Juridische kwesties: Een e-Privacyverordening met impact

De meeste bedrijven in Europa zijn nog druk bezig met de gevolgen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Maar ondertussen staat de volgende privacywet alweer voor de deur: de e-Privacyverordening.

Alle aandacht rondom privacy gaat nog steeds uit naar de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) die in mei 2018 van kracht werd. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is namelijk pas sinds kort begonnen met actief handhaven nu de ‘gewenningsperiode’ wel een beetje voorbij is. Bedrijven en instanties worden gecontroleerd en de AP neemt duizenden meldingen van burgers in behandeling.

Nieuwe richtlijn

Maar er is nog een strenge privacywet waar niet alleen bedrijven maar ook burgers mee te maken hebben. De huidige Europese e-Privacyrichtlijn uit 2002 regelt de bescherming van privacy en persoonsgegevens in de telecomsector. In Nederland is deze richtlijn verwerkt in de Telecommunicatiewet en er zijn (strenge) regels over onder andere het verwerken van zoek- en klikgedrag via cookies.

Het was de bedoeling om de aangescherpte e-Privacyrichtlijn tegelijk met de AVG te laten ingaan. Dat ging niet door omdat de discussies in het Europees Parlement niet op tijd waren afgerond. Inmiddels is er een conceptversie die dit jaar waarschijnlijk goedgekeurd gaat worden. De definitieve teksten volgen in 2020, waarna de nieuwe verordening van start kan gaan.

Verordening

Het is goed om te beseffen dat de oude e-Privacyrichtlijn wordt omgezet in een e-Privacyverordening. Een Europese verordening wordt rechtstreeks geldend recht in alle Europese lidstaten zonder dat deze verwerkt hoeft te worden in lokale wet- en regelgeving, zoals dat met een richtlijn wel moet gebeuren. Er is dus geen traject van (maximaal) twee jaar nodig om tot inwerkingtreding van de nieuwe privacyregels te komen, zoals dat met de AVG en de huidige e-Privacyrichtlijn wel het geval was.

Wat staat erin?

De e-Privacyverordening (ePV) heet voluit: ‘Verordening van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens in elektronische communicatie, en tot intrekking van Richtlijn 2002/58/EG (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie)’. Simpel gezegd komt het neer op strenge(re) regels voor de verwerking van persoonsgegevens voor elektronische communicatiediensten. Denk daarbij aan internet maar ook alle diensten van Facebook en Google.

Regelt de AVG alles rondom het verwerken van persoonsgegevens als algemene wet (lex generalis), de ePV gaat dat specifieker invullen voor alle online diensten (lex specialis). Mocht er een overlap zijn, dan is de ePV bepalend. Daarom zal de impact zo mogelijk nog groter zijn dan de invoering van de AVG.

Vooral cookies

De ePV bevat nieuwe regels over onder andere de minimumeisen van ‘privacy by design’, hoe apparaten van gebruikers herkend mogen worden en wat er commercieel (niet) mag met verzamelde persoonsgegevens. Maar bovenal moet het de problemen rondom cookies en cookiewalls gaan oplossen. Een enorme uitdaging. Zo blijkt uit door de EU uitgevoerde evaluaties dat burgers niet willen nadenken over toestemming geven voor elke website die ze bezoeken – ze drukken klakkeloos op de knoppen in cookiewalls. Ondertussen leunen bedrijven steeds zwaarder op cookies om nieuwe functionaliteiten en webdiensten mogelijk te maken.

Hoe moeten websites bijvoorbeeld zorgen voor toestemming van alle bezoekers en gebruikers, op een manier die ervoor zorgt dat mensen een afgewogen keuze maken? Op die vraag geeft de ePV helaas geen antwoord. Hoe dan ook, de invoering van de e-Privacyverordening gaat een forse impact hebben op alle bedrijven, marketeers en burgers. Het lijkt aannemelijk dat de invoering van de e-Privacyverordening een forse impact gaat hebben op alle bedrijven, marketeers en burgers.

Deze Juridische kwesties is ook gepubliceerd in IP 2 (2019).
#

Juridische kwesties: Over smaak valt wel te twisten

Hoewel het er soms op lijkt dat je overal auteursrecht op kunt claimen, blijkt dat niet altijd het geval te zijn. Het Europese Hof van Justitie bepaalde onlangs dat de smaak van kaas niet auteursrechtelijk beschermd is.

Met alle juridische discussies het afgelopen jaar overuploadfilters, privacywetgeving en de nieuwe EU-auteursrechtrichtlijn had ik bijna een leuke Nederlandse welles-nietesdiscussie over de beschermde status van de smaak van een product over het hoofd gezien. Het kwam zelfs tot prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie en die laatste kwam begin november tot een ongekende duidelijke uitspraak. Maar voordat ik die uitspraak toelicht, moeten we eerst even terug in de tijd.

Concurrentie
In 2007 kwam Heks’nkaas op de markt, een smeerdip met roomkaas en verse kruiden. In 2011 werd dit product, inclusief alle intellectuele eigendomsrechten, verkocht aan het bedrijf Levola in Hengelo die het sindsdien exploiteert. In 2012 is er een octrooi verleend voor het proces van het maken van deze kaas en wordt de bereidingswijze dus beschermd door het octrooirecht.

Dit weerhield concurrent Smilde er niet van om in 2014 voor een Nederlandse supermarktketen met een vergelijkbare ‘Witte Wievenkaas’ tekomen. En aangezien die best wel leek op Heks’nkaas, zal het niemand verrassen dat Levola een procedure startte bij de rechtbank. Levola vond dat de WitteWievenkaas inbreuk maakte op de auteursrechten op de smaak van Heks’nkaas. Ofzoals ze het zelf – prachtig – formuleerde: hun auteursrecht op de ‘totale doorconsumptie van een voedingsmiddel veroorzaakte impressie op de smaakzintuigen met inbegrip van het met de tastzin waargenomen mondgevoel’.

Hoger beroep
De rechtbank Gelderland wees de vorderingen van Lovola in juni 2015 echter af – zonder dat ze hierbij de vraag beantwoordde of de smaak van Heks’nkaas auteursrechtelijk beschermd kon zijn. In het hoger beroep dat volgde stond dan ook deze vraag centraal. Levola was van mening dat de smaak van een voedingsmiddel als een auteursrechtelijk beschermd werk van letterkunde, wetenschap of kunst kan worden aangemerkt. Smilde vond vanzelfsprekend dat het auteursrecht daar niet van toepassing op was.

Aangezien er eerdere uitspraken in de jurisprudentie te vinden waren voor beide standpunten, besloot het gerechtshof in mei 2017 deze kernvraag voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie.

Langs de lat
Anderhalf jaar later legt het Europese Hof deze vraag langs de lat van de Europese auteursrechtrichtlijn. Om auteursrechtelijke bescherming te krijgen dient smaak als een ‘werk’ aangemerkt te kunnen worden in de zin van die richtlijn. En wordt de vraag dus of de smaak van een voedingsmiddel als een ‘werk’ gezien kan worden.

Nee, luidt het antwoord van het Europese Hof. Alleen uitdrukkingsvormen kunnen als werk bestempeld worden en niet denkbeelden, procedures, werkwijzen of wiskundige concepten. En iets kan alleen een uitdrukkingsvorm zijn als het voldoende nauwkeurig en objectief kan worden benoemd. Juist dat gaat niet op voor de smaak, want de smaakbeleving is voor iedereen anders en daardoor per definitie subjectief. Het Hof laat er geen twijfel over bestaan dat smaken (en met hetzelfde argument dus ook geuren) niet als werken aangemerkt kunnen worden en dus geen auteursrechtelijke bescherming genieten.

Of daarmee ook het laatste woord gezegd is in de rechtszaak tussen Levola en Smilde, zal nog moeten blijken. Nadat er jarenlang auteursrechtelijk wel over smaak getwist is zal Levola wellicht even moeten wennen aan dit bittere nasmaakje. 

Deze Juridische kwesties is ook gepubliceerd in IP 9 (2018).
#

Juridische kwesties: Foto’s van internet niet zomaar te hergebruiken

Wie op een website foto’s publiceert die al eerder elders op internet geplaatst zijn, maakt inbreuk op het auteursrecht van de fotograaf. Dat heeft het Europese Hof van Justitie onlangs bepaald. Inderdaad, je mag niet zomaar foto’s van internet overnemen en zonder toestemming gebruiken. Maar dat wist je al, toch?

Een van de grootste misverstanden over auteursrecht die ik bijna dagelijks tegenkom, is het idee dat je een foto op internet ‘gratis en voor niets’ voor jezelf kunt gebruiken. De achterliggende gedachte is dan dat de fotograaf de foto zelf online heeft gezet en dat je dan ‘vanzelfsprekend’ niet nog eens toestemming hoeft te vragen om die foto online te mogen gebruiken.

Zo werkt het auteursrecht echter niet. Auteursrecht geeft de maker van een werk het uitsluitend recht om dat werk openbaar te maken en te verveelvoudigen. Aldus artikel 1 van de Auteurswet. Dit betekent dat alleen de maker van een foto mag bepalen of die foto ergens gepubliceerd en gekopieerd mag worden. Voor elke openbaarmaking en voor elke kopieerhandeling moet hij of zij dus apart toestemming geven. In de praktijk blijkt het vaak anders opgevat te worden.

Geëscaleerd

Waarom bemoeit het Europese Hof zich ermee? Een Duitse rechtszaak is geëscaleerd naar het hoogste Europese Hof om voor eens en altijd antwoord te geven op de vraag of er echt opnieuw toestemming nodig is om een foto van internet te hergebruiken.

Een leerlinge van een Duitse middelbare school vond op internet een foto van de Spaanse stad Cordoba. Deze gebruikte ze in een werkstuk en na afronding werd haar werk geüpload naar de website van de school.

De foto in kwestie was gemaakt door een professionele fotograaf die aan de website van een digitaal reismagazine een licentie had gegeven om de foto te mogen gebruiken. Hij ontdekte zijn foto op de website van de school en verzocht de school de foto te verwijderen en een schadevergoeding te betalen. Toen de school dit weigerde, kwam dit voor de rechter – en de fotograaf bleek in zijn gelijk te staan.

Toch ging de school tegen deze uitspraak in beroep. Ze vond dat de foto ‘openbaar’ op internet stond; bovendien waren er geen technische maatregelen genomen door de website om het downloaden ervan tegen te gaan.

Deze kwestie zorgde ervoor dat de hoogste rechtbank in Duitsland (het Bundesgerichtshof) zich ging focussen op de vraag of het opnieuw plaatsen van de foto ook een nieuwe openbaarmaking inhoudt. Of in de verwoording in de Europese auteursrechtrichtlijn: is het opnieuw publiceren van een foto die al op internet stond een nieuwe mededeling aan het publiek? Die vraag stelde het Bundesgerichtshof vervolgens aan het Europese Hof.

Nieuw publiek?

De Europese auteursrechtrichtlijn kijkt naar twee aspecten als het gaat om het vaststellen of iets een mededeling aan een publiek is. Enerzijds moet het een handeling zijn die een werk verspreidt naar anderen en anderzijds moet die mededeling gericht zijn op een (nieuw) publiek.

Een foto online zetten zodat hij voor het publiek beschikbaar komt, is logischerwijs al een handeling. Wil er echter sprake zijn van een mededeling aan het publiek, dan moet dit ofwel een nieuwe verschijningsvorm zijn (digitaal versus een originele papieren versie bijvoorbeeld) dan wel gericht zijn op een nieuw publiek. Aangezien de foto op de reiswebsite een specifieke doelgroep heeft en de website van een school zich op een andere doelgroep richt, oordeelt het Europese Hof dat het wel degelijk een nieuwe mededeling is.

De maker bepaalt

Het uitgangspunt van het Europese auteursrecht is dat er een hoog beschermingsniveau geboden wordt aan de makers. Het Europese Hof van Justitie bevestigt met deze uitspraak dat een maker altijd zelf kan bepalen wie zijn of haar werk gebruikt. Het downloaden van een foto en het vervolgens weer uploaden ervan is dus echt een inbreuk.

Ongeacht of je dat als gebruiker logisch vindt of niet.

Deze Juridische kwesties is ook gepubliceerd in IP 7 (2018).

#

In april 2018 gaf Advocaat-Generaal Campos Sanchez-Bordona overigens zijn eigen conclusie over deze kwestie als advies aan het Europese Hof. De AG liet het uitgangspunt van sterke bescherming van auteursrechthebbenden los en stelde een mix van argumenten samen die vooral bedoeld leek om de leerlinge en het gebruik van foto’s in onderwijscontext te ontzien. Hij keek ook vooral naar de status van de foto als een beschermd werk maar ook of het gebruik ervan onder de onderwijsbeperking zou kunnen vallen. Ik schreef destijds over zijn bevindingen hier op Vakblog.
Zijn conclusie was dat het plaatsen van de foto op de website van een school zonder winstoogmerk en met bronvermelding geen mededeling aan een nieuw publiek oplevert. Een advies dat door het Europese Hof uiteindelijk dus niet overgenomen is.
  • © 2006- 2019 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en duizenden liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top