Over doorberekenen van kosten van onderwijsmateriaal aan studenten (en hoe dat anders moet)

doorberekenen van kostenAls ik kijk naar alle ontwikkelingen rondom e-studieboeken – digitale studieboeken die op de lijsten met voorgeschreven literatuur staan bij opleidingen in het hoger onderwijs – dan zijn er vele dingen die me blijven verbazen. Zoals de aanpak van de educatieve uitgevers in Nederland die, min of meer verenigd, hun aanbod bundelen via Bookshelf zonder heel erg naar de vraag te kijken. En hoe lastig de onderwijsbibliotheken het blijven vinden om hun rol te benoemen als het gaat om boeken die niet voor hun bibliotheekcollecties bedoeld zijn.

Maar wat me toch telkens weer echt verrast is hoe het onderwijs hier zelf mee omgaat. Het uitgangspunt blijft de traditionele lijst met voorgeschreven literatuur die studenten dienen aan te schaffen teneinde het onderwijs ook goed te kunnen volgen. Het is daarbij al decennia lang de praktijk dat studenten dit zelf dienen te betalen naast het wettelijk vastgestelde collegegeld dat ze betalen om als student onderwijs te mogen volgen.

De verantwoordelijkheid die docenten, de opleidingen en de onderwijsinstellingen hebben om kritisch te kijken naar de toegevoegde waarde van die voorgeschreven literatuur en om dat als een essentieel onderdeel van de kwaliteit van het gegeven onderwijs te beschouwen, lijkt daarmee echter wel grotendeels verdwenen te zijn de afgelopen jaren. Tenminste, de prikkel om dit zo optimaal mogelijk af te stemmen op zowel het onderwijs als de portemonnee van de student is er nog maar nauwelijks. Ik kom in de praktijk veel docenten tegen die simpelweg een studieboek voorschrijven en van studenten verwachten dat ze dat kopen, zonder daarbij na te denken over de consequenties als studenten dat boek *niet* aanschaffen. Omdat de prijs te hoog is of omdat men weet dat het materiaal minimaal gebruikt wordt en feitelijk er dus onvoldoende noodzaak is om het aan te schaffen. Dan mag je al blij zijn dat studenten studieboeken kopiëren als docent denk ik. Die hands off aanpak betekent ook dat er mijns inziens onvoldoende wordt nagedacht door docenten over de eisen waaraan e-studieboeken moeten voldoen. Want ineens kun je niet meer volstaan met alleen maar voorschrijven van titels en zul je moeten nadenken over hoe die digitale studieboeken in een les gebruikt (kunnen) worden door studenten en hoe je er voor zorgt dat studenten dus wel toegang hebben tot dat materiaal. Dan is het veel eenvoudiger om papieren boeken te blijven gebruiken en voor te schrijven.

Misvattingen over de ‘verplichte’ literatuur

Het gesprek hierover wordt nog complexer als docenten (en opleidingen en onderwijsbibliotheken) de voorgeschreven literatuur opvatten en interpreteren als verplichte literatuur. Lees, dat studenten verplicht zouden zijn alle studieboeken aan te schaffen die door een opleiding op de literatuurlijst wordt gezet. En dat is niet het geval want ook al mogen onderwijsinstellingen van studenten vragen de kosten van een aantal onderwijsbenodigdheden te dragen (zoals kosten van studieboeken, materialen en bijv. practica), dit mag niet verplicht worden gesteld. De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) borgt dit ook in artikel 7.50 dat stelt dat de inschrijving van een student niet afhankelijk mag zijn van een andere financiële bijdrage dan de betaling van het collegegeld, zoals begin april ook nog eens in een brief bevestigd werd door de Vereniging Hogescholen aan alle hogescholen. Eerdere toelichtingen door vorige en huidige ministers van Onderwijs Deetman, Ritzen en Plasterk geven een heldere invulling en afbakening hieraan.

Wat de wet feitelijk zegt is dat je als instelling en opleiding (ironischerwijs) in de problemen zou kunnen komen als het onderwijs niet te volgen is zonder alle voorgeschreven studieboeken, en je als student verplicht zou zijn tegen hoge kosten alles aan te schaffen. Dat studenten zelf dit probleem grotendeels ondervangen door tweedehands studieboeken te kopen, ze (deels) te kopiëren in copyshops of helemaal niet te kopen bevestigt mijns inziens alleen maar hoe bizar de ontstane situatie is. Iets dat het belang en de verantwoordelijkheid zou moeten zijn voor het onderwijs – kwalitatief onderwijsmateriaal aanbieden dat laagdrempelig toegankelijk is – wordt het probleem gemaakt van de student die op zoek gaat naar creatieve en goedkope alternatieven. Ik werk bijna 20 jaar in het hoger onderwijs en snap nog steeds niet waarom opleidingen voorgeschreven literatuur niet als onderdeel en verantwoordelijkheid van hun eigen onderwijs zien ipv als een opgelegd boodschappenlijstje voor studenten.

En dan de readers

Voorgeschreven studieboeken zijn niet de enige onderwijsmaterialen waarmee gewerkt wordt natuurlijk. Van oudsher worden er ook veel readers gemaakt die vooral hoofdstukken uit boeken en tijdschriftartikelen bevatten als achtergrondmateriaal voor een specifiek vak. Die werden in papieren vorm bijna exclusief verkocht via de reprowinkels aan studenten. Het was altijd lastig inschatten vooraf of je een reader per se nodig had, en over de sterk wisselende gevraagde prijzen voor die readers kun je ook wel een aardige discussie voeren, maar het stond een student vrij ze niet te kopen en je kon altijd beargumenteren dat het niet onredelijk was om de drukkosten door te berekenen aan studenten.

Maar dat waren niet de enige kosten die doorberekend werden. Die sterk variërende kosten voor readers kon je ook verklaren doordat docenten en opleidingen er soms voor kozen om de gemaakte kosten in het kader van de readerregeling door te rekenen in de prijs van de reader. Wederom een bizarre en ongewenste situatie aangezien de onderwijsexceptie – die de basis vormt voor de readerregeling – expliciet bedoeld is om gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken in door docenten ontwikkeld onderwijsmateriaal mogelijk te maken. De kosten hiervan (overigens grotendeels al afgedekt via een afkoopregeling) doorberekenen aan studenten beschouw ik als iets dat bestreden moet worden, niet aangemoedigd.

Je zou zeggen dat met digitale readers het probleem uit de wereld geholpen is en deels is dat ook zo. Het aantal (digitale) readers dat jaarlijks wordt geproduceerd en voorgeschreven daalt gestaag. Tijdschriftartikelen en korte hoofdstukken uit boeken kunnen binnen de readerregeling als losse bestanden in de digitale leeromgevingen worden geplaatst waarbij er geen additionele kosten worden gemaakt die uberhaupt doorbelast zouden kunnen worden. Alle studenten hebben gratis toegang tot dit onderwijsmateriaal. Zoals het hoort zou ik daar aan willen toevoegen.

Oude gewoontes slijten echter heel langzaam en niet alles valt binnen de grenzen van de afkoopregeling. Dus krijg ik met enige regelmaat de vraag van docenten of de kosten voor het gebruiken van lange artikelen en grotere delen uit boeken doorberekend kunnen worden aan studenten. Door bijv. alsnog weer readers samen te stellen en die ofwel op papier dan wel digitaal te gaan verkopen. Met de gebruikskosten inbegrepen in de prijs natuurlijk. Dat ging al zo ver dat een leverancier mij warm probeerde te krijgen voor hun systeem voor de verkoop van digitale readers aan studenten met het ‘overtuigende’ argument dat mbv dit systeem docenten de gemaakte “Stichting PRO kosten” konden doorberekenen aan de studenten. Of ik dit wilde promoten bij onze opleidingen. Je mag zelf invullen hoe de rest van dat gesprek verlopen is.

Hoe het wel zou moeten (als ik het voor het zeggen had)

Ook met een Auteurswet (onderwijsexceptie) en Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in de hand is het niet vanzelfsprekend hoe het wel zou moeten en kunnen. Jezelf de vraag stellen wat je (als docent of opleiding) wilt bereiken met het voorschrijven van onderwijsmateriaal zou daarentegen toch wel wat antwoorden moeten opleveren.

Het uitgangspunt om goed onderwijs te willen geven waarbij je gebruik wilt maken van goed onderwijsmateriaal dat daadwerkelijk toegankelijk is voor (en gebruikt wordt door) alle studenten, biedt voldoende handvaten mijns inziens. Met docenten die me vragen om gezamenlijk te kijken naar de inrichting van hun modules, vanuit het perspectief van de readerregeling, kom ik altijd snel tot drie eenvoudige overwegingen:

  1. Materialen die als achtergrond, toelichting en naslag dienen zouden voor alle studenten vrij toegankelijk moeten zijn. Docenten moeten er van uit kunnen gaan dat iedere student in de les dat materiaal gelezen *kan* hebben en door het als een reader te verkopen verhoogt alleen maar de kans dat het simpelweg niet gekocht en gebruikt gaat worden. Het gaat hier bijna altijd om artikelen en delen uit boeken en rapporten die digitaal in de ELO geplaatst worden conform de readerregeling. In de praktijk gaat het dan ook om korte overnames aangezien dat voor zowel de docent als de student geen kosten en rompslomp oplevert want dat valt onder de bestaande afkoopregeling;
  2. Onderwijsmateriaal dat te omvangrijk is om digitaal op te nemen in de ELO *en* dat eigenlijk essentieel is om het vak goed af te ronden kan door een docent worden voorgeschreven. Hierbij zou de docent idealiter goed voor ogen moeten houden dat de student zijn of haar eigen afweging maakt mbt de kosten. Docenten zouden daar ook zelf een afweging bij moeten maken hoe belangrijk ze het vinden dat de studenten daadwerkelijk dat materiaal aanschaffen en in hun bezit hebben. Er is weinig meer frustrerend voor een docent dan les te geven aan studenten die onvoorbereid deelnemen aan de les. Docenten hebben daar echter zelf wel degelijk invloed op door onderwijsmateriaal zo laagdrempelig mogelijk beschikbaar te maken en het niet als onderdeel van een boodschappenlijstje voor de student te beschouwen. De opties om zelf geschreven of door collega’s van andere instellingen geproduceerd materiaal te gebruiken worden bijvoorbeeld maar nauwelijks verkend in het hbo;
  3. Achtergrond- en naslagmateriaal hoeft niet altijd rechtstreeks beschikbaar te zijn of in het bezit van de studenten te zijn. Op het moment dat je als docent voor ogen hebt hoe je dat materiaal wilt (laten) gebruiken kun je met de bibliotheek afspraken maken of, en hoe, dat beschikbaar gemaakt kan worden voor studenten. Dat kan ouderwets door studenten te verwijzen naar papieren boeken en tijdschriften in de bibliotheek maar ook door samen met de bibliotheek afspraken te maken met uitgevers over digitale materialen. Met uitgevers die zoekende zijn naar hoe ze e-studieboeken kunnen aanbieden bijvoorbeeld. Dat is wel een traject waar je als docent ook zelf (tijd) in moet investeren maar ook dat hoort mijns inziens bij onderwijsontwikkeling. En als bonus lost dit meteen het dilemma op voor bibliotheken die worstelen met de vraag hoe ze in het digitale tijdperk hun rol moeten invullen richting het onderwijs.

Ik snap prima dat het in een onderwijsinstelling (te) vaak over begrotingen, budgetten, bekostiging en dus de kosten van het onderwijs gaat. Maar op het moment dat je die kosten deels gaat doorberekenen aan studenten en dat vanzelfsprekend gaat vinden omdat de studenten profiteren van dat onderwijs begeef je je op glad ijs. Niet voor niets publiceerde het ISO (Interstedelijk Studenten Overleg) in maart 2014 een zwartboek (PDF) met maar liefst 124 binnengekomen meldingen over extra kosten die studenten – onterecht –  verplicht moesten betalen. Van verplichte studiereizen en betalen om jezelf in te schrijven voor vakken en tentamens tot, jawel, het verplicht aanschaffen van boeken en readers. De meldingen zijn geanonimiseerd maar ik vrees dat elke onderwijsinstelling zichzelf wel kan herkennen in de voorbeelden. Helemaal als je je beseft dat die 124 meldingen in een periode van slechts vijf weken verzameld zijn door het ISO aan het begin van dit jaar.

Dus laten we het eens anders gaan doen. Te beginnen met die voorgeschreven boeken en readers.

@foto martaposemuckel via Pixabay CC0

#

Raymond Snijders

Sinds 1995 houdt Raymond zich bezig met de combinatie van ICT, bibliotheken en onderwijs vanuit het perspectief van (vooral) de bibliotheek en informatievoorziening. Thans is hij werkzaam bij de Hogeschool Windesheim als senior informatiebemiddelaar en houdt hij zich bezig met de digitale bibliotheek, contentlicenties, ebooks en auteursrecht. Over deze onderwerpen en de impact die ze (kunnen) hebben op het onderwijs en bibliotheken blogt hij sinds 2006 op zijn Vakblog. In 2013 won hij de Victorine van Schaickprijs voor zijn blog.

Comments (6) Write a comment

Leave a Reply

Required fields are marked *.


This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

  • © 2006- 2019 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en duizenden liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top