Auteursrechtelijk beschermd materiaal in de les en ELO gebruiken

Vanmiddag mocht ik aanschuiven bij de maandelijkse medewerkersbijeenkomst van de collega’s van Windesheim Flevoland. Behalve dat ook daar de “reguliere” vragen rondom het gebruik van auteursrechtelijk beschermd materiaal leven, zijn ze in Almere ook druk met blended learning. Dat leidde tot het besef bij meerdere docenten dat er meer aandacht besteed zou moeten worden aan de auteursrechtelijke aspecten van het ontwikkelde onderwijsmateriaal.

In een drukbezochte bijeenkomst had ik daarom de gelegenheid om in één keer een groot deel van de docenten van Windesheim Flevoland meer te vertellen over de mogelijkheden en hoe we dit op Windesheim geregeld hebben. Een half uur was helaas niet voldoende om ook nog in te gaan op wat er qua auteursrecht speelt bij onderzoek of het Open Access publiceren dat centraal staat in de publicatierichtlijn die hopelijk volgende week definitief bekrachtigd wordt. Wel kon ik aan de hand van vele vragen het één en ander toelichten over het gebruik van auteursrechtelijk beschermd materiaal in de les en in N@tschool.

Kort en bondig :)

#

Over doorberekenen van kosten van onderwijsmateriaal aan studenten (en hoe dat anders moet)

doorberekenen van kostenAls ik kijk naar alle ontwikkelingen rondom e-studieboeken – digitale studieboeken die op de lijsten met voorgeschreven literatuur staan bij opleidingen in het hoger onderwijs – dan zijn er vele dingen die me blijven verbazen. Zoals de aanpak van de educatieve uitgevers in Nederland die, min of meer verenigd, hun aanbod bundelen via Bookshelf zonder heel erg naar de vraag te kijken. En hoe lastig de onderwijsbibliotheken het blijven vinden om hun rol te benoemen als het gaat om boeken die niet voor hun bibliotheekcollecties bedoeld zijn.

Maar wat me toch telkens weer echt verrast is hoe het onderwijs hier zelf mee omgaat. Het uitgangspunt blijft de traditionele lijst met voorgeschreven literatuur die studenten dienen aan te schaffen teneinde het onderwijs ook goed te kunnen volgen. Het is daarbij al decennia lang de praktijk dat studenten dit zelf dienen te betalen naast het wettelijk vastgestelde collegegeld dat ze betalen om als student onderwijs te mogen volgen.

De verantwoordelijkheid die docenten, de opleidingen en de onderwijsinstellingen hebben om kritisch te kijken naar de toegevoegde waarde van die voorgeschreven literatuur en om dat als een essentieel onderdeel van de kwaliteit van het gegeven onderwijs te beschouwen, lijkt daarmee echter wel grotendeels verdwenen te zijn de afgelopen jaren. Tenminste, de prikkel om dit zo optimaal mogelijk af te stemmen op zowel het onderwijs als de portemonnee van de student is er nog maar nauwelijks. Ik kom in de praktijk veel docenten tegen die simpelweg een studieboek voorschrijven en van studenten verwachten dat ze dat kopen, zonder daarbij na te denken over de consequenties als studenten dat boek *niet* aanschaffen. Omdat de prijs te hoog is of omdat men weet dat het materiaal minimaal gebruikt wordt en feitelijk er dus onvoldoende noodzaak is om het aan te schaffen. Dan mag je al blij zijn dat studenten studieboeken kopiëren als docent denk ik. Die hands off aanpak betekent ook dat er mijns inziens onvoldoende wordt nagedacht door docenten over de eisen waaraan e-studieboeken moeten voldoen. Want ineens kun je niet meer volstaan met alleen maar voorschrijven van titels en zul je moeten nadenken over hoe die digitale studieboeken in een les gebruikt (kunnen) worden door studenten en hoe je er voor zorgt dat studenten dus wel toegang hebben tot dat materiaal. Dan is het veel eenvoudiger om papieren boeken te blijven gebruiken en voor te schrijven.

Misvattingen over de ‘verplichte’ literatuur

Het gesprek hierover wordt nog complexer als docenten (en opleidingen en onderwijsbibliotheken) de voorgeschreven literatuur opvatten en interpreteren als verplichte literatuur. Lees, dat studenten verplicht zouden zijn alle studieboeken aan te schaffen die door een opleiding op de literatuurlijst wordt gezet. En dat is niet het geval want ook al mogen onderwijsinstellingen van studenten vragen de kosten van een aantal onderwijsbenodigdheden te dragen (zoals kosten van studieboeken, materialen en bijv. practica), dit mag niet verplicht worden gesteld. De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) borgt dit ook in artikel 7.50 dat stelt dat de inschrijving van een student niet afhankelijk mag zijn van een andere financiële bijdrage dan de betaling van het collegegeld, zoals begin april ook nog eens in een brief bevestigd werd door de Vereniging Hogescholen aan alle hogescholen. Eerdere toelichtingen door vorige en huidige ministers van Onderwijs Deetman, Ritzen en Plasterk geven een heldere invulling en afbakening hieraan.

Wat de wet feitelijk zegt is dat je als instelling en opleiding (ironischerwijs) in de problemen zou kunnen komen als het onderwijs niet te volgen is zonder alle voorgeschreven studieboeken, en je als student verplicht zou zijn tegen hoge kosten alles aan te schaffen. Dat studenten zelf dit probleem grotendeels ondervangen door tweedehands studieboeken te kopen, ze (deels) te kopiëren in copyshops of helemaal niet te kopen bevestigt mijns inziens alleen maar hoe bizar de ontstane situatie is. Iets dat het belang en de verantwoordelijkheid zou moeten zijn voor het onderwijs – kwalitatief onderwijsmateriaal aanbieden dat laagdrempelig toegankelijk is – wordt het probleem gemaakt van de student die op zoek gaat naar creatieve en goedkope alternatieven. Ik werk bijna 20 jaar in het hoger onderwijs en snap nog steeds niet waarom opleidingen voorgeschreven literatuur niet als onderdeel en verantwoordelijkheid van hun eigen onderwijs zien ipv als een opgelegd boodschappenlijstje voor studenten.

En dan de readers

Voorgeschreven studieboeken zijn niet de enige onderwijsmaterialen waarmee gewerkt wordt natuurlijk. Van oudsher worden er ook veel readers gemaakt die vooral hoofdstukken uit boeken en tijdschriftartikelen bevatten als achtergrondmateriaal voor een specifiek vak. Die werden in papieren vorm bijna exclusief verkocht via de reprowinkels aan studenten. Het was altijd lastig inschatten vooraf of je een reader per se nodig had, en over de sterk wisselende gevraagde prijzen voor die readers kun je ook wel een aardige discussie voeren, maar het stond een student vrij ze niet te kopen en je kon altijd beargumenteren dat het niet onredelijk was om de drukkosten door te berekenen aan studenten.

Maar dat waren niet de enige kosten die doorberekend werden. Die sterk variërende kosten voor readers kon je ook verklaren doordat docenten en opleidingen er soms voor kozen om de gemaakte kosten in het kader van de readerregeling door te rekenen in de prijs van de reader. Wederom een bizarre en ongewenste situatie aangezien de onderwijsexceptie – die de basis vormt voor de readerregeling – expliciet bedoeld is om gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken in door docenten ontwikkeld onderwijsmateriaal mogelijk te maken. De kosten hiervan (overigens grotendeels al afgedekt via een afkoopregeling) doorberekenen aan studenten beschouw ik als iets dat bestreden moet worden, niet aangemoedigd.

Je zou zeggen dat met digitale readers het probleem uit de wereld geholpen is en deels is dat ook zo. Het aantal (digitale) readers dat jaarlijks wordt geproduceerd en voorgeschreven daalt gestaag. Tijdschriftartikelen en korte hoofdstukken uit boeken kunnen binnen de readerregeling als losse bestanden in de digitale leeromgevingen worden geplaatst waarbij er geen additionele kosten worden gemaakt die uberhaupt doorbelast zouden kunnen worden. Alle studenten hebben gratis toegang tot dit onderwijsmateriaal. Zoals het hoort zou ik daar aan willen toevoegen.

Oude gewoontes slijten echter heel langzaam en niet alles valt binnen de grenzen van de afkoopregeling. Dus krijg ik met enige regelmaat de vraag van docenten of de kosten voor het gebruiken van lange artikelen en grotere delen uit boeken doorberekend kunnen worden aan studenten. Door bijv. alsnog weer readers samen te stellen en die ofwel op papier dan wel digitaal te gaan verkopen. Met de gebruikskosten inbegrepen in de prijs natuurlijk. Dat ging al zo ver dat een leverancier mij warm probeerde te krijgen voor hun systeem voor de verkoop van digitale readers aan studenten met het ‘overtuigende’ argument dat mbv dit systeem docenten de gemaakte “Stichting PRO kosten” konden doorberekenen aan de studenten. Of ik dit wilde promoten bij onze opleidingen. Je mag zelf invullen hoe de rest van dat gesprek verlopen is.

Hoe het wel zou moeten (als ik het voor het zeggen had)

Ook met een Auteurswet (onderwijsexceptie) en Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in de hand is het niet vanzelfsprekend hoe het wel zou moeten en kunnen. Jezelf de vraag stellen wat je (als docent of opleiding) wilt bereiken met het voorschrijven van onderwijsmateriaal zou daarentegen toch wel wat antwoorden moeten opleveren.

Het uitgangspunt om goed onderwijs te willen geven waarbij je gebruik wilt maken van goed onderwijsmateriaal dat daadwerkelijk toegankelijk is voor (en gebruikt wordt door) alle studenten, biedt voldoende handvaten mijns inziens. Met docenten die me vragen om gezamenlijk te kijken naar de inrichting van hun modules, vanuit het perspectief van de readerregeling, kom ik altijd snel tot drie eenvoudige overwegingen:

  1. Materialen die als achtergrond, toelichting en naslag dienen zouden voor alle studenten vrij toegankelijk moeten zijn. Docenten moeten er van uit kunnen gaan dat iedere student in de les dat materiaal gelezen *kan* hebben en door het als een reader te verkopen verhoogt alleen maar de kans dat het simpelweg niet gekocht en gebruikt gaat worden. Het gaat hier bijna altijd om artikelen en delen uit boeken en rapporten die digitaal in de ELO geplaatst worden conform de readerregeling. In de praktijk gaat het dan ook om korte overnames aangezien dat voor zowel de docent als de student geen kosten en rompslomp oplevert want dat valt onder de bestaande afkoopregeling;
  2. Onderwijsmateriaal dat te omvangrijk is om digitaal op te nemen in de ELO *en* dat eigenlijk essentieel is om het vak goed af te ronden kan door een docent worden voorgeschreven. Hierbij zou de docent idealiter goed voor ogen moeten houden dat de student zijn of haar eigen afweging maakt mbt de kosten. Docenten zouden daar ook zelf een afweging bij moeten maken hoe belangrijk ze het vinden dat de studenten daadwerkelijk dat materiaal aanschaffen en in hun bezit hebben. Er is weinig meer frustrerend voor een docent dan les te geven aan studenten die onvoorbereid deelnemen aan de les. Docenten hebben daar echter zelf wel degelijk invloed op door onderwijsmateriaal zo laagdrempelig mogelijk beschikbaar te maken en het niet als onderdeel van een boodschappenlijstje voor de student te beschouwen. De opties om zelf geschreven of door collega’s van andere instellingen geproduceerd materiaal te gebruiken worden bijvoorbeeld maar nauwelijks verkend in het hbo;
  3. Achtergrond- en naslagmateriaal hoeft niet altijd rechtstreeks beschikbaar te zijn of in het bezit van de studenten te zijn. Op het moment dat je als docent voor ogen hebt hoe je dat materiaal wilt (laten) gebruiken kun je met de bibliotheek afspraken maken of, en hoe, dat beschikbaar gemaakt kan worden voor studenten. Dat kan ouderwets door studenten te verwijzen naar papieren boeken en tijdschriften in de bibliotheek maar ook door samen met de bibliotheek afspraken te maken met uitgevers over digitale materialen. Met uitgevers die zoekende zijn naar hoe ze e-studieboeken kunnen aanbieden bijvoorbeeld. Dat is wel een traject waar je als docent ook zelf (tijd) in moet investeren maar ook dat hoort mijns inziens bij onderwijsontwikkeling. En als bonus lost dit meteen het dilemma op voor bibliotheken die worstelen met de vraag hoe ze in het digitale tijdperk hun rol moeten invullen richting het onderwijs.

Ik snap prima dat het in een onderwijsinstelling (te) vaak over begrotingen, budgetten, bekostiging en dus de kosten van het onderwijs gaat. Maar op het moment dat je die kosten deels gaat doorberekenen aan studenten en dat vanzelfsprekend gaat vinden omdat de studenten profiteren van dat onderwijs begeef je je op glad ijs. Niet voor niets publiceerde het ISO (Interstedelijk Studenten Overleg) in maart 2014 een zwartboek (PDF) met maar liefst 124 binnengekomen meldingen over extra kosten die studenten – onterecht –  verplicht moesten betalen. Van verplichte studiereizen en betalen om jezelf in te schrijven voor vakken en tentamens tot, jawel, het verplicht aanschaffen van boeken en readers. De meldingen zijn geanonimiseerd maar ik vrees dat elke onderwijsinstelling zichzelf wel kan herkennen in de voorbeelden. Helemaal als je je beseft dat die 124 meldingen in een periode van slechts vijf weken verzameld zijn door het ISO aan het begin van dit jaar.

Dus laten we het eens anders gaan doen. Te beginnen met die voorgeschreven boeken en readers.

@foto martaposemuckel via Pixabay CC0

#

Nederlandse uitgevers willen geen leenrechtexceptie voor ebooks, de bibliotheken juist wel

uitgeversDe discussies en argumenten om het auteursrechtenbeleid aan te passen teneinde het uitlenen van ebooks door bibliotheken (alsnog) mogelijk te maken lijken onverminderd door te gaan en hebben ook de Nederlandse politiek inmiddels bereikt.

Zo werd op 15 mei, tijdens het eerste debat over de nieuwe Bibliotheekwet, door verschillende politieke partijen de wens uitgesproken dat het uitlenen van ebooks onder de leenrechtexceptie van de Auteurswet moet vallen. De huidige samenwerking tussen auteurs, uitgevers en bibliotheken zou ‘niet van deze tijd’ zijn. Bij het tweede debat op 3 juni werd minister Bussemaker wederom verzocht ‘dit te gaan regelen in Europa’ en hoewel ze duidelijk maakte dat ze eenzijdig weinig kon veranderen aan het Europese auteursrechtenbeleid, leek ze bereid dit punt op zijn minst aan te kaarten in Europa.

Nu vallen ebooks niet onder het leenrecht

De vraag naar de toepasselijkheid van het leenrecht op ebooks is namelijk al eerder gesteld en beantwoord in het kader van de te ontwikkelen landelijke digitale bibliotheek die in de nieuwe Bibliotheekwet vastgelegd is. Op 26 februari 2013 werd het rapport “Online uitlenen van e-books door bibliotheken” aan de Tweede Kamer aangeboden. Hierin staan de bevindingen van een onderzoek naar de mogelijkheden van een wettelijke uitzondering op het auteursrecht voor het uitlenen van ebooks door openbare bibliotheken – op basis van een vergoeding per uitlening aan rechthebbenden, vergelijkbaar met hoe dat in de leenrechtexceptie al jaren geregeld is voor papieren boeken. De conclusie was alleen niet wat de bibliotheken gehoopt hadden.

Het bestaande Nederlandse auteursrechtkader lijkt geen wettelijke grondslag te bieden waaronder het uitlenen van ebooks door bibliotheken mogelijk is. Uit het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat uitlening in Nederland zich van oudsher voornamelijk richt op fysieke exemplaren. Van de eerste leenvergoedingsregeling tot de huidige auteursrechtelijke regeling is het object van het leenrecht steeds toegespitst op ‘exemplaren’ van werken. Voor de huidige regeling in de Auteurswet wordt aangenomen dat het om stoffelijke exemplaren gaat.

In de begeleidende brief bij het rapport stelde minister Bussemaker indertijd dat:

Dit betekent dat het uitlenen van e-content door openbare bibliotheken zal moeten plaatsvinden op basis van contractuele afspraken tussen betrokken partijen zoals auteurs, uitgevers, rechtenorganisaties, distributeurs en bibliotheken. Met deze bevindingen en conclusies houd ik rekening bij de aangekondigde bibliotheekwetgeving, die u na de zomer krijgt toegezonden.

Maar de minister liet wel een deurtje open staan in dat rapport voor het geval de bibliotheken niet in staat zouden zijn om met uitgevers goede afspraken te maken om het uitlenen van ebooks goed van de grond te krijgen. In het rapport van OCW werd de mogelijkheid verkend van extended collective licensing: een stelsel van licenties die bibliotheken het recht zou geven om alle ebooks in een bepaalde categorie onder bepaalde voorwaarden te mogen uitlenen. Die licenties zouden door een collectieve beheersorganisatie verstrekt kunnen worden, om te voorkomen dat bibliotheken met alle betrokken partijen individueel afspraken moeten maken. Alle uitgevers zouden dan (verplicht) vertegenwoordigd zijn in de collectieve beheersorganisatie en daar zouden de bibliotheken dan afspraken mee moeten maken. Dat idee sloot ook nauw aan bij het eerste uitgangspunt van de Principles for Library eLending die de IFLA vorig jaar publiceerde voor bibliotheken en wetgevers.

In het wetsvoorstel voor de Bibliotheekwet, inmiddels aangenomen door de Tweede Kamer, is er geen sprake van een andere aanpak om tot uitlenen van ebooks te komen. Het uitgangspunt blijft dat bibliotheken en rechthebbenden samen tot afspraken moeten komen om een volwaardige ebookdienstverlening te creëren. En zelfs de stevige discussies over de contributievrijstelling voor de jeugd  – om gratis ebooks te kunnen lezen – leidde alleen maar tot een intentieverklaring (als amendement) om bepaalde categorieën ebooks gratis uit te lenen aan jongeren onder de 18 jaar. Hierover zullen nog steeds contractuele afspraken gemaakt moeten worden met de uitgevers en zij zullen nog steeds per uitlening betaald gaan worden.

Schot voor de boeg door uitgevers en auteurs

Het eerste debat van 15 mei was echter al voldoende om auteurs, verenigd in de Vereniging van Letterkundigen (VvL), en de uitgevers, verenigd in het Nederlands Uitgeversverbond (NUV), eind mei aan te zetten tot een reactie naar minister Bussemaker. In een brief (PDF) schetsen beide partijen dat de ingeslagen weg van contractuele afspraken maken volgens hen de correcte weg is en dat dit ook al vruchten afgeworpen heeft. Maar ook dat het hen zorgen baart dat de bibliotheken een dominante positie op de markt voor het ebook nastreeft en dat deze ambitie zou kunnen zorgen voor een verstoring van deze markt, helemaal als bibliotheken wel ebooks zouden kunnen gaan uitlenen onder de leenrechtexceptie.

Verdere marktverstoring door bibliotheken zal dan ook direct ten koste gaan van een rijk en pluriform aanbod, werkgelegenheid en de positie van de auteur. Wanneer e-books worden uitgeleend op grond van de regelgeving voor fysieke boeken, of wanneer er een contributievrijstelling voor e-books zal komen, zal de exploitatie van zowel het papieren als het digitale boek fundamenteel geraakt worden. [..] Het is verontrustend te merken dat er leden van de Tweede Kamer zijn die auteursrecht als een belemmering lijken te zien voor het actualiseren van de bibliotheekvoorzieningen.

Hervorming van het Europese auteursrechtenbeleid

De Tweede Kamer lijkt het auteursrecht inderdaad als een belemmering te zien voor meerdere ontwikkelingen in de maatschappij. Ook de Europese Commissie erkent dat het Europese auteursrechtenbeleid hervormd moet worden (het auteursrechtenbeleid van de lidstaten wordt vooral op het niveau van de Europese Unie geformuleerd) en dat is de reden dat er eind december 2013 een publieke consultatie gelanceerd werd. Een gelegenheid voor instellingen, bibliotheken, het onderwijs, erfgoedinstellingen maar ook uitgevers en overheden om aan te geven wat er anders en beter zou moeten met de auteursrechtwetgeving. Ik riep begin dit jaar op om vooral gebruik te maken van die gelegenheid en heb dat zelf dan ook gedaan.

Of de ogenschijnlijke bereidwilligheid van de minister tijdens het tweede debat op 3 juni om alsnog het onderwerp van ebooks en de leenrechtexceptie aan te kaarten in Europa een rechtstreekse aanleiding was kan ik niet zeggen, maar het Nederlands Uitgeversverbond besloot afgelopen week wederom een brief naar de (woordvoerders auteursrecht van de) Tweede Kamer te sturen. Deze keer als een reactie (position paper, PDF) op de bijdrage van de regering aan de publieke EU-consultatie over het auteursrecht.

Namens de regering reageerde eind maart de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, Teeven, uitgebreid op de EU-consultatie (Kamerstuk 29838-71). Hierin bepleit hij bij één van de zeven punten voor een flexibeler auteursrecht door ruimere interpretatiemogelijkheden en open normen in bestaande excepties en wordt het uitlenen van ebooks door bibliotheken als voorbeeld gebruikt:

Overigens meent Nederland dat ook e-lending een belangrijke ontwikkeling is. Indien komt vast te staan dat gebruikers en rechthebbenden niet in staat zijn om hierover tegen de achtergrond van het geldende juridisch kader samen afspraken te maken, moet worden bezien op welke andere wijzen deze ontwikkeling, met inachtneming van de belangen van alle betrokkenen, waaronder rechthebbenden, bibliotheken en het bredere publiek, kan worden ondersteund.

Het is precies het voorbehoud dat minister Bussemaker ook maakte bij het rapport over online uitlenen van ebooks om ervoor te zorgen dat de contractuele afspraken die nodig zijn voor een goede ebookdienstverlening ook daadwerkelijk gemaakt gaan worden.

Uitgevers zien dat anders

Ook al streeft Europa, en ook Nederland, naar hervormingen van de auteursrechtwetgeving, uit de reactie van het NUV blijkt dat de Nederlandse uitgevers liever minder verregaande maatregelen zien. Ze gaan in op meerdere punten die door de Nederlandse regering zijn aangegeven maar besteden ook ruim aandacht aan de opmerking over e-lending waarbij er, jawel, verwezen wordt naar de toezegging van minister Bussemaker op 4 juni en de eerder verstuurde brief.

In de visie van het kabinet komt niet naar voren dat al volop afspraken worden gemaakt tussen auteurs, uitgevers en bibliotheken. In korte tijd zijn door meer dan 1.100 auteurs en 120 uitgevers met bibliotheken goede afspraken gemaakt over het uitlenen van e-books. Het digitale aanbod van bibliotheken bestaat daardoor inmiddels uit meer dan 5000 titels en zal de komende tijd verder toenemen.
[..]
Op 26 mei jl. hebben auteurs en uitgevers minister Bussemaker in een brief opgeroepen te voorkomen dat een onevenredige marktverstoring zal plaatsvinden, waardoor auteurs, uitgevers en bibliotheken worden belemmerd in de mogelijkheid om in gezamenlijkheid tot creatieve en innovatieve oplossingen te komen voor het uitlenen van e-books door bibliotheken. Tijdens de plenaire behandeling van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen op 4 juni jl. heeft minister Bussemaker toegezegd in Brussel te pleiten voor het ‘vrij maken’ van e-books’ in die zin dat er geen Europese belemmeringen meer zijn’. Voor zover daarbij wordt gedoeld op een exceptie voor het uitlenen van e-books, is het in aanvulling op bovenstaande brief relevant om op te merken dat een dergelijke exceptie flagrante afbreuk doet aan de normale exploitatie door rechthebbenden, waarbij wettige belangen onredelijk zullen worden geschaad.

Je kunt de discussie maar beter voor zijn?

Het is duidelijk dat de uitgevers geen enkel risico willen nemen dat er in de politiek zelfs maar gesproken wordt over een mogelijke leenrechtexceptie voor het uitlenen van ebooks. Laat staan dat Nederland in Europa gaat pleiten om dit mogelijk te maken. Dat gaat zo ver dat het Nederlands Uitgeversverbond reageert op (redelijk terloopse) opmerkingen van leden van de Tweede Kamer tijdens een debat over de Bibliotheekwet en een al net zo terloopse toezegging door minister Bussemaker die notabene haaks staat op al haar eerdere rapporten, brieven, toelichtingen en wat ze in de Bibliotheekwet zelf heeft opgenomen.

En dat doet het NUV middels een brief over de reactie van de regering op de EU-consultatie waarin het woord leenrechtexceptie niet genoemd wordt maar slechts indirect gerefereerd wordt aan extended collective licensing (ECL). Dezelfde oplossing die ironisch genoeg door de uitgevers zelf als alternatief wordt aangedragen om erfgoedinstellingen in staat te stellen werken te digitaliseren in hun reactie op de mogelijkheid van een fair use exceptie (pagina 3 van de position paper).

Natuurlijk komen de zorgen van de uitgevers wel ergens vandaan. Vorig jaar kondigde de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) al aan een proefprocedure te beginnen tegen de Stichting Leenrecht met als doel een principiële uitspraak te krijgen waarmee het recht op uitlenen van ebooks onder het leenrecht kan gaan vallen. Daar zijn inmiddels ook de Stichting Lira, Pictoright en het Nederlands Uitgeversverbond bij betrokken en enkele weken geleden – op 27 mei 2014 – heeft de zitting plaatsgevonden bij de Haagse rechtbank. Met het UsedSoft arrest van het Europese Hof van Justitie – over het verder kunnen doorverkopen van software(licenties) – in de hand vroeg de VOB de Haagse rechtbank om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie om zo die principiële uitspraak te krijgen. Dit zal eveneens een rol gespeeld hebben, neem ik aan, in de overweging van het NUV hun positie te verwoorden naar de Tweede Kamer toe afgelopen week.

Wel of niet een leenrechtexceptie voor het uitlenen van ebooks?

De huidige Europese richtlijn laat weinig ruimte voor interpretatie. De conclusie in de aanloop naar de nieuwe Bibliotheekwet was dan ook duidelijk: het uitlenen van ebooks door bibliotheken valt niet onder de leenrechtexceptie. Dat is de reden dat het (ook) in Nederland niet mogelijk is voor bibliotheken om onder gelijke voorwaarden als fysieke boeken ebooks aan te schaffen en uit te lenen. De Nederlandse regering kan hier niets aan veranderen en dat betekent dat ofwel het Europese auteursrechtenbeleid gewijzigd moet worden of dat het Europese Hof van Justitie het huidige beleid anders moet gaan interpreteren.

Het wijzigen van de EU richtlijn is nauwelijks te beïnvloeden. Middels de EU consultatie heeft de regering weliswaar voorstellen gedaan maar is dat één van de ongetwijfeld duizenden reacties die de Europese Commissie gekregen heeft (zoals o.a. ook de reacties van de VOB en NUV). Het is afwachten of, en hoe, het Europese auteursrechtenbeleid aangepast gaat worden. De route van de VOB om prejudiciële vragen aan het Europese Hof te stellen is dan ook de enige die resteert. Het Hof antwoordt echter maar zelden binnen een jaar en ook hier is het maar zeer de vraag of het UsedSoft arrest relevant wordt geacht in de overweging als het gaat om het uitlenen van ebooks.

Het gaat niet om auteursrecht maar om betere afspraken

Vorige week stuurde de VOB op haar beurt weer een reactie (PDF) naar de Tweede Kamer op de (eerste) brief van het NUV aan minister Bussemaker. Hierin verduidelijkt de VOB in de laatste alinea mijns inziens eindelijk waar het echt over zou moeten gaan:

Het uitlenen van e-boeken op basis van de afspraken die er zijn voor papieren boeken is nu onder de rechter, althans voor wat betreft prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie. Zolang daar geen definitieve uitspraak of nieuwe wetgeving over is, maken bibliotheken afspraken met de afzonderlijke rechthebbenden en sluiten ze licenties, hoeveel inspanning dat ook vergt en hoe zeer dat er toe leidt dat vele actuele werken niet via de openbare bibliotheken voor het publieke toegankelijk worden. Want de situatie thans leidt ertoe dat lang niet alle uitgevers tot afspraken of redelijke voorwaarden willen komen met openbare bibliotheken inzake het beschikbaar stellen van e-boeken.

Dat strookt met mijn eigen constatering dat de meerderheid van de – ook door het NUV genoemde aantal van – 5000 titels in de digitale bibliotheekcollectie bestaat uit ebooks die al enkele jaren oud zijn en sowieso nauwelijks of niet de verkoopmarkt van uitgevers bedreigen. De populaire titels en bestsellers zijn, afhankelijk van je definitie van populaire titels, slechts in zeer geringe mate vertegenwoordigd. De noodzaak voor biblioheken om contractuele afspraken te maken betekent namelijk niet dat *uitgevers* verplicht zijn die afspraken te maken. Ze kunnen er dus voor kiezen om alleen die titels te leveren aan bibliotheken die niet goed (meer) verkopen en waar het uitlenen via de bibliotheken toch nog inkomsten oplevert.

Vanaf het begin was dit de reden voor de minister om een stelsel van extended collective licensing (ECL) achter de hand te houden, en voor de Nederlandse regering om dit onderwerp te benoemen in de reactie op de EU consultatie. Het zou wel eens tijd kunnen zijn om deze route ook te gaan bewandelen. Om als Nederlandse regering niet te gaan bemiddelen tussen twee partijen die enerzijds voor en anderzijds tegen een leenrechtexceptie voor ebooks aan het pleiten zijn maar ze met wederzijdse verplichtingen aan de onderhandelingstafel te zetten. Zodat er ook goede afspraken gemaakt gaan worden die recht doen aan auteurs en uitgevers maar er ook voor zorgen dat de bibliotheken alle (actuele) titels kunnen uitlenen.

Het is bizar als je bedenkt dat dergelijke afspraken sowieso gemaakt moeten worden. Of het nou een stelsel van ECL wordt of dat onverhoopt toch het uitlenen van ebooks onder de leenrechtexceptie komt te vallen, in beide gevallen zijn er afspraken nodig over de voorwaarden en vergoedingen per uitlening en moet dit worden beheerd door een collectieve beheersorganisatie. Alle wegen konden nog wel eens doodleuk naar de Stichting Leenrecht gaan leiden.

Verder lezen: Rapport online uitlenen van ebooks door bibliotheken (Rijksoverheid) / Over leenrecht en het uitlenen van ebooks door bibliotheken (Vakblog) / Principles for Library eLending (IFLA) / Auteurs en uitgevers waarschuwen voor marktverstoring door bibliotheken (NUV) / Reactie van VOB op de brief van NUV en VvL (VOB) / Antwoord van het kabinet op de consultatie van de Commissie inzake de EU-herziening van het auteursrechtelijk kader (Overheid.nl) / NUV reageert op standpunt regering auteursrecht (NUV) / Proefprocedure e-books en leenrecht (VOB)

 

#
  • © 2006- 2021 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en duizenden liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top