.000 woorden waarschijnlijk) artikelen na verloop van een redelijke termijn na de eerste openbaarmaking ervan, om niet beschikbaar te stellen voor het publiek, mits de bron van de eerste openbaarmaking daarbij op duidelijke wijze wordt vermeld. Dit artikel is bedoeld om het Open Access publiceren ook wettelijk te faciliteren maar betekent vooral dat auteurs van onderzoekspublicaties goed op de hoogte moeten zijn van hun rechten. En wat ze met een uitgever nog kunnen/mogen afspreken.

Dat zoeken we op …. in SHERPA/RoMEO

Afspraken over het auteursrecht op de artikelen en de mogelijkheden om deze artikelen, in welke vorm dan ook, zelf weer gratis beschikbaar te maken, worden vastgelegd in de publicatie-overeenkomst tussen een uitgever (het tijdschrift) en de auteur. De allerbeste bron om na te gaan wat de mogelijkheden zijn met jouw gepubliceerde artikelen is daarom ook je eigen overeenkomst. Maar voor bijna alle tijdschriften en uitgevers zijn er min of meer algemeen geldende afspraken die gelijk zijn voor alle auteurs. Die zijn veelal vastgelegd in standaardovereenkomsten, richtlijnen voor auteurs en open access beleidsregels die op de site van een tijdschrift te vinden zijn.

Al die afspraken, die mogelijkheden en het beleid dat een uitgever voor een bepaald tijdschrift hanteert op dit gebied, worden voor zoveel mogelijk tijdschriften verzameld en doorzoekbaar gemaakt op SHERPA/RoMEO. RoMEO staat voor Rights MEtadata for Open Archiving en je kunt hiermee op een uniforme en overzichtelijke wijze nakijken welke Open Access mogelijkheden je hebt bij een specifiek tijdschrift.

sherpa romeo
Ongeacht de formuleringen in het beleid van de uitgever – naar die documenten wordt ook verwezen  – wordt er een samenvatting gemaakt waarin je meteen kunt zien wat je met de pre-print van een artikel mag doen (de auteursversie van het artikel zoals dat in eerste instantie aangeleverd wordt), met de post-print (de versie na de peer review maar nog voordat het opgemaakt wordt in de stijl van het tijdschrift) en de uitgeversversie (zoals die definitief gepubliceerd is in het tijdschrift). De specifieke voorwaarden die hierbij gelden worden ook kernachtig weergegeven. Zo weet je vooraf precies wat je wel en niet mag met je eigen artikel.

Nu ook in het Nederlands

SHERPA/RoMEO streeft er naar om zo volledig mogelijk te zijn en bevat inmiddels gegevens van ca. 22.000 wetenschappelijke tijdschriften, waaronder ook diverse Nederlandstalige. De site en de informatie hierop waren echter niet in vertaald naar het Nederlands en met de vele juridische termen en formuleringen in het beleid van de uitgevers bleek dat voor Nederlandse auteurs soms een barrière te zijn.

Dit was reden voor een drietal hogescholen (Saxion, HAN en de HU) om vanuit het Netwerk Auteursrechten Informatiepunten-hbo te werken aan een Nederlandstalige versie van SHERPA/RoMEO in samenwerking met de University of Nottingham die de site beheert. Sinds vandaag, 22 april, is de Nederlandstalige editie beschikbaar en zijn zowel de interface als veel van de gegevens vertaald. Dat levert zo af en toe nog wel een hybride weergave op omdat nog niet alle voorwaarden en beleidsformuleringen in het Nederlands vertaald zijn maar het is absoluut een mooie stap in het (beter) voorlichten van onderzoekers over de mogelijkheden van Open Access publiceren.

#

Auteurscontractenrecht: Open Access in de Auteurswet vastgelegd

auteurscontractenrecht
Eens in de zoveel tijd worden wetten aangepast aan de nieuwe mogelijkheden en vereisten die er aan wetgeving gesteld worden. Er zijn mensen die denken dat de Auteurswet – uit 1912 – in meer dan een eeuw niet aangepast is maar dat wordt vooral als (dom) argument gebruikt in discussies over nut en noodzaak van auteursrechtwetgeving. De Auteurswet wordt zeer regelmatig (licht) aangepast maar na vorige week lijkt er zelfs een hele uitgebreide toevoeging bij te komen want de Tweede Kamer stemde in met het wetsvoorstel auteurscontractenrecht.

Auteurscontractenrecht

Het wetsvoorstel van staatssecretaris Teeven lag er al sinds juni 2012. Essentie van het voorstel is het versterken van de contractuele positie van auteurs en kunstenaars ten opzichte van degenen die hun werken exploiteren. Zoals filmmakers en de kabelmaatschappijen maar natuurlijk ook auteurs en hun uitgevers. Het gratis overdragen van hun auteurs- en exploitatierechten middels overeenkomsten wordt onmogelijk gemaakt aangezien de nieuwe wetsartikelen (PDF) het recht introduceren (art. 25c lid 1 Aw) op een billijke vergoeding voor het verlenen van de exploitatierechten (verplicht via een akte). Daarnaast ontstaat er een recht op een aanvullende vergoeding als de oorspronkelijk overeengekomen vergoeding in geen enkele verhouding meer staat tot de opbrengst voor de exploitant. De zogeheten bestsellerbepaling van artikel 25d Aw.

Heb je als maker wel je rechten verkocht/overgedragen maar doet een uitgever of andere exploitant niks met dat werk? Dan heb je nu als maker het recht op ontbinding van die overeenkomst zodat je je exploitatierechten weer terug kunt krijgen. De zogeheten non-usus-bepaling of use-it-or-lose-it-bepaling van artikel 25e lid 1 Aw.

Verder kunnen onredelijke bepalingen in exploitatie-overeenkomsten worden vernietigd (knevel- of wurgcontracten), bijvoorbeeld als een auteur verplicht wordt het auteursrecht op al zijn toekomstige werken aan dezelfde uitgever over te dragen. Dat wordt geregeld in lid 1 en 2 van artikel 25f Aw, mits het gaat om (volledige) overdracht van rechten en exclusieve licenties (art. 25b lid 2 Aw). Tot slot is er een nieuwe regeling voor het filmauteurscontractenrecht (art. 45d Aw) waarbij alle makers een billijke vergoeding krijgen van de producent en is er de mogelijkheid van een laagdrempelige geschillencommissie vastgelegd om te voorkomen dat geschillen voor de rechter belanden.

Hoezo Open Access?

In het wetsvoorstel zelf is geen sprake van Open Access. Maar in januari 2014 voegde kamerlid Taverne van de VVD een amendement toe aan het wetsvoorstel dat voorziet in nog een nieuw artikel: artikel 25fa. Ik ging vorig jaar al uitgebreid in op dit amendement aangezien ik het een bijzonder goed idee vond om het recht op Open Access te regelen in de Auteurswet in plaats van in de Wet op het Hoger Onderwijs, zoals staatssecretaris Dekker in eerste instantie beoogde. Ook dit (licht gewijzigde) amendement van Taverne werd vorige week aangenomen, zoals je bovenaan kunt zien.

Artikel 25fa
De maker van een kort werk van wetenschap waarvoor het onderzoek geheel of gedeeltelijk met Nederlandse publieke middelen is bekostigd, heeft het recht om dat werk na verloop van een redelijke termijn na de eerste openbaarmaking ervan, om niet beschikbaar te stellen voor het publiek, mits de bron van de eerste openbaarmaking daarbij op duidelijke wijze wordt vermeld.

Deze bepaling is deels geïnspireerd op artikel 38 lid 4 van de Duitse auteurswet zoals die per 1 januari 2014 is gaan gelden maar ook op auteursrechtwetgeving die inmiddels in o.a. Amerika van kracht is geworden.

Taverne beschrijft in de Toelichting wat het doel van artikel 25fa is:

Deze bepaling is erop gericht invulling te geven aan de groeiende behoefte om wetenschappelijk werk in de vorm van open access beschikbaar te stellen. De aanduiding “kort werk” houdt in dat het gaat om artikelen en niet om boeken. De term is ontleend aan artikel 16 lid 2 Auteurswet. Korte bijdragen aan (congres)bundels kunnen er ook onder vallen. Door deze bepaling behoudt de auteur het recht om zijn wetenschappelijk werk dat met publieke  middelen is gefinancierd gratis via internet in open access beschikbaar te stellen.

Werk van personen in dienst van een universiteit of ander door de overheid gefinancierde onderzoeksinstelling wordt geacht geheel of gedeeltelijk met publieke middelen te zijn bekostigd.  De term “voor het publiek beschikbaar stellen” verwijst naar de openbaarmakingsvorm waarbij materiaal per draad of draadloos voor leden van het publiek beschikbaar wordt gesteld op zodanige wijze dat zij daartoe op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang toe hebben. Dit is de internationaal gebruikelijke omschrijving van beschikbaarstelling via internet. Voorwaarden zijn dat de beschikbaarstelling geschiedt om niet, hetgeen een wezenskenmerk is van open access, en dat de bron van de eerste openbaarmaking, bijvoorbeeld het wetenschappelijke tijdschrift waarin het werk voor het eerst is gepubliceerd, wordt vermeld.

Deze bepaling is echter wel een stuk flexibeler dan vergelijkbare bepalingen in de wetgeving van Duitsland en Amerika. Zo wordt de termijn, waarop een artikel Open Access gepubliceerd mag worden, niet gefixeerd maar is dat onderwerp van te maken afspraken zodat ook de (financiële) belangen van een wetenschappelijke uitgever bewaakt worden die immers wel moet investeren in het publiceren en het organiseren van peer review. En dan maakt het wel verschil met welke frequentie een tijdschrift artikelen publiceert en in welk vakgebied er gepubliceerd wordt.

Om tegemoet te komen aan de belangen van de uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften die hun investeringen moeten kunnen terugverdienen, dient een redelijke termijn in acht te worden genomen alvorens de beschikbaarstelling in open access plaatsvindt. De reden waarom een redelijke termijn in acht genomen moet worden is het gerechtvaardigde belang van de uitgevers die tijdschriften uitgeven en peer-review organiseren. De investeringen die daarvoor nodig zijn dienen in sommige gevallen door betaling van abonnements- of toegangsgelden te worden  terugverdiend, alvorens na ommekomst van een redelijke termijn het werk gratis voor een ieder beschikbaar komt. De duur van deze redelijke termijn zal per publicatievorm verschillen. De redelijke termijn kan ook nul zijn, indien het redelijk en niet bezwaarlijk is als een werk, eventueel in een van de formele publicatie afwijkende opmaak, onmiddellijk gratis online verschijnt. Het staat partijen vrij om hier nadere afspraken over te maken, maar de rechter zal uiteindelijk moeten beoordelen of een termijn redelijk is, in het licht van alle omstandigheden van het geval.

Het is belangrijk om te beseffen dat deze ‘Open Access-bepaling’ geen nieuwe uitzondering op het auteursrecht is maar een wezenlijk (nieuw) onderdeel van de persoonlijkheidsrechten van een auteur die niet over te dragen zijn aan een uitgever.

Dat betekent dat alle wetenschappelijke artikelen – van auteurs in onderzoeksinstellingen, universiteiten en hogescholen – dat geheel of gedeeltelijk gefinancierd is met (Nederlandse) publieke middelen na verloop van tijd (ook) Open Access gepubliceerd mogen worden. Mits daar de bron vermeld wordt van de oorspronkelijke publicatie en er een redelijke termijn met de uitgever afgesproken is.

In de Toelichting wordt vermeld dat er bij – de voor de hand liggende – geschillen over die redelijke termijn een rechter aan te pas kan komen maar ik hoop dat eveneens een plek kan krijgen in de geschillencommissie. Ook al betwijfel ik of een grote buitenlandse uitgever onder de indruk zal zijn van een dergelijke commissie.

Van dat recht *kan* een auteur niet eens afstand doen waarmee de noodzaak om het (opnieuw) Open Access publiceren van wetenschapsartikelen in bijv. een eigen instellingsrepository (de ‘groene route’) te regelen in een aparte overeenkomst met de uitgever kan komen te vervallen. Een wetenschappelijke auteur behoudt altijd zijn of haar recht om wetenschappelijke artikelen Open Access te publiceren.

Iets dat bijzonder goed past in het Open Access beleid dat op dit moment door staatssecretaris Dekker en de Nederlandse universiteitein bedreven wordt. En wat zeker ook voor hogescholen interessant is die een volgende stap aan het zetten zijn in hun eigen Open Access beleid.

De bepaling behelst geen beperking op het auteursrecht, maar slechts een beperking van de overdraagbaarheid van een deel van het auteursrecht. Zij legt slechts vast dat de auteur van een kort wetenschappelijk werk niet contractueel gedwongen kan worden afstand te doen van het recht om zijn werk, als hij dat wenst, na verloop van tijd gratis op internet te plaatsen. De auteur van het werk is overigens niet verplicht om zijn werk om niet op internet te plaatsen. Het ligt wel in de rede dat de overheid of een van overheidswege gefinancierde subsidiënt van een specifiek wetenschappelijk onderzoek in bepaalde gevallen zal overeenkomen of als voorwaarde voor financiering zal stellen dat door haar gefinancierd onderzoek direct of na verloop van een redelijke termijn gratis op internet beschikbaar wordt gesteld.

Met de instemming door de Tweede Kamer is dit wetsvoorstel (incl. amendement) weliswaar aangenomen maar is de vernieuwde wetgeving nog niet van kracht. Daarvoor zal het wetsvoorstel eerst ook nog door de Eerste Kamer moeten worden aangenomen. Naar verwachting zal dit echter al binnen enkele maanden gebeuren waarna de wijzigingen per 1 juli 2015 in werking treden.

#

Over Big Deals, Open Access en de onderhandelingen tussen Elsevier en de universiteiten

big dealsAls er één bedrijfstak is die nauwelijks of geen last heeft gehad van de economische crisis, dan zijn het wel de wetenschappelijke uitgevers. Tenminste, dat is mijn conclusie bij elke ronde gesprekken en onderhandelingen voor nieuwe licenties voor onderwijs- en onderzoeksinstellingen zodat ze toegang krijgen (of behouden) tot (wetenschappelijke) artikelen. Elk jaar stijgen de kosten met een stevig percentage terwijl het budget van de gemiddelde instelling in de praktijk al vele jaren geen gelijke tred kan houden.

Big Deals

Dit beperkt zich niet tot wetenschappelijke uitgevers – het is ook van toepassing op bijna alle digitale content van uitgevers die door de onderwijs- en onderzoeksinstellingen afgenomen wordt – maar nergens wordt het beter geïllustreerd dan bij de zogenaamde Big Deals. Dit zijn overeenkomsten die door de grote wetenschappelijke uitgevers met universiteiten (per regio) over de hele wereld afgesloten worden en waar elke drie jaar zware onderhandelingen aan vooraf gaan.

Ze heten Big Deals omdat het om overeenkomsten gaat die met de meerderheid van de universiteiten en onderzoeksinstellingen afgesloten worden en omdat het – vanzelfsprekend – om honderden miljoenen euro’s wereldwijd gaat. Big deals zijn very big business als je Springer, Wiley Blackwell of Elsevier bent.

Ook al zijn hun betalende klanten dezelfde instellingen die verantwoordelijk zijn voor de inhoud *en* kwaliteitsbewaking van hun wetenschappelijke tijdschriften en ook al hebben de bibliotheken van de instellingen al jaren te kampen met bezuinigingen, het leidt niet tot een herziening van het verdienmodel van uitgevers. Integendeel want telkens weer stijgen de prijzen sterker dan de inflatie en inmiddels zijn er al vele universiteiten – waaronder ook bekende – die zich niet meer (kunnen) laten gijzelen door het prijsbeleid van een uitgever en minder of geen toegang meer bieden tot bepaalde wetenschappelijke tijdschriften.

Wie betaalt nou precies voor wat?

Het overgrote deel van de wetenschappelijke onderzoeksoutput wordt gepubliceerd in dure wetenschappelijke tijdschriften die commercieel geëxploiteerd worden door de wetenschappelijke uitgevers. Universiteiten betalen jaarlijks vele miljoenen euro’s om hun medewerkers en onderzoekers toegang te geven tot (een deel van) deze artikelen aangezien deze essentieel zijn voor de uitvoering van nieuw onderzoek en de productie van nieuwe wetenschappelijke artikelen.

En daarin zit ook de bijzondere relatie tussen de universiteiten en de wetenschappelijke uitgevers met wie dure Big Deals afgesloten dienen te worden. Het zijn namelijk de universiteiten die, bijna zonder uitzondering, de auteurs leveren die de artikelen schrijven voor die dure wetenschappelijke tijdschriften. Zij leveren ook de deskundigen en experts die bij de wetenschappelijke uitgevers de kwaliteitsbewaking – het zogeheten peer review proces – verzorgen en die juist de meerwaarde geven aan dat tijdschrift en wat wordt doorberekend aan de abonnees. En desondanks betalen universiteiten en onderzoeksinstellingen miljoenen euro’s – een substantieel deel van hun onderzoeksbudgetten – om de artikelen die door hun eigen onderzoekers geschreven zijn – en peer reviewed zijn door hun eigen onderzoekers – toegankelijk te maken voor, jawel, hun eigen onderzoekers.

Ze zijn daarmee in hoge mate afhankelijk van elkaar. Wetenschappers dienen hun onderzoeksresultaten te publiceren in (bij voorkeur prestigieuze) tijdschriften en de wetenschappelijke uitgevers kunnen de tijdschriften niet vullen als wetenschappers niet zouden publiceren en middels peer review invulling geven aan de kwaliteitsbewaking. Gelijkwaardig is die relatie echter niet. Er is een lange geschiedenis van praktijken waarin de wetenschappelijke uitgevers het auteursrecht claimen van de artikelen in ruil voor de mogelijkheid om de artikelen te kunnen publiceren en met dit recht dus de toegang tot al die wetenschappelijke artikelen verkopen aan de universiteiten. Een hele dure sigaar uit eigen doos in feite.

Open Access

Maar wacht, het wordt nog een stukje interessanter. Bijna een jaar geleden schreef staatssecretaris Dekker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een brief aan de Tweede Kamer waarin hij zijn Open Access beleid aankondigde.

Mijn uitgangspunt is dat resultaten van publiek en publiek/privaat gefinancierd onderzoek altijd vrij beschikbaar moeten zijn. Omdat het om publiek geld gaat, en er voor de uitrol van Open Access technisch in principe geen belemmeringen zijn, acht ik het van belang dat dit binnen afzienbare tijd gebeurt.

De staatssecretaris wil er naar streven dat in vijf jaar (2019) 60 procent van de Nederlandse wetenschappelijke publicaties Open Access toegankelijk is en in tien jaar (2024) zelfs 100 procent op deze wijze gepubliceerd wordt.

Open Access wordt vooral geassocieerd met ‘gratis’ en ‘vrij toegankelijk’ en voor iemand die kennis wil nemen van een onderwijs- of onderzoekspublicatie klopt dat ook. Lezers hebben gratis toegang tot artikelen die Open Access gepubliceerd zijn. Auteurs hebben daar voordeel van omdat ze ook gemakkelijker gevonden – en gelezen – worden door die lezers want die hoeven niet meer honderden, of zelfs duizenden, euro’s te betalen voor een duur abonnement op een wetenschappelijk tijdschrift. Maar onderzoekers profiteren ook omdat zij dan zelf vrij toegang hebben tot de onderzoekspublicaties en -resultaten van andere onderzoekers waar op voortgebouwd kan worden zonder de noodzaak eerder onderzoek te herhalen.

Maar publiceren in wetenschappelijke tijdschriften is vanzelfsprekend niet gratis. Open Access publiceren betekent dat de kosten niet meer verhaald (kunnen) worden op de lezers of abonnees en dat die kosten daardoor bij de auteurs komen te liggen. Onderzoekers moeten dus betalen om een artikel te publiceren in een Open Access tijdschrift, of in een regulier wetenschappelijk tijdschrift onder Open Access voorwaarden waarbij andere artikelen in datzelfde tijdschrift niet per se OA zijn (hybride). Dit wordt de gouden publicatieroute (Golden Road) naar Open Access publiceren genoemd.

De staatssecretaris spreekt een voorkeur uit voor deze gouden publicatieroute en dit betekent dat het de wetenschappelijke uitgevers zijn die met een ander (verdien)model moeten gaan komen om Open Access publiceren mogelijk te maken in hun tijdschriften. De staatssecretaris voegde er in zijn brief wel aan toe dat hij in 2016 een wettelijke verplichting tot open access publiceren zou introduceren in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, mocht dit nodig zijn om dit doel ook daadwerkelijk te behalen. Niet onverstandig aangezien het niet te verwachten was dat wetenschappelijke uitgevers met enthousiasme uit zichzelf afscheid zouden nemen van een zeer winstgevend model van publiceren.

Terug naar de Big Deals

Universiteiten (maar ook hogescholen) zijn al jaren bezig met Open Access. Hierin volgen ze de groene publicatieroute (Green Road) waarbij een artikel nog steeds gepubliceerd wordt in een traditioneel, niet OA-tijdschrift maar waarna het artikel – na publicatie – óók gepubliceerd wordt in een institutionele repository. Een andere variant is dat een preprint (een auteursversie voordat de opmaak en redigeerwerk van een tijdschrift toegepast worden) gepubliceerd wordt in de eigen repository. Een institutionele repository is daarmee dus een archief van digitale publicaties die geschreven zijn door medewerkers van die instelling. Deze wordt beheerd door de instelling zelf terwijl de inhoud van de gezamenlijke repositories vrij toegankelijk is voor iedereen via NARCIS en de HBO Kennisbank.

De universiteiten steunen het Open Access plan van de staatssecretaris en kondigden aan bij de komende Big Deals onderhandelingen hoog in te gaan zetten om de Nederlandse wetenschappelijke publicaties Open Access gepubliceerd te gaan krijgen. De vereniging van universiteiten, de VSNU, voegde zich daarom bij het samenwerkingsverband universiteitsbibliotheken en Koninklijke Bibliotheek (UKB) voor de onderhandelingen en leverde ook de hoofdonderhandelaar.

Elsevier

De VSNU onderhandelde de afgelopen maanden afzonderlijk met Springer Verlag, Wiley en Elsevier om tot Open Access publiceren te komen in de tijdschriften van deze uitgevers. Vanochtend maakte de VSNU echter bekend in een persbericht dat de onderhandelingen met Elsevier vastgelopen zijn. De Volkskrant weet te melden dat de VSNU voorgesteld had om de kosten van het Open Access publiceren af te kopen door dit te verrekenen met het bedrag dat op dit moment aan Elsevier betaald wordt maar dat Elsevier extra kosten voor Open Access publiceren in rekening wil brengen. Het tegenvoorstel zou daarmee in totaal wederom een forse prijsstijging gaan opleveren voor de universiteiten. Afgelopen vrijdag zijn daarom de onderhandelingen afgebroken.

En wat nu?

Tenzij er een nieuw voorstel door Elsevier wordt gedaan zal er per 1 januari 2015 geen nieuwe overeenkomst liggen voor toegang tot artikelen uit de duizenden tijdschriften van Elsevier. Nieuwe artikelen kunnen dan niet meer geraadpleegd worden door onderzoekers hoewel de artikelen t/m 2014 wel raadpleegbaar blijven aangezien in de huidige overeenkomst is opgenomen dat deze zelfs bij ontbinding van de overeenkomst toegankelijk blijven.

De VSNU meldt ook in hun persbericht dat ze begonnen zijn met het informeren van hun achterban en onderzoekers over de consequenties van deze patstelling en lijkt vastbesloten te zijn zich niet te laten gijzelen hierdoor. Het is afwachten of ze, in tegenstelling tot diverse buitenlandse universiteitsbibliotheken die in het verleden uiteindelijk toch overstag gingen, wel hun standpunt vasthouden maar ik kan me niet voorstellen dat de VSNU eenzijdig op hun besluit terugkomt.

Het gaat verder dan alleen de universiteiten

Ook al speelt deze kwestie zich af tussen de universiteiten en de uitgevers, ook de hbo instellingen hebben er mee te maken. Een groot aantal hogeschoolbibliotheken heeft, als onderdeel van de huidige overeenkomst met de universiteiten, eveneens de wetenschappelijke content afgenomen van Wiley, Springer Verlag en Elsevier aangezien er ook in hbo instellingen aan onderzoek gedaan wordt. Met aanzienlijk lagere budgetten (en gebruik) dan de universiteiten is er veel onduidelijkheid en onzekerheid hoe en of deze artikelen toegankelijk zullen blijven voor de onderzoekers in het hbo hoewel ook hier veel steun te vinden is voor het open access publiceren.

Persoonlijk vind ik het staken van de onderhandelingen vooral een goed signaal naar zowel de wetenschappelijke uitgevers (Elsevier voorop) als naar de eigen publicatiecultuur bij de universiteiten. Open Access publiceren vereist, behalve een andere insteek door uitgevers, ook een andere insteek bij de onderzoekers en instellingen zelf. Er is nog steeds een druk en vanzelfsprekendheid om in prestigieuze – niet Open Access – tijdschriften te publiceren omdat dit waardering en aanzien oplevert terwijl de kwaliteit van de onderzoeksoutput mijns inziens niet anders is als je datzelfde artikel in een Open Access tijdschrift zou publiceren. Hiermee houd je het bestaande systeem in stand en geef je alle controle aan de uitgevers.

Dus laat het nu maar eens flink knallen. Laat het ook maar eens duidelijk worden hoe serieus de consequenties zijn van het niet meer beschikbaar zijn van duurbetaalde wetenschappelijke artikelen. Laat universiteiten, hbo’s en onderzoekers nu ook maar eens echt wennen aan Open Access. Vul en doorzoek de eigen repositories, neem eens contact op met die onderzoeker om een exemplaar van zijn of haar onderzoekspublicatie op te vragen en weiger het auteursrecht over je eigen artikelen af te staan aan een uitgever die je vervolgens diezelfde artikelen weer terugverkoopt.

Verder lezen: Persbericht ‘Onderhandelingen tussen universiteiten en Elsevier vastgelopen’ (VSNU) / Open Access bij (Auteurs)wet geregeld [over hoe je ook de Auteurswet zou moeten aanpassen om Open Access te stimuleren] (Vakblog) / Wetenschap ligt overhoop met uitgever Elsevier (Volkskrant)
@afbeelding via Pixabay met CC0 verklaring

#

Open Access publiceren, de Big Deals en de sigaar uit eigen doos

open accessMijn uitgangspunt is dat resultaten van publiek en publiek/privaat gefinancierd onderzoek altijd vrij beschikbaar moeten zijn. Omdat het om publiek geld gaat, en er voor de uitrol van Open Access technisch in principe geen belemmeringen zijn, acht ik het van belang dat dit binnen afzienbare tijd gebeurt’, aldus staatssecretaris Dekker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).

Dit schreef hij op 15 november 2013 in een brief aan de Tweede Kamer en hij voegde er aan toe dat hij in 2016 een wettelijke verplichting tot open access publiceren zou introduceren in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, mocht dit nodig zijn om dit doel ook te behalen.

Aangezien het niet heel realistisch is om te verwachten dat de onderwijs- en onderzoeksinstellingen – en vooral de wetenschappelijke uitgevers – in slechts 2 jaar een kentering weten te bewerkstelligen in de wijze hoe onderzoeksartikelen gepubliceerd worden, ging ik eerder dit jaar vooral in op hoe zo’n wettelijke borging mijns inziens beter geregeld kan worden in de Auteurswet. Ik denk dat dit nog steeds wenselijk, en zelfs nodig, is maar met alleen het verplichten en wettelijk faciliteren van Open Access publiceren ben je er natuurlijk nog steeds niet.

Open Access publiceren

Open Access wordt vooral geassocieerd met ‘gratis’ en ‘vrij toegankelijk’ en voor iemand die kennis wil nemen van een onderwijs- of onderzoekspublicatie klopt dat ook. Lezers hebben gratis toegang tot artikelen die Open Access gepubliceerd zijn. Auteurs hebben daar voordeel van omdat ze ook gemakkelijker gevonden – en gelezen – worden door die lezers want die hoeven niet meer honderden, of zelfs duizenden, euro’s te betalen voor een duur abonnement op een wetenschappelijk tijdschrift. Maar onderzoekers profiteren ook omdat zij dan zelf vrij toegang hebben tot de onderzoekspublicaties en -resultaten van andere onderzoekers waar op voortgebouwd kan worden zonder de noodzaak eerder onderzoek te herhalen.

Maar publiceren in wetenschappelijke tijdschriften is vanzelfsprekend niet gratis. Open Access publiceren betekent dat de kosten niet meer verhaald (kunnen) worden op de lezers of abonnees en dat die kosten daardoor bij de auteurs komen te liggen. Onderzoekers moeten dus betalen om een artikel te publiceren in een Open Access tijdschrift, of in een regulier wetenschappelijk tijdschrift onder Open Access voorwaarden waarbij andere artikelen in datzelfde tijdschrift niet per se OA zijn (hybride). Dit wordt de gouden publicatieroute (Golden Road) naar Open Access publiceren genoemd.

Wie gaat dat betalen?

Deze gouden publicatieroute geniet de voorkeur van staatssecretaris Dekker maar is om voor de hand liggende redenen lastig in de praktijk te brengen. Wetenschappelijke uitgevers – die de afgelopen 20 jaar gigantische winsten hebben gemaakt – staan niet te trappelen om hun verdienmodellen op te geven. Open Access tijdschriften uitgeven waarbij de auteurs moeten betalen om artikelen te kunnen publiceren gaat leiden tot meer concurrentie en marktwerking. De vanzelfsprekendheid om in de tijdschriften van naam te publiceren wordt dan vervangen door een kostenbewustwording van onderzoekers die niet voornemens zijn tienduizenden euro’s te betalen om een artikel te laten publiceren als er andere tijdschriften zijn waar dit voor de fractie van die prijs kan. OA tijdschriften worden veel meer een doorgeefluik in plaats van de huidige prestigieuze bronnen waar uitgevers nu miljoenen aan verdienen.

Ook de universiteiten en onderzoeksinstellingen zitten met een financieel probleem. De gouden publicatieroute betekent dat deze instellingen, en daarmee de onderzoekers, de kosten van het publiceren over (moeten) nemen en dat gaat ongetwijfeld tientallen miljoenen euro’s kosten. Alleen al voor de Nederlandse onderzoeksoutput.

What’s in it for me?

En het is maar de vraag wat die gouden publicatieroute gaat opleveren. De staatssecretaris gebruikt voor zijn definitie van (golden road) Open Access ook de termen ‘gratis’ en ‘vrij toegankelijk’ terwijl de andere helft van de gangbare definitie ontbreekt. Het is minstens zo belangrijk om bij OA over de auteursrechten, en vooral de gebruiksrechten, te praten. In zijn brief (PDF, pagina 4) gaat de staatssecretaris er van uit dat bij een gouden publicatieroute de auteur zijn auteursrechten behoudt – en dat bij hergebruik dus telkens toestemming gevraagd moet worden aan de auteur – terwijl de gangbare praktijk anders is. Bij OA tijdschriften worden artikelen in veel gevallen gepubliceerd onder een Creative Commons Naamsvermelding licentie (CC-BY) en geeft de auteur dus een aantal gebruiksrechten weg zodat de lezer de (inhoud van de) artikelen ook vrijelijk mag bewerken en hergebruiken mits er verwezen wordt naar de auteur. Dat past zeer goed bij Open Access natuurlijk maar er blijft weinig over van het idee – en geïmpliceerde toezegging van de staatssecretaris – dat de gouden publicatieroute meer zeggenschap oplevert voor de auteurs van de publicaties.

Betalen voor de sigaar uit eigen doos

Waarom ineens die druk van de staatssecretaris om (golden road) Open Access te gaan publiceren? Dat komt omdat de huidige situatie van het publiceren van onderzoekspublicaties nu al vreemde en ongewenste aspecten heeft. Het overgrote deel van al het wetenschappelijke onderzoeksoutput verschijnt in dure wetenschappelijke tijdschriften die vervolgens commercieel geëxploiteerd worden door de wetenschappelijke uitgevers. Dat betekent dat het toegang krijgen tot deze wetenschappelijke publicaties een enorm dure aangelegenheid is (geworden) voor zowel het publiek als de onderwijs- en onderzoeksinstellingen. Universiteiten betalen jaarlijks vele miljoenen euro’s om hun medewerkers en onderzoekers toegang te geven tot (een deel van) deze artikelen, terwijl het voor particulieren of kleine instellingen simpelweg onbetaalbaar is geworden.

En dat is een bizarre situatie om meerdere redenen. Het gaat in veel gevallen inderdaad om onderzoeksresultaten uit onderzoek dat met (deels) publieke middelen gefinancierd is. Maar voor universiteiten en onderzoeksinstellingen gaat het nog verder: zij leveren bijna zonder uitzondering de auteurs die de artikelen schrijven voor die dure wetenschappelijke tijdschriften. Zij leveren ook de deskundigen en experts die bij de wetenschappelijke uitgevers de kwaliteitsbewaking – het zogeheten peer review proces – verzorgen en die juist de meerwaarde geven aan dat tijdschrift die in de immer stijgende kosten wordt doorberekend aan de abonnees. En desondanks betalen universiteiten en onderzoeksinstellingen miljoenen euro’s – een substantieel deel van hun onderzoeksbudgetten – om de artikelen die door hun eigen werknemers geschreven zijn – en peer reviewed zijn door hun eigen werknemers – toegankelijk te maken voor, jawel, hun eigen werknemers.

Big Deals

De kosten voor toegang tot (wetenschappelijke) artikelen zijn de afgelopen tien jaren, ondanks een economische crisis, onverminderd blijven stijgen. Het beperkt zich niet tot wetenschappelijke uitgevers – het is eveneens van toepassing op bijna alle digitale content van uitgevers die door onderwijs- en onderzoeksinstellingen afgenomen wordt – maar nergens wordt het beter geïllustreerd dan bij de zogenaamde Big Deals. Dit zijn overeenkomsten die door de grote wetenschappelijke uitgevers met universiteiten (per regio) over de hele wereld afgesloten worden en waar elke drie jaar zware onderhandelingen aan vooraf gaan.

Ze heten Big Deals omdat het om overeenkomsten gaat die met de meerderheid van de universiteiten en onderzoeksinstellingen afgesloten worden en omdat het – vanzelfsprekend – om honderden miljoenen euro’s wereldwijd gaat. Big deals zijn big business als je Springer, Wiley Blackwell of Elsevier bent.

Ook al zijn hun betalende klanten dezelfde instellingen die verantwoordelijk zijn voor de inhoud *en* kwaliteitsbewaking van hun tijdschriften, ook al hebben de bibliotheken van de instellingen al jaren te kampen met bezuinigingen, ook al klinkt de roep om Open Access steeds luider, het leidt niet tot een betaalbaar en voor de afnemers beter werkend verdienmodel. Integendeel want telkens weer stijgen de prijzen sterker dan de inflatie en inmiddels zijn er al vele universiteiten – waaronder ook bekende – die zich niet meer (kunnen) laten gijzelen door het prijsbeleid van een uitgever en minder of geen toegang meer bieden tot bepaalde wetenschappelijke tijdschriften.

Dat kan O(ok) A(nders)

Dat kan niet alleen anders, dat moet ook gewoon anders. In de onderhandelingen met uitgevers moeten de onderwijs- en onderzoeksinstellingen hun onderhandelingspositie veel beter gaan benutten. Ze hebben weliswaar de uitgevers nodig maar dat geldt andersom net zo. En net als Harvard moeten de instellingen ook nee durven te zeggen tegen een uitgever. Je kunt nu eenmaal niet onderhandelen als je vooraf al besloten hebt dat je akkoord wilt/moet gaan met de prijs en voorwaarden omdat je achterban heeft aangegeven niet zonder die content te willen.

De afhankelijkheid die instellingen hebben ten opzichte van de uitgevers, daar kan ook wat aan gedaan worden door inderdaad de eigen onderzoekspublicaties en -artikelen Open Access beschikbaar te maken. Dat hoeft niet per se de gouden publicatieroute te zijn want er kan ingezet worden op de groene publicatieroute (Green Road). Hierbij wordt een artikel nog steeds gepubliceerd in een traditioneel, niet OA-tijdschrift waarna het artikel (na publicatie dus) óók gepubliceerd wordt in een OA-institutionele repository. Een OA-institutionele repository is een archief van digitale publicaties die geschreven zijn door medewerkers van die instelling, wordt beheerd door de instelling zelf en is vrij toegankelijk voor iedereen.

Dit vereist wel dat de auteurs/medewerkers zelf vooraf goed nadenken over hun auteursrechten en in welk tijdschrift ze willen en kunnen publiceren. Ze zullen een afweging moeten maken tussen hun eigen belangen en het (opgelegde) belang om het artikel ook in de eigen instellingsrepository op te laten nemen. Vervolgens moeten er dan afspraken gemaakt worden tussen de auteur en het tijdschrift om opname van het artikel in de eigen repository mogelijk te maken. Een relatief bewerkelijk proces dat ook weinig zal doen om uitgevers tot een ander verdienmodel te bewegen, wat de reden zal zijn dat de staatssecretaris in zijn brief weinig ziet in de groene publicatieroute naar Open Access publiceren. Voor de gezamenlijke onderzoeksinstellingen is het mijns inziens, zeker als de Auteurswet het wettelijk mogelijk maakt een eigen publicatie Open Access te publiceren, echter de beste manier om aan de Open Access doelstelling te voldoen en tevens minder afhankelijk te worden van de grote uitgevers.

Maar ook het hoger beroepsonderwijs vindt Open Access belangrijk

Het zijn niet alleen de universiteiten die het nut en noodzaak van Open Access inzien en nu aan de slag gaan met richtlijnen en beleid om hun artikelen, onderzoeksoutput en onderwijsmateriaal toegankelijk te maken. Ook bij de hogescholen groeit de bewustwording om de eigen kennisproducten inzichtelijk te maken conform het Open Access beginsel, al heeft dat niet zo zeer met de dure toegang tot content te maken maar meer met het (aantoonbaar) verbeteren van de onderwijskwaliteit.

Hogescholen moeten de komende jaren gaan aantonen op welke wijze ze de onderwijskwaliteit en het studiesucces verbeteren, het onderwijs en onderzoek profileren en de aansluiting met het bedrijfsleven en de regio versterken. Binnen de Vereniging Hogescholen hebben de hogescholen daarom gezamenlijk een kwaliteitsagenda opgesteld voor de komende jaren onder het motto ‘Kwaliteit als opdracht’ (PDF) om beter bij te kunnen dragen aan het versterken van de kenniseconomie in Nederland en in de (eigen) regio. In het rapport ‘Naar een duurzaam onderzoeksklimaat. Ambities en succesfactoren voor het onderzoek aan hogescholen’ (PDF, 2010) stelt de Vereniging Hogescholen daarnaast dat het gezamenlijk zichtbaar maken van de kennisproducten en onderzoeksresultaten ook essentieel is.

Het beschikbaar stellen van deze kennis aan particulieren, bedrijven, instellingen en overheden zien hogescholen als een belangrijk onderdeel en invulling van die kwaliteitsdoelstelling. Waar mogelijk willen ook hogescholen de kennisproducten en onderzoeksresultaten kosteloos voor iedereen toegankelijk maken, voortkomend uit de ondertekening van de Berlin Declaration on Open Access to Knowledge in the Sciences and Humanities (kortweg de Berlin Declaration on Open Access). De nadruk op het zoveel mogelijk Open Access publiceren is hier aan te relateren.

En er worden al veel kennisproducten geproduceerd binnen hogescholen. Onderzoekers en medewerkers die verbonden zijn aan kenniskringen en lectoraten publiceren al vele jaren in wetenschappelijke en vaktijdschriften. Docenten produceren onderwijsmateriaal en publiceren frequent dit materiaal bij educatieve uitgevers terwijl studenten sinds enkele jaren afstudeerwerken (kunnen) publiceren in de HBO Kennisbank. Bij hogescholen wordt het publiceren steeds beter gefaciliteerd en er worden de mogelijkheden verkend om Open Access publiceren gezamenlijk op te gaan pakken.

OA bewust

Uiteindelijk zou het bij alle hoger onderwijsinstellingen en de onderzoeksinstellingen meer moeten gaan om dat bewustwordingsproces. Niet om nou zo nodig in een OA-tijdschrift te publiceren en niet omdat het de instelling of de maatschappij veel geld kan besparen. De gedachte achter Open Access is dat publicaties en andere werken die met publieke middelen gefinancierd zijn, vrij toegankelijk zouden moeten zijn voor iedereen en dat iedereen die werken vervolgens kan hergebruiken voor eigen doeleinden. Dat belang kan haaks staan op de belangen van een individuele onderzoeker, medewerker, docent of student maar het is belangrijk dat de afweging op zijn minst gedaan wordt.

Dat de belangen van uitgevers, die alleen maar het publiceren zelf voor hun rekening zouden moeten nemen, zo bepalend zijn geweest de laatste decennia toont alleen maar aan hoe essentieel het is om de discussie rondom Open Access te blijven voeren.

Open Access is gewoon ook een Big Deal.

Verder lezen/kijken: Collegevoorzitter Gerard Meijer van de Radboud Universiteit Nijmegen sprak enkele weken geleden over de noodzaak van Open Access en wat de rol is van zowel de eigen onderzoekers als die van de wetenschappelijke uitgevers (15 minuten, getipt door Maarten Hekman) / De SURF themapagina over Open Access (SURF) / Openaccess.nl met informatie over de voordelen van Open Access publiceren (SURF)

#

Open Access bij (Auteurs)wet geregeld

open accessStaatssecretaris Dekker kondigde in november 2013 al zijn voornemen aan het een en ander te willen wijzigen in de wetenschappelijke publicatiecultuur door – middels Open Access – een betere toegankelijkheid van wetenschappelijke publicaties en onderzoeksgegevens te bewerkstelligen.

Mijn uitgangspunt is dat resultaten van publiek en publiek/privaat gefinancierd onderzoek altijd vrij beschikbaar moeten zijn. Omdat het om publiek geld gaat, en er voor de uitrol van Open Access technisch in principe geen belemmeringen zijn, acht ik het van belang dat dit binnen afzienbare tijd gebeurt.

Daar heeft de staatssecretaris ook ideeën bij – die overigens makkelijker gezegd dan gedaan zijn – en hij is van plan om in 2016 een verplichting voor Open Access publiceren van onderzoeksresultaten van met (deels) publieke middelen gefinancierd onderzoek, op te nemen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Als het nodig is, voegde hij er aan toe maar gezien alle praktische hindernissen kan ik me bijna niet voorstellen dat het niet nodig zal zijn.

Of alle media-aandacht de laatste tijd over de kwaliteit (en de kwantiteit) van wetenschappelijke output een rol gespeeld heeft durf ik niet te zeggen maar steeds vaker krijg ik het idee dat Open Access ook gezien wordt als een goede manier om tot meer transparantie te komen in het wetenschappelijk publiceren. Hoe beter de toegankelijkheid is, hoe beter ook de controle kan zijn op wat zich achter de schermen van het publiceren afspeelt.

Eén van die aspecten achter de schermen van het (Open Access) publiceren heeft te maken met auteursrecht. Auteurs/onderzoekers willen (of moeten) in toonaangevende vaktijdschriften gepubliceerd worden en ondanks alle aandacht en focus op open accessbeleid betekent dat nog steeds dat er vaak rechten overgedragen moeten worden aan de uitgever van een tijdschrift om te kunnen publiceren op een wijze die onderzoekers wenselijk vinden. En dan is het een gepasseerd station als je de onderzoeksresultaten ook nog Open Access beschikbaar wilt maken want je kunt slechts één keer bepalen wat je met je auteursrechten wilt doen. Het is of het één of het ander.

Of toch niet?

Het ligt voor de hand om de facilitering en stimulering van Open Access publiceren te borgen in een wet. Maar of je dat bereikt door een additionele verplichting op te nemen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is maar zeer de vraag. De reikwijdte van deze wet is relatief beperkt (tot de onderwijs- en onderzoeksinstellingen) en bestaande praktijken, publicatiecultuur en andere belangen zullen net zo zwaar blijven meetellen als een additionele verplichting om Open Access te gaan publiceren. En in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek kun je wel iets gaan verplichten maar is het ondoenlijk om de bijkomende randvoorwaarden te regelen. Wie bekostigt deze publicatieroute, wanneer moet het per se en wanneer niet en je behoudt dezelfde problemen rondom de overdracht van auteursrechten.

Juist de positie van auteurs als het gaat om het overdragen van hun auteursrechten staat echter al centraal in een compleet ander wetsvoorstel waar al jaren aan gewerkt wordt. De wet Auteurscontractenrecht stelt een wijziging voor van zowel de Auteurswet als de Wet op de naburige rechten om de positie van auteurs en uitvoerenden te versterken in de auteursrechtwetgeving. Ik ga er verder op in zodra er zicht is op een daadwerkelijke behandel- en ingangsdatum maar in het kort komt het er op neer dat een maker van een werk een licentie moet verlenen voor het geheel of een gedeelte van het auteursrecht aan een ander voor exploitatie. Aan deze exploitatieovereenkomst zitten dan echter wel beperkingen die meer controle geven aan de makers en uitvoerenden. Zoals een ‘bestseller’ voorwaarde die een aanvullende vergoeding oplevert voor een auteur als zijn of haar werk commercieel succesvoller is dan verwacht. En een ontbindende voorwaarde als bijv. een uitgever een werk niet (meer) uitgeeft zodat een auteur dat werk zelf (of via een andere partij) kan exploiteren. Vandaar ook de naam van het wetsvoorstel want er wordt veel meer gestuurd op het aangaan van contracten waarbij beide partijen zich goed bewust dienen te zijn van hun rechten en plichten.

Het ligt dan ook veel meer voor de hand om Open Access te faciliteren in de Auteurswet, moet kamerlid Taverne van de VVD gedacht hebben. Afgelopen week bracht hij een amendement in op het wetsvoorstel Auteurscontractenrecht die een nieuw artikel (25fa) moet gaan toevoegen aan de Auteurswet.

Artikel 25fa
De maker van een kort werk van wetenschap waarvoor het onderzoek geheel of gedeeltelijk met publieke middelen is bekostigd, heeft het recht om dat werk na verloop van een redelijke termijn na de eerste openbaarmaking ervan, om niet beschikbaar te stellen voor het publiek, mits de bron van de eerste openbaarmaking daarbij op duidelijke wijze wordt vermeld.

Deze bepaling is deels geïnspireerd op artikel 38 lid 4 van de Duitse auteurswet zoals die per 1 januari 2014 is gaan gelden maar ook op auteursrechtwetgeving die inmiddels in o.a. Amerika van kracht is geworden.

Zoals Taverne ook in de Toelichting beschrijft:

Door deze bepaling behoudt de auteur het recht om zijn wetenschappelijk werk dat met openbare middelen is gefinancierd gratis via internet in open access beschikbaar te stellen. Werk van personen in dienst van een universiteit of ander door de overheid gefinancierde onderzoeksinstelling wordt geacht geheel of gedeeltelijk met openbare middelen zijn is bekostigd. De term «voor het publiek beschikbaar stellen» verwijst naar de openbaarmakingsvorm waarbij materiaal per draad of draadloos voor leden van het publiek beschikbaar wordt gesteld op zodanige wijze dat zij daartoe op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegang toe hebben». Dit is de internationaal gebruikelijke omschrijving van beschikbaarstelling via internet. Voorwaarden zijn dat de beschikbaarstelling geschiedt om niet, hetgeen een wezenskenmerk is van open access, en dat de bron van de eerste openbaarmaking, bijvoorbeeld het wetenschappelijke tijdschrift waarin het werk voor het eerst is gepubliceerd, wordt vermeld.

Deze bepaling is echter wel een stuk flexibeler dan vergelijkbare bepalingen in de wetgeving van Duitsland en Amerika. Zo wordt de termijn waarop een artikel Open Access gepubliceerd mag worden niet gefixeerd maar is dat onderwerp van te maken afspraken zodat ook de (financiële) belangen van een wetenschappelijke uitgever bewaakt worden die immers wel moet investeren in het publiceren en het organiseren van peer review. En dan maakt het wel verschil met welke frequentie een tijdschrift artikelen publiceert en in welk vakgebied er gepubliceerd wordt. In de Toelichting vermeldt Taverne dat er bij geschillen over de termijn een rechter aan te pas kan komen hoewel dat wellicht iets laagdrempeliger georganiseerd kan worden me dunkt.

Mits en zodra deze bepaling geldend recht wordt in de Auteurswet zou het meer kunnen doen voor de toegankelijkheid van wetenschappelijke publicatie en onderzoeksgegevens dan alleen maar een verplichting in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. In plaats van of het één of het ander heb je dan wel ineens beide opties tot je beschikking als je gaat publiceren. Ook al kies je voor traditioneel publiceren met overdracht van rechten bij een wetenschappelijke uitgever, na een bepaalde termijn kun je datzelfde artikel alsnog gratis (Open Access) beschikbaar stellen zonder dat je dit in een overeenkomst vastgelegd hoeft te hebben. Mits je daarbij vermeldt waar het artikel oorspronkelijk (in) verschenen is.

In het ideale scenario zou de route naar Open Access publiceren overigens in beide wetten vastgelegd kunnen worden. In de Auteurswet om een auteur/onderzoeker de wettelijke mogelijkheid daartoe te geven en in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek om de prikkel te geven ook daadwerkelijk gebruik te maken van die wettelijke mogelijkheid.

Een Open Access een-tweetje als het ware.

#

Pagina 1 of 6123...Laatste »
  • © 2006- 2015 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top