Over de nieuwe readerovereenkomst voor het hbo en hoe we het samen werkbaar kunnen krijgen

readerovereenkomstGisteren, 12 februari, presenteerde ik aan de afgevaardigden van bijna alle hogescholen de nieuwe readerovereenkomst voor het hbo tijdens een bijeenkomst van het Netwerk Auteursrechten Informatiepunten-hbo. Die readerovereenkomst is nog niet definitief want pas eind volgende maand wordt de overeenkomst tijdens een bestuursvergadering van de Vereniging Hogescholen aan de (collegevoorzitters van de) hogescholen zelf ter instemming voorgelegd, maar aangezien deze nieuwe overeenkomst mede tot stand is gekomen dankzij alle bijdragen vanuit de Auteursrechten Informatiepunten werden de veranderingen nu alvast toegelicht. Niet alleen door mij maar ook door de Vereniging Hogescholen en Stichting PRO.

Het bijzondere van deze nieuwe readerovereenkomst is niet per se wat er in opgenomen is. Natuurlijk, er zijn meerdere onderdelen aangepast die er voor moeten zorgen dat de uitvoering ervan minder stroef zal gaan dan de afgelopen vijf jaar. Maar het grootste verschil zit hem in de wijze waarop de nieuwe overeenkomst uberhaupt tot stand is gekomen. Met inhoudelijke input vanuit de hogescholen, gebundeld via het Netwerk Auteursrechten Informatiepunten-hbo en verwerkt door de Vereniging Hogescholen in samenwerking met Stichting PRO. Of zoals gisteren werd opgemerkt door PRO zelf: het is bijzonder dat de nieuwe overeenkomst door de hogescholen zelf werd gepresenteerd in plaats van dat PRO dat deed.

Hoezo een readerovereenkomst?

In artikel 16 Auteurswet, de zogeheten onderwijsexceptie, staat beschreven dat ‘verveelvuldiging of openbaarmaking van gedeelten’ van auteursrechtelijk beschermde werken ter toelichting van het onderwijs geen inbreuk vormt op het auteursrecht. Voor de opname van tijdschriftartikelen en gedeelten van boeken in readers voor het hoger onderwijs moet echter wel een ‘billijke vergoeding’ aan de rechthebbende(n) -de uitgever of de auteur- betaald worden. De Vereniging Hogescholen heeft hiervoor een regeling getroffen met het Nederlands Uitgeversverbond (NUV) en de Stichting International Publishers Rights Organisation (PRO). Deze is neergelegd in de Readerovereenkomst, voluit Overeenkomst voor de overname van korte auteursrechtelijk beschermde werken en van (korte) gedeelten uit auteursrechtelijk beschermde werken in onderwijspublicaties van hogescholen, waaronder readers (PDF). De uitvoering van deze readerregeling is in handen van de Stichting PRO, de auteursrechtenorganisatie voor uitgevers.

Stichting PRO incasseert de readerafdrachten en verdeelt ze onder de uitgevers, zowel de Nederlandse als de buitenlandse. Deze readerregeling voorziet in essentie in een afkoopsom voor de billijke vergoeding daar waar het om gebruik en overname van korte werken in onderwijsmateriaal gaat, zowel in de vorm van individuele documenten als in readers. Zolang je binnen de grenzen blijft van de in de readerovereenkomst gedefinieerde begrippen van korte gedeelten en korte werken, hoef je als docent (en hogeschool) geen additionele vergoeding te betalen aan de rechthebbenden.

Deze regeling is in de jaren 80 al bedacht voor papieren readers en er doken nogal wat praktische problemen op in de vertaalslag die gemaakt is naar het digitale tijdperk in de readerovereenkomst die in 2010 werd geïntroduceerd.

De auteursrechten PRO-blematiek en het NAI-hbo

Dat je niet zo maar alle afspraken en procedures voor papieren readers kon toepassen op de digitale wereld, kreeg onvoldoende aandacht in de totstandkoming van de readerovereenkomst 2010-2014. Hierdoor bleek de regeling in de praktijk bijzonder lastig uit te voeren te zijn. Een digitale leeromgeving is geen reprowinkel, een onderwijsmodule wordt door de docenten zelf gevuld met documenten in plaats van dat er ergens centraal een reader geproduceerd werd en die digitale content, hoort dat eigenlijk niet meer bij de hogeschoolbibliotheken thuis?

Bij steeds meer hogescholen werd de uitvoering hierdoor ook een aangelegenheid van die bibliotheken. De behoefte om hier kennis en ervaringen over uit te wisselen leidde ook rechtstreeks tot de oprichting van Auteursrechten Informatiepunten bij de hogescholen en het overkoepelende Netwerk Auteursrechten Informatiepunten-hbo (NAI-hbo).

Over alle knelpunten heb ik vaker geschreven maar oplossingen moet je nou eenmaal aan beide kanten zien te vinden. Dat was ook de reden om als NAI-hbo alle ervaringen en suggesties te bundelen (PDF) vanuit de meer dan 20 aangesloten hogescholen en deze te overhandigen aan de Vereniging Hogescholen in de aanloop naar een nieuwe readerovereenkomst. In meerdere overleggen heeft het NAI-hbo samen met Stichting PRO en de Vereniging Hogescholen alle punten kunnen bespreken. Met een nieuwe, aangepaste, readerovereenkomst als resultaat.

Lang niet alles is aangepast

Je kunt helaas geen rekening houden met de belangen en praktische situaties van meer dan 40 hogescholen. Ook is en blijft de readerovereenkomst natuurlijk een uitwerking van een artikel uit de Auteurswet die weliswaar mogelijkheden schept voor het onderwijs maar daar ook duidelijk de belangen van de uitgevers in borgt. Zo kun je bijvoorbeeld heel lang gaan discussiëren over de interpretatie van ‘gedeelten van werken’ maar is een andere invulling dan de huidige (10.000 woorden uit een boek, 8.000 woorden uit een tijdschrift tot een maximum van 1/3 van dat boek of tijdschrift) net zo subjectief en potentieel onhandig.

Op welke basis bereken je nou die billijke vergoeding die betaald moet worden door een instelling? De huidige afkoopsommen zijn gebaseerd op feitelijk gebruik maar de berekening ervan dateert uit het begin van de 21ste eeuw toen er nog primair met papieren readers werd gewerkt. Hoe bereken je in hemelsnaam bij 40 instellingen het feitelijke gebruik van (relevante) digitale content? Of toch maar een bedrag per student gaan rekenen, ook al staat dat haaks op het achterliggende idee van de regeling?

En hoe ga je om met overnames in nieuwe onderwijsvormen? Die weblectures of MOOCs die een veel grotere doelgroep kunnen hebben dan de studenten die 1 specifiek vak volgen. En wat veel verder gaat dan alleen maar tekst omdat er ook veel meer met muziek en video gewerkt wordt? Allemaal zaken die vooralsnog ongewijzigd blijven of niet vermeld worden in de nieuwe readerovereenkomst.

Ook zijn er soms punten die niet thuis horen in een readerregeling. Het knelpunt dat hogescholen studenten met een functiebeperking – slechtziendheid en zware dyslexie – willen faciliteren door studieboeken volledig te digitaliseren, is er niet minder om maar wordt door Stichting PRO en het NUV opgepakt richting Dedicon zodat de bestaande werkwijze van de voormalige blindenbibliotheek aangepast kan worden om hier wel in te voorzien. Met een eigen procedure om er voor te zorgen dat het auteursrechtelijk ook correct wordt afgehandeld.

Nieuw: over licenties of ander gebruiksrecht

Eén van de grootste knelpunten, niet eens zo zeer richting Stichting PRO maar meer richting alle hogescholen, is de ontstane onduidelijkheid waar de onderwijsexceptie, en daarmee de readerovereenkomst, nou precies op van toepassing is. De onderwijsexceptie maakt het mogelijk om gedeelten van werken te gebruiken ter toelichting van het onderwijs zonder toestemming van de rechthebbenden te hoeven vragen. Maar dat dit vanzelfsprekend betekent dat je je niet hoeft te beroepen op de onderwijsexceptie als je al toestemming hebt om een (volledig) werk te gebruiken, kwam niet terug in de readerovereenkomst.

Dat staat er nu, op meerdere plekken, wel duidelijk in vermeld. De readerovereenkomst – en alle afspraken/procedures die daarbij komen – is van toepassing op korte overnames voor zover daarin al niet via licenties of andere wijze is voorzien. Is er al een gebruiksrecht verkregen via een content- of Creative Commons-licentie, is het materiaal sowieso niet auteursrechtelijk (meer) beschermd of heb je rechtstreeks toestemming gekregen van een uitgever of andere rechthebbende, dan hoef je langere overnames niet nog een keer aan te melden. Hoewel het wel een additionele procedures zal gaan vragen bij de hogescholen en Stichting PRO om ook daadwerkelijk inzichtelijk te krijgen welke overnames wel of niet onder de readerregeling of licenties vallen.

Nieuw: minder lange duur, meer evalueren

Dat de ontwikkelingen niet stil staan is iedereen wel duidelijk. Reden genoeg om niet nog een keer een overeenkomst voor vijf jaar af te sluiten. De nieuwe readerovereenkomst heeft een looptijd van drie jaar waarbij er jaarlijks geëvalueerd wordt. In die evaluaties – bewaakt en geïnitieerd door de Vereniging Hogescholen – is er ruimte om nieuwe inzichten en ervaringen te verwerken zodat de overeenkomst ook tussentijds aangepast kan worden. Wellicht dat die definitie van een korte overname toch anders moet, de afkoopsommen toch anders berekend kunnen gaan worden en er toch gekeken moet worden naar overnames voor gebruik in nieuwe onderwijsvormen.

Of, zoals gisteren al gesuggereerd werd, een nieuwe naam voor de overeenkomst aangezien die te vaak met papieren readers geassocieerd wordt.

In de overeenkomst is wel de mogelijkheid opgenomen om deze met nog eens drie jaar – inclusief jaarlijkse evaluaties – te verlengen zonder dat de overeenkomst opnieuw door alle hogescholen goedgekeurd moet worden.

Nieuw: afspraken rondom de controle

Geen afkoopregeling is compleet zonder een vorm van controle en de problemen rondom de uitvoering van deze controles stonden bovenaan elke lijst met verbeterpunten. Nieuw in de readerovereenkomst is daarom het controleprotocol. Een set met afspraken die expliciet vermelden waar op gecontroleerd wordt, hoe er gecontroleerd wordt en hoe de afwikkeling verder plaats vindt. Nieuw hieraan is dat dit als basis dient voor maatwerkafspraken om de controles af te kunnen stemmen op de eigen organisatie, het eigen instellingsbeleid en de (technische) infrastructuur. Hoewel er een standaardprotocol als bijlage aanwezig is, kunnen er nu eenvoudig afspraken op maat gemaakt worden tussen een hbo-instelling en Stichting PRO.

Feitelijk was dit altijd al in overleg mogelijk – ik heb zelf ook dergelijke afspraken gemaakt – maar de flexibiliteit en mogelijkheden hiertoe zijn nu dus vastgelegd in de overeenkomst zelf.

Nieuw: de contactpersoon en daadwerkelijk gaan afstemmen

Hoe zorg je er nou voor dat de readerovereenkomst ook echt goed werkt in de onderwijsinstellingen? Ook al werd er in het verleden regelmatig alleen maar naar Stichting PRO gekeken voor de uitvoering van de regeling, voor elke overeenkomst heb je twee partijen nodig en heel zorgvuldig is die vorige overeenkomst ook niet belegd binnen de hogescholen. Het heeft weliswaar tot een netwerk van auteursrechten informatiepunten geleid maar feitelijk alleen omdat er niets anders geregeld was.

De belangrijkste verandering nu is dat elke hogeschool, door het aangaan van de readerovereenkomst, zich ook verplicht om een contactpersoon aan te stellen. Deze krijgt een taakomschrijving mee in de overeenkomst want hij of zij is behalve algemeen aanspreekpunt ook degene die moet zorgdragen voor de belegging van auteursrechtprocedures binnen de eigen instelling en de uitvoeringsregels m.b.t. de controleprocedure. Zijn daar maatwerkafspraken voor nodig? Dan is de contactpersoon ook degene die deze met Stichting PRO kan (en moet) maken.

Daar vraag je nogal wat

Eigenlijk heeft de contactpersoon te maken met alle veranderingen in de readerovereenkomst. In de auteursrechtprocedures zal het gebruik en onderscheid van gelicenseerde werken een rol moeten gaan spelen, de punten voor de jaarlijkse evaluatie zullen vanuit de organisaties – en dus de contactpersonen – moeten komen en vanzelfsprekend zal hij of zij rol in de uitvoering van de controles gaan krijgen. Het vereist kennis van de eigen organisatie, auteursrecht, licenties en de readerovereenkomst zelf.

Als eenzame contactpersoon binnen een hbo-instelling kan dat best een uitdaging zijn. Maar daar heb je wel ondersteuning van een Netwerk Auteursrechten Informatiepunten-hbo bij beschikbaar. Het NAI-hbo begint met een nieuw hoofdstuk door niet alleen ruimte te bieden voor het uitwisselen van vragen, ervaringen en kennis maar ook door zelf scholing te gaan organiseren die als verplichte basiskennis bij alle leden aanwezig zou moeten zijn. En over de leden gesproken, alle 40+ hogescholen – voor zover ze nog geen lid zijn – zullen uitgenodigd worden om actief lid te worden. Het is daarmee ook een uitnodiging aan alle toekomstige contactpersonen om gebruik te maken van de gezamenlijke kennis, ervaring en expertise.

Auteursrecht is meer dan alleen een readerovereenkomst

De PRO-blematiek was (en blijft) weliswaar een belangrijke factor als het gaat om auteursrechten binnen hoger onderwijsinstellingen maar het beperkt zich daar zeker niet toe. In het hoger onderwijs wordt ook veel gebruik gemaakt van andere auteursrechtelijk beschermde werken zoals video en muziek. Er is al een collectieve overeenkomst tussen de (Vereniging) Hogescholen en Videma rondom het gebruik van filmwerken en er is zeker behoefte aan duidelijkere afspraken met o.a. Buma/Stemra en Pictoright voor respectievelijk muziek en foto’s, juist nu er geëxperimenteerd wordt met multimediale onderwijsvormen zoals blended learning.

Maar de hbo’s produceren zelf eveneens (steeds meer) beschermde werken. Onderzoekspublicaties, studentpublicaties (scripties) en vakpublicaties van docenten vormen het kenniskapitaal van instellingen en daar speelt het eigen auteursrecht net zo goed een rol. Open access dringt verder door in het hbo, eigen videoproducties worden ontwikkeld en ingezet in het onderwijs, en opleidingen ontwikkelen nieuwe producten samen met het bedrijfsleven waarbij steeds vaker de vraag gesteld wordt hoe het nu geregeld moet worden met het auteursrecht.

Een nieuwe readerovereenkomst in 2015 is volgens mij nog maar het begin van (hopelijk) een groeiend besef van hoe belangrijk het is om een onderwerp als auteursrechten goed beter te regelen in het hoger onderwijs.

#

Raymond Snijders

Sinds 1995 houdt Raymond zich bezig met de combinatie van ICT, bibliotheken en onderwijs vanuit het perspectief van (vooral) de bibliotheek en informatievoorziening. Thans is hij werkzaam bij de Hogeschool Windesheim als senior informatiebemiddelaar en houdt hij zich bezig met de digitale bibliotheek, contentlicenties, ebooks en auteursrecht. Over deze onderwerpen en de impact die ze (kunnen) hebben op het onderwijs en bibliotheken blogt hij sinds 2006 op zijn Vakblog. In 2013 won hij de Victorine van Schaickprijs voor zijn blog.

  • © 2006- 2019 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en duizenden liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top