Hoe kun je als bibliothecaris bijdragen aan open access en open onderwijs?

open access

Onderwijsbibliotheken, en ik focus me hier even op hogeschoolbibliotheken want daar werk ik nu eenmaal, staan op de drempel van grote veranderingen. Natuurlijk, de leeromgeving (de studieplekken) en de collecties blijven onverminderd belangrijk voor deze bibliotheken maar in een tijdperk van grootscheepse bezuinigingen en een overdaad aan vrijelijk beschikbare informatiebronnen op internet valt het nog niet mee om je meerwaarde aan te (blijven) tonen. Wat dat betreft verschillen alle soorten bibliotheken uiteindelijk maar weinig van elkaar.

Oude taken maar nieuwe rollen
Hoe bijzonder is het dan dat onderwijsbibliotheken nu de gelegenheid krijgen om zichzelf opnieuw te definiëren? Om een nieuwe rol te pakken voor het onderwijs? Onderwijsinstellingen zijn tegenwoordig namelijk steeds drukker met het produceren van (open) onderwijsmateriaal en onderzoekspublicaties. Niet alleen wordt er meer en meer gewerkt met kennisproducten van anderen in het onderwijs, er wordt ook steeds meer zelf gemaakt. Onderwijsinstellingen zijn kennisinstellingen. Of willen dat heel graag zijn.

Nou zou elke medewerker van een dergelijke kennisinstelling idealiter prima in staat moeten zijn om ook adequaat, zorgvuldig en verantwoord om te kunnen gaan met al die kennisproducten. De realiteit dat dit niet het geval is – en het ook nooit zo gaat worden – geeft de bibliotheek een perfecte plek in een dergelijke instelling. Nietwaar?

In het trendrapport Open Educational Resources 2013 ziet Cora Bijsterveld wel nieuwe rollen voor juist de onderwijsbibliotheken. Die ziet ze vooral als content curator voor al het open onderwijsmateriaal dat inmiddels beschikbaar is maar in hetzelfde trendrapport gaat het ook over open leermiddelen, open access en de rol van uitgevers. De conclusies die Saskia de Rijk en Paul Vermeulen hierin maken sluiten prima aan bij mijn eigen: zowel het onderwijs als de bibliotheken moeten meer doen met hun eigen materiaal. Onderwijs- en onderzoeksmateriaal wordt aan de lopende band geproduceerd en het is aan de instellingen en bibliotheken zelf om hier het optimale uit te halen. Kennisproducten die niet bij uitgevers beschikbaar zijn en die zeker niet even via Google te vinden zijn. Een unieke monopoliepositie zo je wilt.

Eerlijk delen en beschikbaar stellen
Dat wil niet zeggen dat je er al bent als je besluit dat dit je nieuwe gat in de markt is. Want al die medewerkers van onderwijsinstellingen zijn niet zo ideaal als het gaat om het (willen) delen van al het materiaal dat ze produceren. Iedereen wil graag andermans materiaal gebruiken maar delen, daar zijn toch snel redenen voor te vinden om niet meteen het achterste van je tong te laten zien. In, jawel, datzelfde trendrapport schetsen Wilfred Rubens en Wim Didderen maar liefst 12 van dat soort redenen die belemmerend werken voor medewerkers in het onderwijs als het op delen aankomt.

Goed voorbeeld doet volgen?
De bibliotheek heeft een mooie uitdaging om samen met die medewerkers, ondersteund door te ontwikkelen beleid van de onderwijsinstellingen, aan de slag te gaan met het verwerven en beschikbaar maken van al dat materiaal. Ook als individuele bibliothecaris kun je nu al het goede voorbeeld geven. Niet alleen door zelf gebruik te maken van open access publicaties, materiaal met een Creative Commons licentie of publicaties uit een repository. Maar vooral door zelf je kennis te delen met anderen. En je eigen kennisproducten actief beschikbaar te maken voor anderen. Ook voor bibliothecarissen/informatiespecialisten is het niet perse vanzelfsprekend om dat te doen heb ik de afgelopen jaren ervaren.

Wat kan ik NU zelf doen?

  • Ga bloggen, twitteren, Googleplussen etc. en schrijf, twitter en update iedereen over de onderwerpen waar je iets over te vertellen hebt. Bibliothecarissen zijn traditioneel vraagbaken geweest en kunnen dat nog steeds zijn maar je moet jezelf wel laten zien!
  • Deel het onderwijsmateriaal dat je zelf gemaakt hebt voor trainingen, workshops en presentaties. Denk aan Slideshare voor je presentaties en wees niet te bescheiden om naar Wikiwijs te kijken om je workshopmateriaal te delen. Ook jij produceert producten waar anderen gebruik van zouden kunnen maken.
  • Deel je teksten, afbeeldingen, wat voor content dan ook onder een Creative Commons Naamsvermelding licentie of een Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen licentie. Het zijn de twee ruimste Creative Commons licentie waarbij een hergebruiker zelf verder kan bouwen op je content en alleen een naamsvermelding verplicht is (en dat bewerkt materiaal alleen verspreid mag worden met een soortgelijke licentie). Wat me doet beseffen dat ik de CC licentie van dit blog dan ook moet versoepelen eigenlijk.

Door zelf te delen, te delen en nog eens te delen. Zo kun je als bibliothecaris bijdragen aan zowel de ontwikkelingen binnen je onderwijsinstelling als de toekomst van de bibliotheek waar je werkt. Dat zou ons als informatieprofessionals toch heel eenvoudig moeten afgaan.

Nietwaar?

@foto: Carlos Maya via photopin cc

#

Op het nachtkastje: trendrapport Open Educational Resources 2013

trendrapport open educational resourcesDeze week vindt de internationale Open Education Week plaats die aandacht vraagt voor laagdrempelig onderwijs en toegang tot open leermaterialen. De Special Interest Group van SURF over Open Educational Resources bracht daarom op de eerste dag het Trendrapport Open Educational Resources 2013 uit met 15 bijdragen over diverse trends in Open Educational Resources voor de Nederlandse hoger onderwijs-, bibliotheek- en uitgeverswereld. Deze worden afgewisseld met 15 intermezzo’s die praktische voorbeelden en tips geven voor iedereen die geïnteresseerd is in Open Educational Resources.

Hoewel ze ongetwijfeld allemaal het lezen waard zijn, werd mijn aandacht vooral getrokken naar een drietal artikelen uit het trendrapport. Pierre Gorissen van Fontys schreef een artikel over de trends en kansen als het gaat om open tekstboeken (wat ik nog steeds geen geweldige vertaling vind van open textbooks). Cora Bijsterveld gaat in op een nieuwe rol bij content curation van de bibliotheek in het hoger onderwijs. En ook de trends, kansen en bedreigingen richting de uitgevers bij open access en open educational resources worden besproken door Saskia de Rijk en Paul Vermeulen. Alle drie de artikelen zijn verplichte kost als je in een onderwijsbibliotheek werkzaam bent wat mij betreft.

Zoals het hoort natuurlijk is ook dit rapport vrijelijk – en in meerdere versies – te downloaden en te lezen. Een Nederlandstalige PDF in lage resolutie, een Engelstalige PDF, in een online boekomgeving en zelfs als app voor iPhone of iPad.

Lezen maar!

#

Wikiwijs voor het hoger onderwijs: waar liggen kansen? #owd12

In de derde sessieronde van dinsdag schoof ik in een grote zaal aan bij een presentatie van Robert Schuwer (Open Universiteit) over Wikiwijs en dan specifiek gericht op de mogelijkheden die het biedt voor het hoger onderwijs. De concurrentie van de overige sessies in deze ronde bleek moordend te zijn want de zaal was helaas maar door een klein groepje bezoekers gevuld. Jammer want het onderwerp van gebruik, maken en delen van open leermaterialen sloot niet alleen perfect aan bij de keynote van Anka Mulder maar verdient sowieso meer aandacht dan dat het nu krijgt.

Robert blikte eerst terug op de activiteiten die er vanuit Wikiwijs ondernomen zijn dit jaar. Lorenet (waar enkele hoger onderwijsinstellingen voorheen open leermaterialen in opgeslagen hebben) is aangesloten op Wikiwijs, men is druk geweest met een metadateringsstandaard voor vakken/modules in het hoger onderwijs aangezien deze -in tegenstelling tot het overige onderwijs- niet gestandaardiseerd zijn en er is gestart met een zgn. sectorkamer hbo/wo. De sectorkamer is een overlegstructuur met afgevaardigden van hogescholen, universiteiten en SURF dat in het leven geroepen is om de richting en strategie van Wikiwijs voor het hbo/wo te bepalen.

Onderzoek
Dit jaar is er ook een onderzoek uitgevoerd door de OU onder de hoger onderwijsinstellingen in opdracht van SURF en Wikiwijs. Dit had als doel om gebruik en bestaan van collecties van open leermateriaal in kaart te brengen en te inventariseren wat de status is van beleids(vorming) over open leermiddelen in het hbo en wo. Dit heeft geleid tot een rapport OER Hollands Landschap (PDF) waaruit enkele van de resultaten gepresenteerd worden. Hier schreef ik al eerder wat uitgebreider over.

Hoewel 7 universiteiten en 19 hogescholen gereageerd hebben blijkt dat velen niet of nauwelijks actief zijn op gebied van open leermiddelen. Ook is er slechts in heel beperkte mate sprake van een (gedeelde) visie op gebruik van open leermiddelen al geven een paar instellingen aan dat dit wel begint te ontstaan.

In het kader van dit onderzoek zijn er ook interviews gehouden met diverse bestuurders van hogescholen en universiteiten. Deze spreken zich krachtig uit voor het ontwikkelen en gebruiken van open leermiddelen maar ondanks dat lijkt er geen enkele sprake te zijn van een geïntegreerde aanpak waarbij onderwijsinstellingen ook samenwerken om deze doelen te bereiken.

Wat nu?
Wikiwijs wil nu actief instellingen gaan benaderen om materiaal vindbaar te krijgen in Wikiwijs. Hierbij gaat het dus zowel om het ontsluiten van bestaand materiaal en bestaande collecties (denk aan bijv. weblectures) als ook het materiaal rechtstreeks te verkrijgen in Wikiwijs zelf. De noodzaak om ook beleidsmakers bij onderwijsinstellingen te ondersteunen bij het formuleren van beleid rondom open leermiddelen wordt ook gezien door Wikiwijs en dat wil men, samen met SURF, ook gaan oppakken.

Uiteindelijk is het vooral een combinatie van beleid en cultuur die het delen van materiaal vanzelfsprekend moeten gaan maken, of zoals Robert het verwoordde: het inzichtelijk maken van gewin, gemak en genot voor docenten zodat ze ook hun materiaal willen delen.

Open vraag
De presentatie eindigde met de open vraag aan de aanwezigen waar Wikiwijs (meer) aandacht aan zou moeten gaan besteden. Daar kwam vanuit de zaal niet hele concrete input op terug, behalve een mogelijke andere naam en doelstelling om het beter te richten en te promoten richting het hoger onderwijs.

Je eigen instellingsrepository
Zelf sprak ik na afloop met Robert over het (beter) promoten van de mogelijkheid die Wikiwijs biedt om eigen instellingsrepositories onder/bij Wikiwijs zelf in te kunnen richten. Voor de NOH-I doen ze dit al en dat stelt deze hogeschool in staat om op een eigen plek materiaal te verzamelen terwijl er dan zowel binnen de eigen collectie als Wikiwijs-breed gezocht kan worden. Ik blijf van mening dat het (helaas?) essentieel blijft om een eigen verzamelplaats te hebben als instelling zodat beleid en cultuur in elk geval gestimuleerd kan worden met een klein beetje afscherming. Voordat alles meteen helemaal beschikbaar is voor de buitenwereld.

De rechten blijven lastig
Ook zou er meer aandacht moeten zijn bij de instellingen -en dus qua ondersteuning ook bij Wikiwijs- voor de benodigde workflow en redactie. Onderdeel van (te vormen) beleid zijn ook de diverse criteria waar materiaal aan moet voldoen voordat het publiekelijk gedeeld en gebruikt kan worden. Dat zijn o.a. kwaliteitseisen maar ook taalkundig en t.a.v het mogen gebruiken van andermans materiaal in het te delen leermateriaal moet hier goed op gelet worden. Zelf ken ik docenten die zeer teleurgesteld en gedemotiveerd waren toen bleek dat ze hun ontwikkeld materiaal eigenlijk niet mochten delen omdat ze (ook) gebruik maakten van andermans materiaal. Iets dat toegestaan en geregeld is voor het onderwijs dat ze zelf geven maar dat dus niet mag als je het publiek wilt gaan maken in bijvoorbeeld Wikiwijs. Eigenlijk zou deze huidige readerregeling breder gemaakt moeten worden wil open leermateriaal een succes worden.

Een conclusie was er eigenlijk niet aan te verbinden deze sessie maar het gevoel dat er nog ontzettend veel moet gebeuren, dat bleek eens te meer. Mijns inziens toch echt te beginnen met een duidelijke stellingname van alle hoger onderwijsinstellingen om hier serieus werk van te gaan maken. Het zijn toch de kennisinstellingen van Nederland die de motor achter open leermiddelen moet zijn en niet Wikiwijs. Het is te hopen dat bestuurders en beleidsmakers ook goed geluisterd hebben naar Anka Mulder en dat ze een volgende keer wel massaal aanwezig zijn als het over open leermiddelen gaat. De zaal was in ieder geval groot genoeg voor die ambitie.

Kijk het zelf ook nog even na
Deze sessie is ook in zijn geheel opgenomen en beschikbaar op de video pagina van de Onderwijsdagen site. De presentatie is eveneens beschikbaar via Slideshare.

Deze blogpost verscheen eerder op het blog van Dé Onderwijsdagen. De bovenstaande versie is licht gewijzigd met verwijzingen naar eerdere blogposts op Vakblog

#

De Open Access Week 2012

Deze week vindt voor de 6e keer de internationale Open Access week plaats. Daar doen ruim honderd landen aan mee, waaronder Nederland, om de voordelen en mogelijkheden van open access onder de aandacht te brengen bij onderzoeksinstellingen, universiteiten en hogescholen. Een groot aantal instellingen in Nederland organiseren diverse activiteiten de komende dagen, wat in elk geval aantoont dat het onderwerp steeds meer begint te leven.

Zelf doen we, als Windesheim, niet mee dit jaar. De week valt wederom precies in de herfstvakantie en het is volstrekt zinloos om dan iets te organiseren. Dat wil echter niet zeggen dat er geen interesse is voor open access. Onderzoekers en lectoren bij de lectoraten en kenniskringen willen graag meer weten over open access publiceren en het (beter) beschikbaar maken van hun onderzoeksoutput voor het eigen onderwijs. Heel langzaam begint het besef te komen dat dit niet vanzelf gaat en dat je ook vanuit de onderwijsinstellingen dit moet nastreven in beleid.

En met beleid alleen ben je er ook niet. Heel pragmatisch moet dit ook gefaciliteerd worden zodat je het docenten (met al dan niet open leermaterialen) en onderzoekers ook makkelijk maakt te kiezen voor zoveel mogelijk open access publiceren.

Het doel is om dit jaar nog met een publicatiebeleid op hoofdlijnen te komen zodat we als instelling duidelijk maken dat open access publiceren belangrijk is voor zowel de instelling als de auteur maar ook welke afspraken er nodig zijn met docenten en onderzoekers om dit mogelijk te gaan maken.

Met het streven om vanaf 2013 het hele jaar door veel aandacht aan open access te besteden :)

Verder lezen: Open Access website // Agenda met de activiteiten in de Open Access Week 2012 // Nederland werkt intensief samen in Open Access Week 2012

#

Hoe OER Hollands zijn open leermaterialen al?

Over Open Educational Resources (OER), of open leermaterialen, heb ik het al diverse keren gehad de laatste jaren.  Over de link tussen OER en Creative Commons, over het eigenaarschap van OER in het hbo,  de relatie tussen open leermaterialen en de Readerregeling en hoe het een (deel)oplossing biedt voor gebruik van auteursrechtelijk beschermd materiaal in het onderwijs.

Er zijn vele redenen te bedenken, praktische en ideologische, waarom je als hoger onderwijsinstelling aan de slag zou moeten gaan (en willen) met Open Educational Resources maar de praktijk is een stuk weerbarstiger natuurlijk. Om de stand van zaken in kaart te brengen bij de hoger onderwijsinstellingen heeft de Open Universiteit, in opdracht van SURF en Wikiwijs, dit jaar een onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoeksrapport OER Hollands Landschap (PDF) blijkt dat veel instellingen inmiddels iets doen met open leermaterialen maar dat er grote verschillen zijn in wel of niet aanwezig beleid, interne ondersteuning en wat er allemaal onder open leermaterialen gerekend wordt.

De gehanteerde definitie voor Open Educational Resources in het onderzoek is ook (noodzakelijkerwijs) ruim:

“Open Educational Resources zijn open leermaterialen die online beschikbaar zijn voor (her)gebruik. Het kopiëren, bewerken en verspreiden van deze materialen is onder voorwaarden toegestaan. Er zijn geen restricties aan de vorm van de leermaterialen. Het kan gaan om losse leermaterialen zoals artikelen, presentaties of weblectures, maar ook om samengestelde leermaterialen zoals Open Courseware.”

Uit onderzoek blijkt
Ongeveer de helft van de hogescholen en universiteiten hebben meegewerkt aan dit onderzoek waarbij in het rapport zelf al geconcludeerd wordt dat er nog nauwelijks sprake is van een gedeelde visie op open leermaterialen (beeld van de toekomst) in de sector hoger onderwijs. Vooral bij de hbo’s blijkt de visie en gedeeld beleid te ontbreken door gebrek aan expertise als het om OER gaat. Toch zijn er wel 7 onderwijsinstellingen (waaronder 2 hbo’s) die aangeven dat er collecties met open leermateriaal beschikbaar zijn gemaakt. Als je dan verder kijkt dan gaat het bij universiteiten vaak om volledige cursussen (open courseware) en weblectures, terwijl de 2 hbo’s ook met videoregistratie van hoorcolleges bezig zijn. iTunesU en de eigen instellingswebsites zijn dan vooral de platformen die gebruikt worden voor het aanbieden ervan.

Nu weet ik zeker dat er, kleinschaliger misschien, bij aanzienlijk meer dan die 5 universiteiten en 2 hbo instellingen initiatieven zijn rondom open leermaterialen. Bijna alle universiteiten en zeer veel hogescholen produceren weblectures en kennisclips maar dit lijkt niet terug te komen in het rapport. Ook lijkt de bijna totale afwezigheid van in Wikiwijs geplaatst materiaal (op pagina 24 is er sprake van 1 instelling) haaks te staan op het grote gebruik ervan. Iemand moet toch dat materiaal produceren, niet waar?

En nu?
Beleid, visie en praktijk moeten overduidelijk nog beter bij elkaar komen in het Nederlandse hoger onderwijs als het gaat om kennisdeling, open access en open educational resources. Er zijn veel goede voorbeelden en initiatieven in die praktijk, er zijn ook diverse bestuurders van hogescholen en universiteiten (video) met visie hierop maar een geïntegreerde aanpak waarbij de hoger onderwijsinstellingen ook met elkaar samen werken -en opgedane kennis/expertise rondom OER met elkaar delen!- laat op zich wachten. Juist van kennisinstellingen zou je meer mogen verwachten eigenlijk.

Ook op het niveau van individuele instellingen zou dit onderwerp meer aandacht moeten krijgen, vooral omdat open access en open leermaterialen geen geïsoleerde ontwikkelingen zijn. Gisteren sprak ik met een docent over de problematiek om studenten van lerarenopleidingen te voorzien van goede digitale onderwijsmethoden die door educatieve uitgevers uitgegeven worden. Veel van die educatieve uitgevers richten zich in hun digitale ontwikkelingen rechtstreeks op de student als klant waarbij aankomende leraren (en hun docenten op de opleiding) dus maar zelden kunnen beschikken over alle methoden die zij in hun onderwijs zouden willen gebruiken. Met de ironie dat veel van die onderwijsmethoden geschreven worden door docenten van lerarenopleidingen van hbo instellingen.

Nu moet je het proces van een uitgever om goede schrijvers te vinden en te begeleiden absoluut niet onderschatten maar het blijft bizar dat door instellingen zelf geproduceerd lesmateriaal niet gedeeld wordt binnen en tussen de instellingen, maar via uitgevers als sigaar uit eigen doos terug gekocht moeten worden. De uitdaging van zelf met open leermaterialen aan de slag te gaan als onderwijsinstelling zou vooral de uitdaging moeten zijn om ipv alleen kennisoverdracht vooral de expertise en kennis te ontwikkelen om die kennis ook te produceren, faciliteren en uit te geven. Dat zou de verbinding kunnen geven tussen beleid en praktijk en wellicht tot echte grote stappen kunnen leiden.

Het zal nog even duren voordat je kunt stellen dat open leermaterialen OER Hollands zijn.

@ foto: Ewa Rozkosz via photopin cc
Verder lezen: “Open Educational Resources – a Historical Perspective” // Nederlands hoger onderwijs zet stappen met open leermaterialen // OER bij SURF

#

Over toegang tot gratis en betaalde informatie en waarom bibliotheken het onderscheid doen vervagen

Vanuit het perspectief van een gemiddelde consument is internet natuurlijk de bron (geworden) van veel en gratis informatie. Er is geen onderwerp te bedenken of er zijn sites over gemaakt, Wikipedia pagina’s mee gevuld of mensen over te bevragen op sociale media. Dat zorgt er weliswaar voor dat mensen tegenwoordig eenvoudig en laagdrempelig informatie kunnen vinden maar tegelijk ook dat er steeds minder besef is van de kwaliteit en de waarde ervan. Alleen al het feit dat er wordt gesproken over gratis informatie, gratis te vinden, gratis te downloaden brengt langzaam het idee naar voren dat alle informatie en content gratis zou moeten zijn en dat het eigenlijk niet meer netjes is om er nog geld voor te durven vragen. Waarom betalen voor het nieuws terwijl je dat ook op NU.nl kunt lezen? Waarom betalen voor vaktijdschriften en -artikelen terwijl de auteurs ook bloggen over de onderwerpen waar ze veel van af weten?

Vragen die geen pasklaar antwoord hebben. Omdat iedereen die vragen voor zichzelf moet beantwoorden en moet bepalen of die gratis informatie voldoende is voor wat ze willen hebben, voor wat ze zoeken. Of  dat ze toch iets anders nodig hebben dat wellicht niet gratis is.

Gratis betekent dat anderen betalen
Uiteindelijk bestaat gratis informatie helemaal niet. Iemand -en waarschijnlijk meerdere mensen- heeft er tijd en energie in gestoken om het te verzamelen, te bewerken en te publiceren. Het is laagdrempelig toegankelijk gemaakt waarbij laagdrempelig betekent dat er voor gekozen is de kosten niet door te berekenen aan de gebruikers van die informatie of die content. Misschien liggen die kosten gewoon laag, misschien is het gewoon informatie met lage waarde maar misschien wil iemand ook gewoon vrijelijk delen om andere redenen. Open access bijvoorbeeld, of iets delen onder een Creative Commons licentie. Het zegt weinig over de kwaliteit van de informatie maar veel over de bereidwilligheid van de eigenaar om het te delen met anderen.

Aan de andere kant van dat spectrum geldt precies hetzelfde. Als er (veel) kosten gemaakt worden om informatie te produceren of als er veel vraag is naar bepaalde content, dan levert dat informatie op die waardevol kan zijn. Er wordt in geïnvesteerd, feiten worden gecheckt, teksten worden geredigeerd enz. Investeringen die terugverdiend moeten worden, welke de bereidwilligheid van de eigenaar om het vrijelijk te delen stevig inperken. Oftewel, in de verwachting dat consumenten willen betalen voor waardevolle artikelen en content wordt de toegankelijkheid ingeperkt. Abonnementen, paywalls en persoonsgebonden toegangen zijn dan het gevolg.

Als die verwachtingen terecht zijn, dan betalen consumenten er ook voor. Minder dan er vroeger betaald zouden hebben maar dat is de consequentie van die stortvloed aan vrijelijk beschikbare informatie. Voor veel mensen is dat nu eenmaal ruim voldoende. Voor anderen blijft de wens bestaan om een krant te kopen, een abonnement te hebben op een vaktijdschrift of te betalen voor het gemak en kwaliteit van een gespecialiseerde database.

In onderwijs en onderzoek
Dat laatste speelt natuurlijk ook veel in het onderwijs. Hoewel er nog steeds -naar mijn smaak- teveel op Google en Wikipedia vertrouwd wordt neemt het besef toe dat als je betrouwbare en gecontroleerde digitale informatie wilt gebruiken in je onderwijs, je het kaf van het koren moet scheiden. Zowel voor vakinhoudelijke als meer wetenschappelijke content kom je dan per definitie uit op betaalde informatiebronnen en die zijn niet altijd even toegankelijk. Niet qua prijs maar ook niet qua techniek of licentie.

In de praktijk worden dit soort betaalde informatiebronnen gratis aangeboden door de bibliotheken. Alleen zijn die veelal gedwongen om dure abonnementen af te sluiten teneinde iedereen toegang te geven i.p.v. alleen diegenen die ook daadwerkelijk toegang hebben. Daarnaast zijn er zoveel interessante en relevante databanken op zoveel verschillende onderwerpsgebieden dat het vele miljoenen zou kosten om alles aan te bieden waar mogelijkerwijs vraag naar zou kunnen zijn. Bibliotheken vervullen een mooie functie in het aanbieden van zoveel mogelijk betaalde informatiebronnen maar dragen ironischerwijs juist daardoor bij aan de beleving dat het aanbod minder waardevol en zinnig is. Juist omdat het gratis wordt aangeboden. Juist omdat bibliotheken maar een fractie kunnen aanbieden (betalen) van wat er gevraagd kan worden.

Creatief met content(licenties)
Bibliotheken moeten daarom ook grotendeels af van dat massale vrijelijk aanbieden van betaalde informatiebronnen. Leveranciers van betaalde content richtten zich vroeger voornamelijk op individuele afnemers en ik denk dat het daar nu naar terug moet. Niet meer als bibliotheek een abonnement afsluiten voor iedereen maar het faciliteren dat individuele studenten en docenten makkelijk zelf rechtstreeks toegang kunnen krijgen. Eigen abonnementen, eigen toegang en ook (een deel) zelf betalen. Bibliotheken zouden zich kunnen focussen op het bemiddelen tussen het grote aanbod en de vragen van hun gebruikers. Met minder nadruk op het zelf collectioneren en aanbieden van digitale bronnen die notabene beheerd worden door de leveranciers. Geen zogeheten Big Deals waarin bibliotheken alle content van een uitgever aankopen en aanbieden in de hoop dat het voldoende gebruikt wordt maar investeren in Small Deals waarin je individuele gebruikers of groepen gebruikers toegang geeft tot die content die ze ook daadwerkelijk nodig hebben.

Alleen op die manier laat je zowel de gebruikers als de leveranciers goed de overweging maken of de content ook waardevol genoeg is om er voor te (laten) betalen. Alleen op die manier laat  je het initiatief bij de uitgever om de informatie, de content, onder de aandacht te brengen bij de gebruikers (ipv dat de bibliotheken hier een rol in moeten nemen). Alleen op die manier laat je gebruikers nadenken over de toegevoegde waarde van betaalde informatie t.o.v. wat ze vrijelijk en gratis op internet kunnen vinden.

Laten we reëel zijn, iedereen denkt pas na over de waarde en het belang van iets als je daar zelf voor moet betalen.

#

Gezocht: docenten die echt open digitaal leermateriaal gebruiken

“Helft gebruikt digitaal leermateriaal door docenten is open” was de kop van menig nieuwsartikel vorige week naar aanleiding van de onderzoeksrapportage van het Wikiwijs-onderzoek 2012 onder 1.568 docenten uit het po, vo, mbo, ho en wo. Ik las het eerst bij de Open Universiteit, toen bij e-learning.nl en daarna nog een keer op de site van Informatie Professional.

Ik las dat drie keer omdat die constatering nogal afwijkt van mijn eigen ervaringen. Ik werd er overigens niet heel veel wijzer van om het drie keer na te lezen want alle stukjes bevatten ongeveer dezelfde citaten uit de (samenvatting van de) onderzoeksrapportage zelf (PDF). Met meer dan 150 pagina’s is dat ook niet iets dat je snel even doorleest maar goed, ik poogde wat meer te vinden over de precieze definitie van open leermaterialen. Na jaren over auteursrechten en leermiddelen gesproken te hebben met docenten in het hoger onderwijs kan ik mij namelijk niet aan de indruk onttrekken dat hun definitie van open leermaterialen enigszins afwijkt van de mijne.

Op pagina 6 van het rapport is al meteen (netjes) te vinden:

Docenten gebruiken ongeveer net zoveel open als gesloten digitale leermaterialen (resp. 52% en 48%). Met open leermateriaal wordt digitaal materiaal bedoeld dat online vrij beschikbaar is voor (her)gebruik. Het kopiëren, bewerken en verspreiden van deze materialen is onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Er zijn geen restricties aan de vorm van deze leermaterialen. Bij gesloten leermateriaal is dit niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat het auteursrecht dat verbiedt, of omdat het materiaal door zijn vorm (bijvoorbeeld een digitaal boek) niet door een ander kan worden aangepast.

Dat is wel iets uitgebreider samengevat dan wat er aan al die docenten daadwerkelijk gevraagd is. In de bijlagen vind je die namelijk ook terug en daar staat redelijk summier: OPEN materialen kun je gratis gebruiken, zijn vrij te bewerken en te verspreiden. GESLOTEN materialen zijn doorgaans niet gratis en worden vaak bij een methode geleverd.

En nu wil ik niet heel flauw doen maar de gemiddelde docent die *ik* ken -en ja, ik scheer nu wel alles over 1 kam- lijkt onder open leermateriaal te verstaan wat hij of zij gratis ergens kan vinden. Dat sluit ook wat nauwer aan bij de feitelijke vraagstelling dan de nuance die in de samenvatting bij de conclusies wordt aangebracht. Als je dan ook nog bedenkt dat de meerderheid van hbo docenten Nederlandstalig leermateriaal gebruikt/maakt en dat Wikiwijs juist voor hbo docenten nog geen enorm grote collectie heeft (hbo kwam redelijk laat als sector erbij in Wikiwijs), dan durf ik toch wel enige kanttekeningen te plaatsen bij de conclusies.

Zo vind je o.a. ook nog terug dat:  (pagina 27) In het [..] het hoger onderwijs wordt juist meer gebruik gemaakt van open digitale leermaterialen (hbo/wo:65%) en (pagina 28) Het meest gebruikte digitale materiaal bestaat uit audio- of videofragmenten. Ook blijkt de populatie voor het ho uit 177 personen (=12%) te bestaan.

Dus wat zegt dit onderzoek nou precies? Zou meer dan de helft van docenten in het hoger onderwijs “echt” open digitaal leermateriaal gebruiken? Conform de definitie die ook in de samenvatting te vinden is? Of is het aannemelijk dat docenten bij deze vraag simpelweg alles hebben meegenomen wat ze op internet (YouTube, Uitzending Gemist, Academia) gratis gevonden en gebruikt hebben? Het wil er bij mij in ieder geval niet in dat de meerderheid van docenten, of zelfs van die 177 respondenten, correct onderscheid maakt tussen open en gesloten leermateriaal. Maar wie weet zit ik er gewoon naast?

Laat ik zelf dan de vraag stellen: ben je (of ken je) een docent in het hoger onderwijs die open digitaal leermateriaal gebruikt voor je lessen? En dan met de definitie dat met open leermateriaal digitaal materiaal wordt bedoeld dat online vrij beschikbaar is voor (her)gebruik. Het kopiëren, bewerken en verspreiden van deze materialen is onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Bij gesloten leermateriaal is dit niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat het auteursrecht dat verbiedt, of omdat het materiaal door zijn vorm (bijvoorbeeld een digitaal boek) niet door een ander kan worden aangepast.

Voel je vrij om met een comment je ervaring of mening te geven. Ik ben oprecht benieuwd.

@foto freshelectrons via photo pin cc

#

Over cherry picking bij scripties in Open Access

Naar aanleiding van zijn blog ‘Open Access van afstudeerwerken versus kwaliteit en imago’ hebben Raymond en ik via twitter een discussie gevoerd over het al dan niet zuiver zijn van toepassen van cherry picking bij het opnemen van scripties – onder Open Access – in HBO Kennisbank. Al snel besloten we tot een verdere discussie via een blog, waarbij dit mijn bijdrage is. Laat ik mezelf eerst kort voorstellen: Ik ben Germaine Ramak, fiscaal jurist en docent belastingrecht. Sinds enkele jaren begeleid ik rechtenstudenten bij het schrijven van hun scriptie via mijn onderneming ‘Scriptiecoach’. Ik blog sinds kort zelf regelmatig op Scriptiecoach.

Open Access (OA) is het gratis publiceren van wetenschappelijk werk op het internet met als doel kennis voor iedereen vrij toegankelijk te maken www.righttoresearch.org . De achterliggende gedachte is dat kennis een belangrijke rol speelt voor onderzoek en dat een onderzoeker niet afhankelijk zou moeten zijn van afgegeven licenties door uitgevers. Uitgevers geven op basis van betaalde licenties onderwijsinstellingen toegang tot digitale tijdschriften en deze toegang is beperkt tot de gebruikers van desbetreffende onderwijsinstelling. Dit is een beperking, voornamelijk voor studenten van hogescholen die geen of slechts een sobere digitale bibliotheekvoorziening hebben. Door OA zou informatie vrij toegankelijk moeten zijn, echter onderwijsinstellingen blijken bij het opnemen van scripties en andere wetenschappelijke publicaties in HBO Kennisbank veelal op cijfers te filteren. De vraag die ik hier wil beantwoorden is of en in welke mate onderwijsinstellingen die onder OA afstudeerwerken beschikbaar stellen in HBO Kennisbank mogen filteren op hoge eindcijfers, het zgn cherry picking.

De stelling van Raymond dat ‘als een afstudeerwerk voldoende is voor een diploma, dan is het ook voldoende om opgenomen te kunnen worden in de HBO Kennisbank’ kan geen standhouden en wel om de volgende reden. Cherry picking sluit nauw aan bij het doel van OA: het delen van hoogwaardige (wetenschappelijke) kennis. Een publicatie kan naar mijn mening alleen hoogwaardig zijn en een inspiratiebron voor andere onderzoekers als de kwaliteit van een hoog niveau is. Het beoordelingcijfer van een scriptie is een sterke indicator voor de kwaliteit en daarom niet onbelangrijk voor opname – onder OA- in HBO Kennisbank. Afgezien van het feit dat de onderwijsinstelling, en waarschijnlijk ook de student, niet graag de mindere scriptie wil etaleren zal een onderzoeker ook minder geïnteresseerd zijn in de uitkomsten van een dergelijk onderzoek. Het is namelijk gissen op basis waarvan de scriptie het wel ‘gehaald’ heeft. De beoordeling per onderdeel van de scriptie is immers niet openbaar en wellicht is de voldoende met name gebaseerd op de getoonde zelfstandige werkwijze van de student en in mindere mate op de inhoud van de scriptie.

Kom ik bij Raymond ’s tweede stelling: ‘Het is de bezoeker, zoals bijvoorbeeld het beroepenveld, van HBO Kennisbank die de relevantie van de scriptie kan beoordelen en niet de onderwijsinstelling’. Laat ik het beroepenveld als informatiezoeker nader onder de loep nemen. Regelmatig worden door het bedrijfsleven scriptieprijzen ingesteld. Neem bijvoorbeeld NVM die behoefte heeft aan nieuwe ideeën en verhelderende wetenschappelijke inzichten voor de woningmarkt: ‘help de woningmarkt en win € 5.000 met je scriptie‘. Als ik de voorwaarden er op nalees zie ik dat je alleen mee kunt dingen naar de prijs als het eindcijfer van je scriptie minimaal een 7 (zeven) is. Een zuivere vorm van cherry picking. En hiermee sneuvelt ook de stelling dat een beroepenveld een scriptie met een lage waardering net zo relevant vindt als een door de onderwijsinstelling als goed bestempelde scriptie.

Laat ik mij constructiever opstellen en het vanuit Raymond’s standpunt benaderen: Op zich zou het opnemen van alle scripties in de kennisbank een aanwinst kunnen zijn voor studenten. De student kan inspiratie opdoen en voortbouwen op het werk van andere studenten. Ook is er wat voor te zeggen om geen selectie vooraf toe te passen om alle schijn van censuur te vermijden. Ik meen echter dat het filteren van scripties op hoge eindcijfers een doel dient: de gebruiker een zekere mate van garantie bieden dat het om werk van hoge kwaliteit gaat.  Een alternatief zou zijn om het toegekende cijfer aan de scriptie openbaar te maken. Alleen op die wijze kan de student als gebruiker een afweging maken of en in hoeverre hij de beoordeling door de onderwijsinstelling mee laat wegen bij de keuze om het desbetreffende werk te gebruiken bij zijn onderzoek.

@ foto via Tim Wilson/Flickr

#

Open access van afstudeerwerken versus kwaliteit en imago


Hoe je als hogeschool invulling moet geven aan Open Access blijft een boeiende discussie. Niet alleen -voor het hbo- ‘nieuwe’ onderwerpen als auteursrechten en onderzoekspublicaties komen daarbij aan bod, ook over andere soorten publicaties wordt nu nagedacht. Hoe wil je als instelling omgaan met door docenten geschreven boeken die door uitgevers op de markt gebracht worden. Feitelijk onderwijsmateriaal waar de rechten bij de onderwijsinstelling liggen maar wat vervolgens niet vrijelijk beschikbaar voor datzelfde onderwijs wordt gemaakt.

Ook willen hogescholen soms beleid maken t.a.v. afstudeerwerken van studenten. Nou hebben die studenten zelf de rechten op hun scriptie en kunnen ze die aanleveren bij de HBO Kennisbank om deze -onder open access- beschikbaar te maken. Dat is een groot goed mijns inziens maar levert soms wel wat frictie op. Al vanaf het prille begin werd de discussie gevoerd over de kwaliteit van scripties in de HBO Kennisbank. Opleidingen en hogescholen zien natuurlijk graag een hoge kwaliteit van ‘hun’ afstudeerwerken terug omdat dit ook op hun reflecteert. Juist in een tijdperk waar de kwaliteit van afstudeerwerken bij accreditaties nauwkeurig onder de loep genomen wordt wil je (natuurlijk) niet dat de zesjes zo eenvoudig en laagdrempelig te vinden zijn op internet.

Ook wij zijn geen uitzondering. Bij het praten over publicatiebeleid voor afstudeerwerken, lesboeken/onderwijsmateriaal en onderzoekspublicaties wordt de wens uitgesproken om waar mogelijk te sturen op kwalitatieve en innovatieve afstudeerwerken namens onze instelling in de HBO Kennisbank. Een begrijpelijke wens maar wel eentje die ik haaks op de open access gedachte vind staan en die te gemakkelijk als censuur kan worden opgevat.

In al die jaren HBO Kennisbank is mijn standpunt daar niet in veranderd. Als een afstudeerwerk voldoende is voor een diploma, dan is het ook voldoende om opgenomen te kunnen worden in de HBO Kennisbank. Vind je als opleiding, als hogeschool, het niveau van de afstudeerwerken niet representatief genoeg voor in de HBO Kennisbank? Dan moet je de beoordelingseisen van de opleidingen zelf gaan aanscherpen. Daar word je immers ook op afgerekend door de maatschappij en accreditatiecommissie. Cherry picking, alleen afstudeerwerken die met een 7, 8 of misschien wel een 9 zijn beoordeeld laten opnemen in de HBO Kennisbank, dat is niet zuiver. Ook de zessen zijn relevant als het om open access gaat. Niet een opleiding of hogeschool moet de relevantie van een scriptie voor een bezoeker van de HBO Kennisbank beoordelen, dat kan en wil die bezoeker zelf wel. Niet een opleiding of hogeschool moet bepalen of een afstudeerwerk representatief is voor de instelling, de afgestudeerde student (die het auteursrecht notabene heeft) dient te bepalen of het werk representatief is voor zijn of haar kunnen.

Natuurlijk moet je als onderwijsinstelling nadenken over het beter zichtbaar maken van afstudeerwerken die bovengemiddeld zijn. Opleidingen en studenten samen kunnen trots zijn op hun prestaties en die mogen in het zonnetje gezet worden. Vernieuwende ideeën, innovatieve oplossingen, toepassen van bestaande concepten in nieuwe omgevingen, daar wil je mee gezien worden.

Alleen moet je dit niet verwarren met wat je als instelling wilt met (open access) publicatiebeleid.

#

Over publiceren van afstudeerwerken die vertrouwelijke informatie bevatten

Het probleem is eigenlijk van alle tijden voor een hbo bibliotheek. Scripties die niet in de bibliotheek geplaatst werden omdat ze vertrouwelijke informatie bevatten. Je kwam er nooit precies achter wat voor soort vertrouwelijke informatie er dan wel niet in zou moeten staan dat het betekende dat het niet in de bibliotheek mocht staan maar ja, vertrouwelijk he? Je kon dan nog wel wat tips geven om te voorkomen dat het niet geschikt was voor opname in de bibliotheekcollectie maar studenten, onderwijs en de organisaties waar afgestudeerd werd hadden weinig belang om daar acties op te ondernemen.

Toen in 2006 de HBO Kennisbank tot stand kwam veranderde daar niet veel aan. De hogescholen hadden natuurlijk toestemming nodig van de studenten om hun afstudeerwerken in de HBO Kennisbank te plaatsen en onderdeel van die toestemming was dat de organisatie waar de afstudeeropdracht was uitgevoerd geen bezwaar had tegen het openbaar maken van dat afstudeerwerk. En ook al zitten er (zeker tegenwoordig) veel voordelen aan voor een student, hogeschool en ook organisatie dat een afstudeerwerk gepubliceerd wordt, nog steeds nemen vele studenten het zekere voor het onzekere en publiceren ze het niet in de HBO Kennisbank.

Dat komt vooral omdat je nogal verschillend kunt kijken naar het begrip vertrouwelijke informatie. Dat concurrentiegevoelige jaarcijfers vertrouwelijk zijn, dat snapt iedereen. Maar zijn namen en/of telefoonnummers van medewerkers vertrouwelijk? Organisatorische gegevens dan? En productgegevens? Daar moet je niet achteraf over discussiëren, daar moet je vooraf als student afspraken over maken. Als student heb je zeker voordeel bij het publiceren van je afstudeerwerk. Het is je visitekaartje voor de arbeidsmarkt dat door toekomstige werkgevers bekeken kan worden. Het is jouw introductie waarmee je zichtbaar wordt voor vakgenoten en in je gekozen vakgebied. Als een student vooraf rekening houdt met dit aspect kan bijvoorbeeld de structuur van het verslag meteen zo ingericht worden dat publicatie van het afstudeerwerk én geheimhouding van vertrouwelijke informatie op een juiste manier samen kunnen gaan.

Heb je als student toch te maken met vertrouwelijke informatie, dan kun je er o.a. voor kiezen om een aangepast en bewerkt afstudeerwerk aan te leveren waar je de voor het oorspronkelijke werk essentiële vertrouwelijke informatie uit verwijderd hebt. Hierbij kun je denken aan verschillende scenario’s om een aangepast afstudeerwerk te maken:

  1. Vertrouwelijke gegevens zo mogelijk niet opnemen.Het is altijd goed om eerst grondig te bekijken of opname van dit soort informatie in het afstudeerverslag überhaupt wel nodig is. Persoonlijke informatie als telefoonnummer of adres vormen geen onderdeel van het afstudeerverslag. Indien gewenst voor het bedrijf,  kan deze informatie als een apart inlegvel in het verslag gevoegd worden. Waarschijnlijk worden de begeleiders vanuit de opleiding in het afstudeerverslag genoemd. Maar ook van hen worden geen persoonlijke gegevens opgenomen en daarnaast ook bijv. geen interne telefoonnummers van de opleiding.
  2. Verwijderen van tekstdelen. Het verwijderen van tekstdelen kan vooral toegepast worden indien het om weinig vertrouwelijke gegevens gaat. Op de betreffende plaatsen komt dan een vermelding, dat de informatie vanwege vertrouwelijke aard verwijderd is.
  3. Vertrouwelijke gegevens in één bijlage, die niet gepubliceerd wordt. Gaat het om een grotere hoeveelheid vertrouwelijke gegevens, dan kunnen deze in een aparte bijlage geplaatst worden. Bij publicatie wordt die bijlage niet opgenomen;  in het verslag staat bij de vermelding van de bijlage dat deze wegens vertrouwelijkheid niet beschikbaar is.
  4. Anonimiseren. De naam en vestigingsplaats van het afstudeerbedrijf worden vervangen door een teken of eventueel een andere naam. Het kan zijn dat er naast gegevens van student, opleiding en bedrijf ook gegevens  van een vierde partij bij het afstudeerwerk betrokken zijn. De vertrouwelijkheid van privé-informatie van patiënten en cliënten kan gewaarborgd worden door het anonimiseren van de namen en woonplaatsen. Indien informatie eventueel toch nog ter herleiden zou zijn kan bij publicatie ook de naam van de betreffende instelling geanonimiseerd worden.
  5. Embargotermijn. Sommige informatie is slechts beperkte tijd vertrouwelijk en mag bijv. na het publiceren van een jaarverslag of een patentaanvraag wèl gepubliceerd worden. Het is dan mogelijk het afstudeerverslag te publiceren met inachtneming van een embargotermijn. De datum waarop deze embargotermijn verloopt kan aangegeven worden op het toestemmingsformulier voor de publicatie.
  6. Artikel voor een (branche)tijdschrift. Daarnaast is het vaak mogelijk om het afstudeerwerk te vertalen in een artikel voor bijv. een vaktijdschrift of brancheportaal. Bij gebruik van de licence to publish van Surf behoudt de student het recht om het artikel tegelijk ook in de eigen hogeschoolrepository te (laten) plaatsen.
  7. Kennisverslag. Naast of in plaats van het afstudeerverslag kan een kennisverslag gemaakt worden. Hierin wordt puur de verworven kennis beschreven; de context van het afstudeerbedrijf wordt daarbij weggelaten. De kennisvraag kan vanuit de eigen opleiding maar ook vanuit bijvoorbeeld een lectoraat komen. Een kennisverslag bevat hierdoor in de praktijk vaak weinig tot geen vertrouwelijke informatie.

Het is vooral belangrijk om bij de bespreking van de afstudeerstage of het -project, naast bovengenoemde suggesties, ook de ruimte te verkennen om je afstudeerwerk gepubliceerd te krijgen. “Onder welke voorwaarden kan het afstudeerwerk of delen hiervan beschikbaar gesteld worden voor publicatie?” Dit is een onderdeel van de stageafspraken waarin student, bedrijf en opleiding samen bepalen welke mogelijkheden er voor publicatie zijn en hoeveel ruimte er is.

Uiteindelijk is met het openbaar en beschikbaar maken van kennisproducten iedereen gebaat maar het gaat niet vanzelf en is niet vanzelfsprekend. Kritisch nadenken over het verantwoord omgaan met kennis en informatie speelt een belangrijke rol, ook voor een student!

@ foto via RGBstock, publicatiescenario’s met dank aan Diny in ‘t Groen, Avans Hogeschool

#

Pagina 1 of 212
  • 2006- 2013 Vakblog – werken met informatie
    Powered by WordPress // Theme: Tatami by Elmastudio
Top