Juridische kwesties: Auteursrecht voor kunstmatige intelligentie

In de Britse krant The Guardian verscheen in februari een artikel over kunstmatige intelligentie geschreven met behulp van… kunstmatige intelligentie. Inmiddels zijn er al diverse voorbeelden van teksten, foto’s, muziek en schilderijen die door slimme algoritmes gemaakt worden. Een boeiende vraag hierbij is: wie heeft nou eigenlijk het auteursrecht op die werken?

Enkele jaren geleden schreef ik in IP over een langlopende kwestie in de VS waarbij de vraag speelde of een kuifmakaak – een aap – het auteursrecht had op een reeks selfies die ze had gemaakt met de fotoapparatuur van een natuurfotograaf. Ondanks de bemoeienis van een dierenrechtenorganisatie, die de zaak tot vorig jaar nog in de rechtbank hield, twijfelden juristen geen moment. Natuurlijk had de aap niet het auteursrecht op de zelfgemaakte foto’s want auteursrecht is voorbehouden aan natuurlijke personen.

Auteurswet is voor mensen

In Nederland is dat niet anders. Artikel 1 van de Auteurswet beschrijft het auteursrecht als: ‘(…) het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld’. In de rechtspraak is vervolgens bepaald dat een werk een eigen, oorspronkelijk karakter dient te hebben en het persoonlijke stempel van de maker moet dragen.

En om die laatste definities gaat het vooral. Een werk moet nieuw zijn en het moet voortkomen uit creatieve, en daarmee menselijke, arbeid. Of zoals het Hof van Justitie in het Infopaq-arrest (16 juli 2009, C-5/08) concludeerde: auteursrecht rust op ‘scheppingen van de geest’.

Kunstmatige intelligentie

De discussie of apen ook scheppingen van de geest kunnen voortbrengen laat ik even voor wat die is. De afgelopen jaren hebben we namelijk de opkomst gezien van werken die door kunstmatige intelligentie zijn geproduceerd. Alle vormen van kunstmatige intelligentie zijn echter computerprogramma’s die weliswaar werken produceren die nieuw lijken maar uiteindelijk geprogrammeerd zijn met (complexe) keuzes die vooraf bedacht zijn door een programmeur. Dat computerprogramma wordt weliswaar zelf beschermd door het auteursrecht, maar dat maakt de resultaten van gebruikers van die software niet automatisch auteursrechtelijk beschermde werken. Als alle mogelijke keuzes voorgeprogrammeerd zijn, dan is er per definitie geen sprake van een creatieve keuze. Laat staan dat het een ‘schepping van de geest’ is.

Twijfel?

Je zou er wel aan kunnen gaan twijfelen als je de werken ziet die door slimme algoritmes gemaakt worden. YouTube-ster Taryn Southern maakte haar album I AM AI in 2017 met behulp van de AMPER AI-software die de muziek componeerde. In datzelfde jaar schreef een schrijfrobot – samen met Ronald Giphart – een verhaal voor de Nederland Leest-editie van de robotverhalen van Isaac Asimov.

Vorig jaar werd een, door een algoritme geschilderd, schilderij verkocht bij veilinghuis Christie’s voor 375.000 euro. Het algoritme had duizenden historische portretfoto’s geanalyseerd en daar een ‘eigen’ variant op gemaakt. En dan vorige maand het artikel in de Guardian dat geschreven is door open source AI-software. De grens tussen werken die (ogenschijnlijk) door mensen zijn gemaakt en datgene wat door algoritmes geproduceerd word, is aan het vervagen.

Vragen zonder antwoorden

Is de bedenker van de software, de algoritmes, de maker? Of komt de gebruiker van de software toch de rechten toe? Wanneer is er een verschil tussen Word gebruiken en een schrijfrobot? En is er dan wel sprake van een werk, zoals in de auteurswet beschreven wordt? Zo niet, zijn straks alle door software gecomponeerde muziekstukken, geschreven boeken en artikelen, automatisch geschoten foto’s en geschilderde schilderijen vrij van auteursrecht? De huidige auteursrechtwetgeving lijkt op al deze vragen geen antwoord te hebben. Er zal nieuwe wetgeving nodig zijn om afspraken te maken over werken die door kunstmatige intelligentie gemaakt zijn.

Maar dat ligt verder in de toekomst dan de komst van de slimme robots zelf.

Deze Juridische kwesties is ook gepubliceerd in IP 3 (2019).
#

Juridische kwesties: Een e-Privacyverordening met impact

De meeste bedrijven in Europa zijn nog druk bezig met de gevolgen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Maar ondertussen staat de volgende privacywet alweer voor de deur: de e-Privacyverordening.

Alle aandacht rondom privacy gaat nog steeds uit naar de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) die in mei 2018 van kracht werd. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is namelijk pas sinds kort begonnen met actief handhaven nu de ‘gewenningsperiode’ wel een beetje voorbij is. Bedrijven en instanties worden gecontroleerd en de AP neemt duizenden meldingen van burgers in behandeling.

Nieuwe richtlijn

Maar er is nog een strenge privacywet waar niet alleen bedrijven maar ook burgers mee te maken hebben. De huidige Europese e-Privacyrichtlijn uit 2002 regelt de bescherming van privacy en persoonsgegevens in de telecomsector. In Nederland is deze richtlijn verwerkt in de Telecommunicatiewet en er zijn (strenge) regels over onder andere het verwerken van zoek- en klikgedrag via cookies.

Het was de bedoeling om de aangescherpte e-Privacyrichtlijn tegelijk met de AVG te laten ingaan. Dat ging niet door omdat de discussies in het Europees Parlement niet op tijd waren afgerond. Inmiddels is er een conceptversie die dit jaar waarschijnlijk goedgekeurd gaat worden. De definitieve teksten volgen in 2020, waarna de nieuwe verordening van start kan gaan.

Verordening

Het is goed om te beseffen dat de oude e-Privacyrichtlijn wordt omgezet in een e-Privacyverordening. Een Europese verordening wordt rechtstreeks geldend recht in alle Europese lidstaten zonder dat deze verwerkt hoeft te worden in lokale wet- en regelgeving, zoals dat met een richtlijn wel moet gebeuren. Er is dus geen traject van (maximaal) twee jaar nodig om tot inwerkingtreding van de nieuwe privacyregels te komen, zoals dat met de AVG en de huidige e-Privacyrichtlijn wel het geval was.

Wat staat erin?

De e-Privacyverordening (ePV) heet voluit: ‘Verordening van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens in elektronische communicatie, en tot intrekking van Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)’. Simpel gezegd komt het neer op strenge(re) regels voor de verwerking van persoonsgegevens voor elektronische communicatiediensten. Denk daarbij aan internet maar ook alle diensten van Facebook en Google.

Regelt de AVG alles rondom het verwerken van persoonsgegevens als algemene wet (lex generalis), de ePV gaat dat specifieker invullen voor alle online diensten (lex specialis). Mocht er een overlap zijn, dan is de ePV bepalend. Daarom zal de impact zo mogelijk nog groter zijn dan de invoering van de AVG.

Vooral cookies

De ePV bevat nieuwe regels over onder andere de minimumeisen van ‘privacy by design’, hoe apparaten van gebruikers herkend mogen worden en wat er commercieel (niet) mag met verzamelde persoonsgegevens. Maar bovenal moet het de problemen rondom cookies en cookiewalls gaan oplossen. Een enorme uitdaging. Zo blijkt uit door de EU uitgevoerde evaluaties dat burgers niet willen nadenken over toestemming geven voor elke website die ze bezoeken – ze drukken klakkeloos op de knoppen in cookiewalls. Ondertussen leunen bedrijven steeds zwaarder op cookies om nieuwe functionaliteiten en webdiensten mogelijk te maken.

Hoe moeten websites bijvoorbeeld zorgen voor toestemming van alle bezoekers en gebruikers, op een manier die ervoor zorgt dat mensen een afgewogen keuze maken? Op die vraag geeft de ePV helaas geen antwoord. Hoe dan ook, de invoering van de e-Privacyverordening gaat een forse impact hebben op alle bedrijven, marketeers en burgers. Het lijkt aannemelijk dat de invoering van de e-Privacyverordening een forse impact gaat hebben op alle bedrijven, marketeers en burgers.

Deze Juridische kwesties is ook gepubliceerd in IP 2 (2019).
#

Juridische kwesties: Over smaak valt wel te twisten

Hoewel het er soms op lijkt dat je overal auteursrecht op kunt claimen, blijkt dat niet altijd het geval te zijn. Het Europese Hof van Justitie bepaalde onlangs dat de smaak van kaas niet auteursrechtelijk beschermd is.

Met alle juridische discussies het afgelopen jaar overuploadfilters, privacywetgeving en de nieuwe EU-auteursrechtrichtlijn had ik bijna een leuke Nederlandse welles-nietesdiscussie over de beschermde status van de smaak van een product over het hoofd gezien. Het kwam zelfs tot prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie en die laatste kwam begin november tot een ongekende duidelijke uitspraak. Maar voordat ik die uitspraak toelicht, moeten we eerst even terug in de tijd.

Concurrentie
In 2007 kwam Heks’nkaas op de markt, een smeerdip met roomkaas en verse kruiden. In 2011 werd dit product, inclusief alle intellectuele eigendomsrechten, verkocht aan het bedrijf Levola in Hengelo die het sindsdien exploiteert. In 2012 is er een octrooi verleend voor het proces van het maken van deze kaas en wordt de bereidingswijze dus beschermd door het octrooirecht.

Dit weerhield concurrent Smilde er niet van om in 2014 voor een Nederlandse supermarktketen met een vergelijkbare ‘Witte Wievenkaas’ tekomen. En aangezien die best wel leek op Heks’nkaas, zal het niemand verrassen dat Levola een procedure startte bij de rechtbank. Levola vond dat de WitteWievenkaas inbreuk maakte op de auteursrechten op de smaak van Heks’nkaas. Ofzoals ze het zelf – prachtig – formuleerde: hun auteursrecht op de ‘totale doorconsumptie van een voedingsmiddel veroorzaakte impressie op de smaakzintuigen met inbegrip van het met de tastzin waargenomen mondgevoel’.

Hoger beroep
De rechtbank Gelderland wees de vorderingen van Lovola in juni 2015 echter af – zonder dat ze hierbij de vraag beantwoordde of de smaak van Heks’nkaas auteursrechtelijk beschermd kon zijn. In het hoger beroep dat volgde stond dan ook deze vraag centraal. Levola was van mening dat de smaak van een voedingsmiddel als een auteursrechtelijk beschermd werk van letterkunde, wetenschap of kunst kan worden aangemerkt. Smilde vond vanzelfsprekend dat het auteursrecht daar niet van toepassing op was.

Aangezien er eerdere uitspraken in de jurisprudentie te vinden waren voor beide standpunten, besloot het gerechtshof in mei 2017 deze kernvraag voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie.

Langs de lat
Anderhalf jaar later legt het Europese Hof deze vraag langs de lat van de Europese auteursrechtrichtlijn. Om auteursrechtelijke bescherming te krijgen dient smaak als een ‘werk’ aangemerkt te kunnen worden in de zin van die richtlijn. En wordt de vraag dus of de smaak van een voedingsmiddel als een ‘werk’ gezien kan worden.

Nee, luidt het antwoord van het Europese Hof. Alleen uitdrukkingsvormen kunnen als werk bestempeld worden en niet denkbeelden, procedures, werkwijzen of wiskundige concepten. En iets kan alleen een uitdrukkingsvorm zijn als het voldoende nauwkeurig en objectief kan worden benoemd. Juist dat gaat niet op voor de smaak, want de smaakbeleving is voor iedereen anders en daardoor per definitie subjectief. Het Hof laat er geen twijfel over bestaan dat smaken (en met hetzelfde argument dus ook geuren) niet als werken aangemerkt kunnen worden en dus geen auteursrechtelijke bescherming genieten.

Of daarmee ook het laatste woord gezegd is in de rechtszaak tussen Levola en Smilde, zal nog moeten blijken. Nadat er jarenlang auteursrechtelijk wel over smaak getwist is zal Levola wellicht even moeten wennen aan dit bittere nasmaakje. 

Deze Juridische kwesties is ook gepubliceerd in IP 9 (2018).
#

  • © 2006- 2019 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en duizenden liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top