Over Green Open Access, NWO voorwaarden en trusted repositories

green open access NWO repositories

Open Access publiceren

Je zou bijna gaan denken dat staatssecretaris Sander Dekker met het idee van Open Access is gekomen. Onzin natuurlijk want de Open Access-beweging maakt zich al heel wat jaren sterk voor het vrij toegankelijk maken van (actuele) wetenschappelijke informatie. Onderzoeksinstellingen en universiteiten steunen de Berlin Declaration – dat oproept om onderzoeksresultaten in open access te publiceren – en datzelfde geldt ook voor het hbo.

Binnen het Open Access publiceren worden er twee routes onderscheiden: de gouden route (Gold Open Access) waarbij artikelen door de uitgever zelf in Open Access gepubliceerd worden. Dat kan in volledig OA Journals of in hybride tijdschriften die zowel artikelen bevatten die vrij toegankelijk zijn als artikelen die alleen voor abonnees toegankelijk zijn – de auteur, diens werk- of subsidiegever betaalt dan een Article Processing Charge (APC).

Maar ook de groene route (Green Open Access) waarbij artikelen na peer review maar vóór definitieve opmaak door of namens de auteur zelf gearchiveerd worden in een open repository (van de eigen instelling). Daar heeft een uitgever vaak een embargo-periode voor ingesteld. Dit heet self-archiving, is gratis en maakt vaak onderdeel uit van het beleid van het tijdschrift.

Dat er meer nodig is om onderzoekers hun publicaties (artikelen en boeken) vrij beschikbaar te laten maken dan alleen goede wil, is inmiddels echter ook wel duidelijk geworden. Wetenschappelijke uitgevers staan niet te trappelen om hun verdienmodellen te ontmantelen maar ook onderzoekers zelf zien weinig redenen om te stoppen met het “ouderwets” publiceren van hun artikelen in de vooraanstaande peer-reviewed tijdschriften. Alle goede intenties en principes ten spijt.

Doel voor ogen

Eind 2013 schreef staatssecretaris Dekker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een brief aan de Tweede Kamer waarin hij zijn Open Access beleid aankondigde. Hiermee wilde hij de druk vergroten om nu ook echt eens werk te gaan maken van Open Access. In 2018 moet 60% en in 2024 moet zelfs 100% van de wetenschappelijke publicaties, die met publiek geld gefinancierd zijn, Open Access beschikbaar zijn.

Zijn eigen voorkeur gaat uit naar de gouden route en dat is ook de insteek geworden van de onderhandelingen die met de wetenschappelijke uitgevers gevoerd worden door de universiteiten. Met succes want met de meeste wetenschappelijke uitgevers (Elsevier, SAGE, Springer en Wiley) zijn inmiddels afspraken gemaakt om Open Access te kunnen publiceren.

Maar dat is niet het enige zichtbare resultaat want de laatste paar jaren zijn de ontwikkelingen rondom Open Access snel gegaan. Er komen steeds meer kwalitatief goede tijdschriften waarin onderzoekers volgens Open Access-standaarden kunnen publiceren en waar de kwaliteitsbewaking eveneens middels peer review plaats vindt. Daarnaast staan heel veel niet-Open Access tijdschriften self-archiving toe van artikelen en inmiddels is het recht om als onderzoeker je artikelen Open Access te publiceren zelfs opgenomen in de Auteurswet. Green Open Access draagt ook flink bij aan het halen van de doelstelling van Dekker.

Open Access (niet omdat het kan maar) omdat het moet

Maar hoe zorg je er nou voor dat Open Access publiceren van onderzoeksresultaten (min of meer) gegarandeerd wordt? Door het als voorwaarde op te nemen in de financiering van onderzoek!

Tenminste, dat is wat de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) per 1 december 2015 gedaan heeft. NWO wijzigde haar subsidievoorwaarden zodat alle publicaties, die voortkomen uit een ‘call for proposals’, op het moment van publicatie direct openbaar toegankelijk moeten zijn. Oftewel, maak je gebruik van onderzoeksfinanciering van NWO, dan moet je je ook aan de Open Access voorwaarden houden van NWO.

In het hbo wordt er veel gebruik gemaakt van subsidies van het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA. SIA is onderdeel van NWO en hoewel het voor de hand ligt dat ook voor de SIA subsidieregelingen een Open Access voorwaarde gaat gelden, is dat op het moment van schrijven nog niet bevestigd. Dat geldt ook voor de subsidieregelingen van o.a. ZonMw (gezondheidsonderzoek).

Horizon 2020 is met het OpenAIRE initiatief inmiddels wel aangehaakt bij de Open Access doelstellingen en ook hier geldt een OA verplichting als je van hun subsidieregeling gebruik maakt.

NWO-voorwaarden

OK, je maakt dus gebruik van onderzoeksfinanciering van NWO maar wanneer voldoe je nou aan de voorwaarden voor Open Access publiceren? NWO zegt op haar site dat het dan om de volgende publicaties gaat:

  • Artikelen in Gold Open Access tijdschriften en boeken die op het moment van publicatie Open Access beschikbaar zijn;
  • Artikelen in abonnee-tijdschriften die meteen vrij beschikbaar gemaakt worden via betaling door de auteur of via een overeenkomst van de Nederlandse universiteiten met een uitgever;
  • Met het deponeren van een versie van de publicatie in een trusted repository, die op het moment van publicatie onmiddellijk voor iedereen toegankelijk is, wordt voldaan aan de NWO-voorwaarden.

T.a.v. de gouden route is de werkwijze relatief eenvoudig. De Gold OA tijdschriften en boeken zijn “bekend” en onderzoekers kunnen met een linkje naar het gepubliceerde artikel simpelweg aantonen dat aan de voorwaarde voldaan is. Dat geldt min of meer ook voor de artikelen in abonnee-tijdschriften want daar kan eveneens naar gelinkt worden door een auteur en als er een overeenkomst is tussen de universiteiten en de uitgever (zoals bij de vier hierboven genoemde wetenschappelijke uitgevers), dan voldoen alle publicaties in die tijdschriften automatisch aan de door NWO gestelde voorwaarden.

Voor de groene route geldt echter een extra voorwaarde. Het deponeren van (een versie van) de publicatie moet in een “trusted repository” gebeuren: een repository die zelf ook weer aan een aantal voorwaarden moet voldoen en die opgenomen moet zijn in de Directory of Open Access Repositories (DOAR). De repositories van de universiteiten lijken hier allemaal al in opgenomen te zijn maar die van de hbo instellingen zijn dat nog niet.

De hbo’s werken echter samen met het beschikbaar maken van de publicaties van hun eigen instellingen in de HBO Kennisbank. NWO ziet de HBO Kennisbank – gelukkig – ook als een trusted repository (A. Jolmers, persoonlijke mededeling, 8 december 2015) maar voegt er wel aan toe dat daarvoor idealiter de repositories van de instelingen ook zichtbaar moeten zijn in OpenDOAR.

Open Access in het hbo

Als er over Open Access gesproken wordt dan lijkt het automatisch (alleen) om wetenschappelijke onderzoekspublicaties te gaan bij universiteiten en onderzoeksinstellingen. Onderzoek en publicaties in het hbo worden veelal niet meegenomen in de dialoog over open access terwijl er vanzelfsprekend ook in het hbo veel werken gepubliceerd worden. De publicatierichtlijn van Windesheim legt bijvoorbeeld sterk de focus op open access van afstudeerwerken (van studenten), onderwijsmateriaal (studieboeken) en onderzoekspublicaties.

Zoals één van onze onderzoekers terecht opmerkte: er is maar één soort onderzoek en dat is goed onderzoek. De rare kunstmatige scheiding tussen wetenschappelijk onderzoek en praktijkgericht onderzoek heeft geen enkel nut. Kennis is kennis en dat is wat je vrij beschikbaar wilt/moet maken als het afkomstig is uit met (deels) publieke middelen gefinancierd onderzoek.

Dit jaar zullen de hbo-instellingen, samen met SURF, aan de slag (moeten) gaan om vast te stellen wat in het hbo onder open access verstaan wordt, welke doelen gezamenlijk nagestreefd worden en welke consequenties dit heeft voor de HBO Kennisbank (en instellingsrepositories).

Voor alle publicaties die afkomstig zijn uit door NWO (of Horizon 2020) gefinancierd onderzoek, betekent het o.a. nadenken over hoe je deze terugvindbaar kunt maken zodat er gemakkelijk naar verwezen kan worden en hoe deze publicaties zich – ook qua gebruiksrecht – onderscheiden van alle andere publicaties. En natuurlijk moeten er tientallen repositories aangemeld en opgenomen worden bij OpenDOAR. Voor de repository van Windesheim hebben we deze procedure inmiddels succesvol afgerond.

windesheim repository open access
Hoog tijd om nu eens echt werk te gaan maken van open access. Vooral in het hbo.

#

Ken je auteursrechten

Je hebt tegenwoordig ook in het onderwijs al snel te maken met (auteurs)rechten en de mogelijke problemen die kunnen ontstaan als je daar onzorgvuldig mee omgaat. Je hoeft echt geen jurist te worden maar het is handig als je weet wat het auteursrecht inhoudt.

Overal waar je kennis en informatie deelt met anderen heb je te maken met rechten. Gaat het om iets dat je zelf gemaakt hebt, zoals een artikel of zelfgeschreven lesmateriaal? Dan wil je vast dat anderen daar ook netjes mee om gaan. Dus dat ze het niet zo maar voor hun eigen lessen gaan gebruiken of zonder te vragen alles gaan aanpassen. Andersom betekent het ook dat anderen het niet zullen waarderen als jij zonder toestemming hun artikelen, boeken, foto’s of lesmateriaal gebruikt in de klas of leeromgeving.

Auteursrecht

Iedereen die een werk maakt heeft automatisch het auteursrecht daarop. De lat ligt laag want zolang je dat artikel, boek, foto of video maar zelf gemaakt hebt – en het origineel is – ben je meteen de auteursrechthebbende. Dat klinkt sjiek maar wil niets anders zeggen dan dat jij mag bepalen wat er met dat werk gaat gebeuren. Anderen hebben dus jouw toestemming nodig als ze bijvoorbeeld een foto van jou willen gebruiken. Op dezelfde manier heb jij dus toestemming nodig als je een artikel, boek, foto of video van een ander wilt gebruiken in jouw les.

Een wettelijk recht

In de Auteurswet staat kort beschreven dat het auteursrecht het recht is om te bepalen hoe iets openbaar gemaakt (gepubliceerd) mag worden en wat er vervolgens mee mag gebeuren. De rest van de Auteurswet is gevuld met allerlei uitzonderingen op het auteursrecht. Deze uitzonderingen zijn bedoeld om er voor te zorgen dat het auteursrecht ook werkbaar blijft. Zo kun je bijvoorbeeld zonder toestemming een kopie maken van een artikel of een dvd als je dat alleen voor jezelf gebruikt (de thuiskopie-exceptie) en kunnen blinden en slechtzienden zonder permissie boeken laten omzetten naar audio.

Voor bibliotheken zijn er zelfs meerdere uitzonderingen te vinden in de Auteurswet. Het uitlenen van boeken en tijdschriften mag dankzij de leenexceptie zonder toestemming van de uitgevers maar de bibliotheken moeten daar wel een vergoeding per uitlening voor betalen. Tenzij je een schoolbibliotheek bent want dan hoef je zelfs geen leenvergoeding af te dragen.

Exceptioneel onderwijs

Ook ten behoeve van het onderwijs zijn er meerdere excepties te vinden in de Auteurswet. Het citaatrecht maakt het mogelijk dat je onder bepaalde voorwaarden korte stukjes uit een tekst mag gebruiken in je eigen werk. Terwijl de vertoningsbeperking juist de rechten beperkt van een filmmaker als je een film of video wilt laten zien in de les. Als je een film of video vanaf dvd vertoont in een klaslokaal mag dit zonder dat je daar iets voor hoeft te regelen. Nou ja, je moet een tv en dvdspeler regelen natuurlijk.

De belangrijkste uitzondering voor het onderwijs is degene die er naar vernoemd is: de onderwijsexceptie. Die staat in de Auteurswet omdat de overheid het gebruik van materialen ten behoeve van het onderwijs zo laagdrempelig mogelijk wil maken. Dat is wel wat anders dan een vrijbrief (helaas) want in de onderwijsexceptie staat vermeld dat korte delen uit werken zonder toestemming gebruikt mogen worden als onderwijsmateriaal maar dat er nog steeds wel een vergoeding voor betaald moet worden. Oftewel, je mag een deel van een boek in een syllabus of gedigitaliseerd in de leeromgeving gebruiken maar daar moet nog steeds wel voor betaald worden. Hiervoor hebben de MBO Raad, de Vereniging Hogescholen en de VSNU afspraken gemaakt met de uitgevers en zijn er afkoopregelingen getroffen. Deze regelingen beschrijven hoeveel een ‘kort deel’ precies is en wat de onderwijsinstelling moet betalen aan de rechthebbenden daarvoor.

Boeken of artikelen in het onderwijs

Bij een afkoopregeling hoort ook een controle en dat is de reden dat er periodiek gekeken wordt of scholen zich wel aan de afspraken houden. Vroeger ging het dan om controles van papieren readers en syllabi maar tegenwoordig wordt meestal de elektronische leeromgeving gecontroleerd. Zo wordt gekeken of de overgenomen delen uit (werk)boeken en tijdschriften niet te lang zijn en of er niet complete boeken digitaal aangeboden worden. Gebeurt dit wel dan moet er alsnog betaald worden en dat kan soms flink in de papieren lopen.

Dat je behalve naar de inhoud van je lesmateriaal ook nog rekening moet houden met het auteursrecht is niet altijd even efficiënt of praktisch maar dus wel belangrijk op het moment dat je een artikel of delen uit een (werk)boek wilt gebruiken in de leeromgeving. Informeer dus naar de afspraken die voor jouw school gelden. Je kunt daarnaast ook eens kijken naar open leermaterialen. Dat is onderwijsmateriaal dat door andere leraren en docenten gemaakt is en dat vrijelijk gedeeld wordt met iedereen die het zou willen gebruiken. Je hebt dan dus toestemming van je collega die het gemaakt heeft en je hoeft je dan dus niet aan de beperkingen uit de afkoopregeling te houden. En vanzelfsprekend geldt dat ook voor alles wat je zelf aan lesmateriaal maakt!

Gebruik van foto’s

Ook foto’s worden beschermd door het auteursrecht. Het is in de praktijk echter lastiger om het gebruik ervan goed te regelen ten behoeve van het onderwijs. Dat heeft als voordeel dat rechthebbenden niet eenvoudig kunnen controleren of hun foto’s of video’s zonder toestemming gebruikt worden – lekker gemakkelijk! – maar als nadeel dat je het snel verkeerd kunt doen met soms vervelende consequenties.

Bij foto’s spelen meerdere auteursrechten. Behalve met het auteursrecht van de fotograaf heb je ook te maken met het portretrecht van degene die op de foto staan en kan privacy eveneens een rol spelen. Vooral als er leerlingen op de foto’s staan.

Fotografen zijn tegenwoordig heel alert op schending van hun auteursrechten omdat ze er hun brood mee verdienen. Op het moment dat een leraar of instelling foto’s zichtbaar maakt voor de buitenwereld kan een fotograaf daar bezwaar tegen maken en alsnog een factuur sturen.

Onderwijsgerelateerde blogs hebben steeds vaker te maken met fotografen die claims indienen. Zo ontving een docente die een toelichting op haar weblog had geschreven voor haar studenten een dreigende brief omdat ze enkele foto’s uit Google Afbeeldingen had gebruikt. Inclusief schikkingsvoorstel van meer dan 1000 euro.

Wil je foto’s gebruiken die de buitenwereld ook te zien krijgt via een website of blog? Gebruik dan geen Google Afbeeldingen maar maak gebruik van één van de vele stockfotosites die met zogenaamde Creative Commons licenties werken. Dat betekent dat fotografen vooraf al toestemming hebben gegeven voor het hergebruik van hun foto’s. Je vindt tienduizenden foto’s met Creative Commons licentie bij Flickr maar ook gespecialiseerde stockfotosites als Pixabay en Pexels hebben een ruim aanbod.

Video in het onderwijs

De vertoningsbeperking in de Auteurswet maakt het mogelijk om zonder problemen een video of film te tonen in een klaslokaal. Het kan echter veel complexer worden als je digitale video wilt gebruiken. Zo mag je zonder toestemming niet zelf een videoband of dvd digitaliseren om de video te kunnen gebruiken in de leeromgeving. Staat de video echter op YouTube of een andere videodienst op internet? Dan kun je wel zonder problemen de video embedden in de leeromgeving of in een Powerpointpresentatie. Je mag namelijk altijd linken naar video’s die al op internet te vinden zijn.

Maak je zelf video’s of laat je je leerlingen video’s maken? Dan moet je wel weer goed oppassen. Net als bij foto’s heb je met video’s te maken met meerdere auteursrechten. Mensen die in beeld gebracht worden kunnen bezwaar maken als de video op YouTube staat en door de hele wereld bekeken kan worden. Als je bij het maken van de video andermans muziek gebruikt (of fragmenten uit commerciële films) dan kan de video zelfs geweigerd worden door YouTube. Of voorzien worden van ongewenste reclameboodschappen.

Auteursrechten zijn overal

Auteursrecht en onderwijs zijn in de praktijk dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. Je kent vast en zeker je onderwijs maar ken je ook je auteursrechten?

Bovenstaand artikel verscheen eerder in Vives 147 (15 november 2015). Ik had het genoegen om in dit tijdschrift te mogen schrijven over auteursrechten in het onderwijs. En dan eens een keer niet alleen voor het hoger onderwijs aangezien de Vives zich vooral richt op onderwijsinnovatie en ict in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en MBO.

#

Wat mag je (auteursrechtelijk) in het onderwijs met aanvullend toetsmateriaal van uitgevers?

auteursrechtelijk gebruik van toetsmateriaal en aanvullend onderwijsmateriaalVia Marcel, een collega van Avans Hogeschool, kwam de volgende vraag van een docent: In mijn colleges ga ik in op de stof uit een voorgeschreven studieboek en voeg ik aan het einde van dit college enkele multiple choice vragen toe die ik van de site van de uitgever haal. Na afloop van het college plaats ik mijn sheets inclusief vragen op Blackboard. Is dit echter wel auteursrechtelijk geoorloofd?

Marcel voegt er aan toe: Soortgelijke vragen komen onze kant op als docenten een docentenversie hebben van voorgeschreven literatuur die de student moet gebruiken. Deze docentenversie bevat de uitwerkingen van opdrachten (uit het studentenexemplaar) die de docent wil delen met zijn studenten maar het is ze vaak niet duidelijk wat ze nu wel en niet mogen met het docentenexemplaar.

Van wie zou het niet mogen?

Het zijn twee verschillende vragen maar ze liggen wel in elkaars verlengde.  In beide gevallen is er door de uitgever toetsmateriaal beschikbaar gemaakt als aanvulling op het studieboek dat door de uitgever verkocht wordt. En gaat het in beide gevallen om materiaal dat specifiek bedoeld is voor de docenten. In het geval van een speciale docentenversie van een studieboek is het natuurlijk niet de bedoeling dat de studenten kunnen beschikken over de uitwerkingen van de opdrachten die in hun eigen versie van dat boek staan. Het kan dan wat raar aanvoelen als je als docent alsnog de uitwerkingen deelt met je studenten. Alsof je een niet uitgesproken afspraak met de uitgever niet nakomt.

Dit heeft echter niet zo zeer te maken met het auteursrecht. Educatieve uitgevers willen graag hun studieboeken tot een verkoopsucces maken en de route om zo veel mogelijk exemplaren te verkopen loopt nou eenmaal via de docenten. Als een docent het materiaal niet gebruikt in zijn of haar les – niet voorschrijft op de literatuurlijst – dan gaan studenten dat vanzelfsprekend ook niet aanschaffen. Dat is de reden dat uitgevers het zo aantrekkelijk mogelijk willen maken voor een docent om hun studieboeken te gebruiken en ze verrijken het fysieke boek dan ook graag met aanvullend achtergrondmateriaal, opdrachten, ander toetsmateriaal of zelfs een complete website die complementair is aan het boek.

Vaak is al dat materiaal beschikbaar voor iedereen die het boek gekocht heeft maar soms is het specifiek voor de docent bedoeld en tja, dan moet je er wel zorg voor dragen dat studenten niet zo maar bij antwoorden en uitwerkingen van opdrachten kunnen komen. Op papier kiezen uitgevers er dan soms voor om een aparte docentenversie van een boek uit te brengen die niet op reguliere wijze (door studenten) besteld kunnen worden en digitaal wordt het achter een inlog gezet waarbij je moet aantonen dat je docent bent.

Wil je als docent echter dat materiaal, dat voor jou bedoeld is, weer delen met studenten? Dan kan dat zonder problemen. Nadat je de uitwerking van een opdracht besproken hebt kun je die gewoon delen en dat geldt ook voor multiple choice vragen, proefexamens of wat dan maar ook.

Maar wel binnen auteursrechtelijke grenzen natuurlijk

Qua auteursrecht maakt het niets uit of je materiaal uit een regulier studieboek, een studentenversie of een docentenversie wilt gebruiken in het onderwijs. Al die werken zijn auteursrechtelijk beschermd en als je delen ervan wilt plaatsen in de elektronische leeromgeving voor studenten dan geldt daar de readerovereenkomst voor. Dit is een uitwerking van de onderwijsbeperking in de Auteurswet in de vorm van een afkoopregeling waarbij ten behoeve van het onderwijs tot 10.000 woorden uit een (studie)boek mag worden gebruikt in een reader of elektronische leeromgeving zonder dat daar toestemming van de uitgever of auteur nodig is. Of de uitgever het wel een goed idee vindt dat je de uitwerkingen uit een docentenversie deelt met je studenten is daarmee dus niet meer van belang. Dat mag (en moet) je zelf bepalen.

Het geldt dus ook in die – sporadische – gevallen dat er bij het aanvullende materiaal vermeld staat dat je het niet voor bepaalde doeleinden mag gebruiken. Ook al is het auteursrecht een verbodsrecht, als je dat materiaal gebruikt conform de voorwaarden van één van de uitzonderingen in de Auteurswet dan heb je geen toestemming nodig en kan de rechthebbende je het dus ook niet verbieden.

Vroeger zag je bijvoorbeeld nog wel eens een sticker op een dvd zitten waarop stond dat het niet voor educatieve doeleinden gebruikt mocht worden. De vertoningsbeperking uit artikel 12, lid 5 Aw, staat een docent echter toe om de dvd desondanks gewoon te mogen vertonen in de les.

auteursrechtelijk gebruik van toetsmateriaal en aanvullend onderwijsmateriaal

Multiple choice vragen zijn geen (studie)boeken natuurlijk. De multiple choice vragen die de docent van de site van de uitgever heeft gehaald zijn in beginsel echter ook beschermd door het auteursrecht hoewel hier geen strakke afbakening in te maken is. De vraag is namelijk of een multiple choice vraag gezien kan worden als een werk.

Om iets als een werk te mogen bestempelen moet er sprake zijn van een eigen oorspronkelijk karakter en een persoonlijk stempel van de maker. Je moet dus wel een formulering kiezen die niet simpelweg ontleend is aan een al bestaand iets en waar je als maker eigen creatieve keuzes in gemaakt hebt. Een simpele opsomming van enkele feiten kan dan als banaal en triviaal gezien worden (Wat is de hoofdstad van Nederland? a) Den Haag, b) Zwolle of c) Amsterdam?) en dergelijke vragen zouden dan niet als een werk gezien hoeven te worden.

Je mag echter verwachten dat de multiple choice vragen die door een uitgever gemaakt worden om de inhoud van een specifiek studieboek te toetsen wel degelijk als werken gezien mogen worden. Het is dan ook verstandig om van dezelfde voorwaarden uit te gaan als van het overnemen uit een boek en maximaal 10.000 woorden als aanvulling op je sheets in de elektronische leeromgeving te zetten. In de praktijk zal echter geen uitgever eisen dat een docent de (zelf)toetsvragen, die door de uitgever zelf verspreid worden, niet in de elektronische leeromgeving mag plaatsen. Twijfel je ondanks het bovenstaande nog steeds of je het mag gebruiken? Neem dan contact op met de uitgever en vraag het expliciet na.

@afbeelding via Pixabay met CC0 verklaring

#

  • © 2006- 2019 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en duizenden liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top