Recht op informatie: Uitzonderlijke uitleningen

ip recht op informatie 2013-09
In het auteursrecht hebben de openbare bibliotheken een eigen uitzondering zodat ze boeken kunnen uitlenen. Met dit leenrecht hebben uitgevers, bibliotheken en ook schrijvers een interessante en soms gespannen relatie met elkaar, zoals ik ook al eerder ondervond op dit blog. Voor het negende en laatste nummer van InformatieProfessional dit jaar probeerde ik de auteursrechtelijke kanten van deze relatie te beschrijven. Wie had gedacht dat uitleningen zo uitzonderlijk konden zijn?

-//-

“Als bibliotheekmedewerker hoop ik van harte dat de Openbare Bibliotheek de plank niet misslaat bij het interpreteren van de Auteurswet”, schreef iemand laatst op mijn blog. Het was een bezorgde reactie over de dalende leenrechtvergoedingen aan schrijvers nu het minder goed gaat met de bibliotheken in ons land. Maar wat heeft een openbare bibliotheek te maken met de Auteurswet en hoe zit dat nu met die leenrechtvergoeding?

Bibliotheken lenen al decennia boeken uit aan hun leden terwijl uitgevers en auteurs diezelfde boeken vanzelfsprekend willen verkopen.  Sinds 1971 bestaat er daarom een compensatieregeling voor de uitleen van boeken die in 1987 in de toenmalige Welzijnswet opgenomen werd. Op die manier kregen rechthebbenden een vergoeding als hun boeken geleend werden via de openbare bibliotheken.

In 1992 kwam er een Europese Verhuur- en Leenrechtrichtlijn die een exclusief recht op uitleen en verhuur toekende aan auteurs. Hierdoor volstond de compensatieregeling niet meer en was het noodzakelijk om de Auteurswet aan te passen teneinde de Europese Verhuur- en Leenrechtrichtlijn te implementeren. In 1995 gebeurde dat ook en werd er een nieuwe uitzondering in de Auteurswet geïntroduceerd: de leenrechtexceptie. Het uitlenen van een werk wordt nu ook als een auteursrechtelijke openbaarmaking gerekend maar in artikel 15c Aw wordt opgenomen dat  het uitlenen van werken geen inbreuk op het auteursrecht is. Mits daar een billijke vergoeding voor betaald wordt aan de rechthebbenden. Sinds die tijd regelt een collectieve beheersorganisatie, de Stichting Leenrecht, het innen van de leenrechtvergoeding bij de bibliotheken en het weer afdragen ervan aan de rechthebbenden. Auteurs ontvangen sindsdien via de Stichting Leenrecht daarmee een vergoeding op basis van de uitleencijfers van de door hen geschreven boeken.

Het leek een prima regeling totdat er discussies ontstonden tussen de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) en de Stichting Leenrecht over de definitie van een uitlening. En dan specifiek of een verlenging van een uitleentermijn wel of niet als een nieuwe uitlening gezien moest worden. In 2008 werd deze kwestie aan de rechter voorgelegd maar het duurde nog tot eind vorig jaar toen uiteindelijk de Hoge Raad definitief uitspraak deed. Deze oordeelde dat een verlenging van de leentermijn van een werk onderdeel uitmaakt van de oorspronkelijke uitlening en dat er geen afzonderlijke leenrechtvergoeding verschuldigd is.

Het zou niet bij die discussie over leenrechtvergoeding blijven. In veel gemeentes dalen de uitleencijfers van openbare bibliotheken, al dan niet veroorzaakt door wegbezuinigde filialen. Bibliotheken kiezen er onder druk van bezuinigingen voor om delen van hun jeugdcollecties onder te brengen bij scholen. Juist in die gemeentes die getroffen zijn door verdwenen bibliotheekfilialen wordt de samenwerking gezocht met scholen voor het opzetten van schoolbibliotheken.

Maar daar komt een uitzondering op de uitzondering in de Auteurswet bij om de hoek kijken. In de leenrechtexceptie wordt zelf ook weer een uitzondering gemaakt voor de aan onderwijs- en onderzoeksinstellingen verbonden bibliotheken. Deze zijn vrijgesteld  van het betalen van leenrechtvergoeding. De Stichting Leenrecht maakt zich nu dan ook zorgen dat bibliotheken deze beleidsaanpassing aangrijpen om geen leenrechtvergoeding af te dragen voor het deel van de collectie dat is ondergebracht bij scholen.

Zijn dat terechte zorgen van de Stichting Leenrecht? En van de bibliotheekmedewerker?  Als het gaat om de trend van minder geregistreerde uitleningen en dalende leenrechtvergoedingen, dan zal dat ongetwijfeld kloppen. Maar dat betekent niet dat bibliotheken zich niet netjes aan de wet houden.  Het is ook helemaal niet aan de openbare bibliotheken om de Auteurswet te interpreteren, net zo min als dat door bibliotheekmedewerkers of de Stichting Leenrecht gedaan hoeft te worden. Dat moet aan de wetgever en rechter overgelaten worden.

De betrokken partijen kunnen beter eerst eens met elkaar om tafel gaan zitten. Om de zorgen met de ander te delen en misverstanden alvast uit de weg te ruimen. Naar de rechter kun je altijd nog.

Jarenlang zelfs.

Bovenstaande Recht op informatie column verscheen eerder in InformatieProfessional 9 (2013).
#

Raymond Snijders

Sinds 1995 houdt Raymond zich bezig met de combinatie van ICT, bibliotheken en onderwijs vanuit het perspectief van (vooral) de bibliotheek en informatievoorziening. Thans is hij werkzaam bij de Hogeschool Windesheim als senior informatiebemiddelaar en houdt hij zich bezig met de digitale bibliotheek, contentlicenties, ebooks en auteursrecht. Over deze onderwerpen en de impact die ze (kunnen) hebben op het onderwijs en bibliotheken blogt hij sinds 2006 op zijn Vakblog. In 2013 won hij de Victorine van Schaickprijs voor zijn blog.

Comments (4) Write a comment

Leave a Reply

Required fields are marked *.


This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

  • © 2006- 2019 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en duizenden liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top