Auteursrecht (van bladmuziek) in de onderwijspraktijk

Vorige week gaf ik een presentatie over auteursrecht aan docenten en medewerkers van de Amsterdamse Hogeschool voor de kunsten (AHK). Op zich niet heel bijzonder want ik heb wel vaker (uitgebreide) presentaties gehouden over de combinatie van auteursrecht en het hoger onderwijs. Vooral na of tijdens een controle van Stichting PRO komen er veel vragen over wat er wel (en niet) mag ter toelichting van het onderwijs.

Wat deze presentatie voor mij bijzonder maakte waren de vragen vanuit de AHK over het gebruik van bladmuziek in de les. Er zijn niet veel hogescholen waar muziekonderwijs gegeven wordt en ik zelf had me er in ieder geval nog niet eerder in hoeven verdiepen aangezien dat bij Windesheim niet voorkomt. Tot mijn verrassing bleek het helemaal niet gemakkelijk te zijn om er achter te komen wat je wel en niet mag als docent met bladmuziek in je onderwijs. Sterker nog, ik eindig deze blogpost niet met een conclusie maar met mijn eigen vragen. Sorry.

De presentatie

Ik heb diverse keren over de (meeste) onderwerpen geschreven in mijn presentatie. Dat ga ik niet nog een keer samenvatten en dus verwijs ik je graag naar een selectie van eerdere blogposts hierover:

Bladmuziek is een ander verhaal

Op het eerste gezicht lijken de afspraken rondom bladmuziek niet anders te zijn dan voor boeken of tijdschriften. In de onderwijsexceptie (artikel 16 Aw) staat beschreven dat ‘verveelvuldiging of openbaarmaking van gedeelten’ van auteursrechtelijk beschermde werken ter toelichting van het onderwijs geen inbreuk vormt op het auteursrecht. Voor de opname van die gedeelten van werken in readers of digitale leeromgeving moet echter wel een ‘billijke vergoeding’ aan de rechthebbende(n) -de uitgever of de auteur- betaald worden.

In de readerovereenkomst die de hogescholen met Stichting PRO (en daarmee de rechthebbenden) hebben staat ook de definitie opgenomen van wat een gedeelte – of korte overname – is bij bladmuziek: voor een liedtekst maximaal één couplet en één refrein. En bij notenschrift maximaal vijf notenbalken met een maximum van 20% van het originele werk. Zolang je als docent binnen die grenzen blijft mag je dit dus gebruiken in een reader en valt dat onder de afkoopregeling.

Toen ik nazocht wat de andere hogeschool voor de kunsten (Codarts) als regel hanteerde, bleken zij een andere interpretatie (afgesproken?) te hebben. Voor teksten uit vocale muziekwerken geldt dat overname tot een maximum van 100 regels is toegestaan mits niet meer omvattend dan een tiende deel van het gehele oorspronkelijke werk. Voor het notenschrift geldt dat maximaal een halve pagina van het oorspronkelijk werk mag worden overgenomen.

OK, dat wijkt dus behoorlijk af van de readerovereenkomst en dit puntje verhuist daarmee naar de agenda van de eerstvolgende evaluatie van de readerovereenkomst tussen Stichting PRO en het Netwerk van Auteursrechten Informatiepunten.

Zo digitaal is bladmuziek niet in de praktijk

Het wordt echter nog lastiger want er speelt meer bij bladmuziek dan alleen de onderwijsexceptie en de bijbehorende readerovereenkomst. Bladmuziek wordt weliswaar ook in readers gebruikt maar nog veel vaker in de les zelf. Bladmuziek wordt bestudeerd en geanalyseerd door studenten en natuurlijk heb je ook bladmuziek nodig bij een uitvoering in de les. Dat is niet digitaal maar gewoon heerlijk praktisch op papier. En je hebt niets aan een korte overname natuurlijk.

Oftewel, een docent wil dat elke student in de les een eigen (papieren) kopie van de bladmuziek heeft.

En dan krijg je te maken met twee andere beperkingen in de Auteurswet. Artikel 16b Aw die het toestaat dat een student voor eigen oefening, studie of gebruik een (fysieke) kopie maakt van een partituur. In dat artikel word weliswaar gesteld dat het maar om een klein gedeelte van het werk mag gaan maar dat is natuurlijk niet te controleren of te handhaven. Als een docent een orgineel beschikbaar stelt en de studenten daar zelf kopieën van maken dan levert dat in de praktijk geen enkel probleem op.

Reprorecht

De tweede beperking in de Auteurswet die relevant lijkt te zijn is het reprorecht. Artikel 16h Aw stelt dat reprografisch verveelvoudigen van artikelen en (gedeelten van) boeken geen inbreuk is als daar een billijke vergoeding voor betaald wordt. De Stichting Reprorecht heeft, behalve voor bedrijven, ook een regeling voor het onderwijs hiervoor. Die heeft zijn oorsprong liggen in de algemene maatregel van bestuur van 27 november 2002 die verdere invulling gaf aan het reprorecht. In dit Besluit reprografisch verveelvoudigen werden de mogelijkheden uitgebreid voor overheidsinstellingen, bibliotheken en onderwijsinstellingen.

Artikel 4 van dat besluit geeft aan dat je papieren kopieën mag maken van werken indien de verveelvoudigingen worden vervaardigd ten behoeve van degenen die het onderwijs volgen of die voornemens zijn een examen af te leggen, mits het verveelvoudigen geschiedt ter noodzakelijke aanvulling van de in de leerplannen en studieprogramma’s per vak voorgeschreven of aanbevolen leerboeken. Het aantal verveelvoudigingen mag niet groter zijn dan het aantal leerlingen of studenten dat de verveelvoudigingen nodig heeft, hetzij voor het volgen van het onderwijs, hetzij met het oog op een af te leggen examen.

Dat is handig want dat geeft de ruimte aan docenten om – binnen een regeling met Stichting Reprorecht – kopietjes te maken van artikelen of een hoofdstuk uit een boek. Als je dertig studenten in je les hebt zitten en je komt een interessant artikel tegen in een vaktijdschrift, dan kun je dertig kopietjes maken en uitdelen in de les.

Dit valt strikt genomen niet onder de readerovereenkomst (hoewel het daar ook prima onder te scharen is mijns inziens) want het mag onder het reprorecht ook gaan om materiaal ter noodzakelijke aanvulling van de in de leerplannen en studieprogramma’s per vak voorgeschreven of aanbevolen leerboeken, aldus het artikel.

Nou, dat klinkt ook als de perfecte oplossing voor docent van een hogeschool voor de kunsten om bladmuziek te kopiëren en uit te delen aan elke student in zijn of haar les, nietwaar? Zeker als het ter aanvulling is van de materialen die door een docent voorgeschreven zijn en die door een student gekocht zijn.

En nu wordt het pas echt onduidelijk

Bladmuziek lijkt ook onder de reprorechtregelingen te vallen. Kijk op je de site van Stichting Reprorecht, dan vind je bladmuziek gewoon in het overzicht met categorieën van de verdeling van de reprorechtvergoedingen. In 2015 blijkt ook gemiddeld 1% van de verdeelde vergoedingen van bladmuziek afkomstig te zijn.

Prettig geregeld, wilde ik aan de AHK melden in mijn presentatie. Ga het gesprek met Stichting Reprorecht aan en laten we kijken hoe we dit netjes kunnen regelen. De bladmuziekregeling voor het hoger onderwijs die je wist dat zou komen.

Totdat ik toevallig de toelichting las bij het besluit reprografisch verveelvoudigen zoals dat in het Staatsblad stond:

Het kopiëren van bladmuziek valt niet onder de regeling. In artikel 16h is, anticiperend op de richtlijn 2001/29/EG [de Europese auteursrechtrichtlijn] […] niet voorzien in de mogelijkheid om tegen betaling van een vergoeding bladmuziek te kopiëren. Het besluit voorziet evenmin in deze mogelijkheid en voorziet daarmee in tijdige uitvoering van de richtlijn die uiterlijk op 22 december 2002 geïmplementeerd moet zijn. Voor het kopiëren van bladmuziek geldt het verbodsrecht. Een en ander laat onverlet het reprografisch kopiëren van bladmuziek voor privé-doeleinden, geregeld in artikel 16b van de wet.

En nu ben ik dus zelf in de war. Bladmuziek mag niet gekopieerd worden onder het reprorecht – de toelichting is daar helder in – maar de Stichting Reprorecht heeft er desondanks een regeling voor? Hebben ze de toelichting nooit gelezen of wordt die om praktische redenen genegeerd? Is er nog kans op een bladmuziekregeling voor het hoger onderwijs of zullen studenten toch maar bladmuziek moeten (blijven) kopiëren voor privé-doeleinden?

Wie kan het mij uitleggen?

Update 31-10-2017: Er blijken geen afwijkende afspraken tussen Codarts en Stichting PRO te zijn m.b.t. overnames uit bladmuziek. Het verandert echter niets aan de conclusie dat de huidige afspraken in de readerregeling en reprorechtregeling niet goed werken in de praktijk. En dat er behoefte is aan een nieuwe regeling voor het gebruik van bladmuziek ter toelichting bij het onderwijs.

@header via Pixabay met een CC0-verklaring

#

Wat mag je (auteursrechtelijk) in het onderwijs met aanvullend toetsmateriaal van uitgevers?

auteursrechtelijk gebruik van toetsmateriaal en aanvullend onderwijsmateriaalVia Marcel, een collega van Avans Hogeschool, kwam de volgende vraag van een docent: In mijn colleges ga ik in op de stof uit een voorgeschreven studieboek en voeg ik aan het einde van dit college enkele multiple choice vragen toe die ik van de site van de uitgever haal. Na afloop van het college plaats ik mijn sheets inclusief vragen op Blackboard. Is dit echter wel auteursrechtelijk geoorloofd?

Marcel voegt er aan toe: Soortgelijke vragen komen onze kant op als docenten een docentenversie hebben van voorgeschreven literatuur die de student moet gebruiken. Deze docentenversie bevat de uitwerkingen van opdrachten (uit het studentenexemplaar) die de docent wil delen met zijn studenten maar het is ze vaak niet duidelijk wat ze nu wel en niet mogen met het docentenexemplaar.

Van wie zou het niet mogen?

Het zijn twee verschillende vragen maar ze liggen wel in elkaars verlengde.  In beide gevallen is er door de uitgever toetsmateriaal beschikbaar gemaakt als aanvulling op het studieboek dat door de uitgever verkocht wordt. En gaat het in beide gevallen om materiaal dat specifiek bedoeld is voor de docenten. In het geval van een speciale docentenversie van een studieboek is het natuurlijk niet de bedoeling dat de studenten kunnen beschikken over de uitwerkingen van de opdrachten die in hun eigen versie van dat boek staan. Het kan dan wat raar aanvoelen als je als docent alsnog de uitwerkingen deelt met je studenten. Alsof je een niet uitgesproken afspraak met de uitgever niet nakomt.

Dit heeft echter niet zo zeer te maken met het auteursrecht. Educatieve uitgevers willen graag hun studieboeken tot een verkoopsucces maken en de route om zo veel mogelijk exemplaren te verkopen loopt nou eenmaal via de docenten. Als een docent het materiaal niet gebruikt in zijn of haar les – niet voorschrijft op de literatuurlijst – dan gaan studenten dat vanzelfsprekend ook niet aanschaffen. Dat is de reden dat uitgevers het zo aantrekkelijk mogelijk willen maken voor een docent om hun studieboeken te gebruiken en ze verrijken het fysieke boek dan ook graag met aanvullend achtergrondmateriaal, opdrachten, ander toetsmateriaal of zelfs een complete website die complementair is aan het boek.

Vaak is al dat materiaal beschikbaar voor iedereen die het boek gekocht heeft maar soms is het specifiek voor de docent bedoeld en tja, dan moet je er wel zorg voor dragen dat studenten niet zo maar bij antwoorden en uitwerkingen van opdrachten kunnen komen. Op papier kiezen uitgevers er dan soms voor om een aparte docentenversie van een boek uit te brengen die niet op reguliere wijze (door studenten) besteld kunnen worden en digitaal wordt het achter een inlog gezet waarbij je moet aantonen dat je docent bent.

Wil je als docent echter dat materiaal, dat voor jou bedoeld is, weer delen met studenten? Dan kan dat zonder problemen. Nadat je de uitwerking van een opdracht besproken hebt kun je die gewoon delen en dat geldt ook voor multiple choice vragen, proefexamens of wat dan maar ook.

Maar wel binnen auteursrechtelijke grenzen natuurlijk

Qua auteursrecht maakt het niets uit of je materiaal uit een regulier studieboek, een studentenversie of een docentenversie wilt gebruiken in het onderwijs. Al die werken zijn auteursrechtelijk beschermd en als je delen ervan wilt plaatsen in de elektronische leeromgeving voor studenten dan geldt daar de readerovereenkomst voor. Dit is een uitwerking van de onderwijsbeperking in de Auteurswet in de vorm van een afkoopregeling waarbij ten behoeve van het onderwijs tot 10.000 woorden uit een (studie)boek mag worden gebruikt in een reader of elektronische leeromgeving zonder dat daar toestemming van de uitgever of auteur nodig is. Of de uitgever het wel een goed idee vindt dat je de uitwerkingen uit een docentenversie deelt met je studenten is daarmee dus niet meer van belang. Dat mag (en moet) je zelf bepalen.

Het geldt dus ook in die – sporadische – gevallen dat er bij het aanvullende materiaal vermeld staat dat je het niet voor bepaalde doeleinden mag gebruiken. Ook al is het auteursrecht een verbodsrecht, als je dat materiaal gebruikt conform de voorwaarden van één van de uitzonderingen in de Auteurswet dan heb je geen toestemming nodig en kan de rechthebbende je het dus ook niet verbieden.

Vroeger zag je bijvoorbeeld nog wel eens een sticker op een dvd zitten waarop stond dat het niet voor educatieve doeleinden gebruikt mocht worden. De vertoningsbeperking uit artikel 12, lid 5 Aw, staat een docent echter toe om de dvd desondanks gewoon te mogen vertonen in de les.

auteursrechtelijk gebruik van toetsmateriaal en aanvullend onderwijsmateriaal

Multiple choice vragen zijn geen (studie)boeken natuurlijk. De multiple choice vragen die de docent van de site van de uitgever heeft gehaald zijn in beginsel echter ook beschermd door het auteursrecht hoewel hier geen strakke afbakening in te maken is. De vraag is namelijk of een multiple choice vraag gezien kan worden als een werk.

Om iets als een werk te mogen bestempelen moet er sprake zijn van een eigen oorspronkelijk karakter en een persoonlijk stempel van de maker. Je moet dus wel een formulering kiezen die niet simpelweg ontleend is aan een al bestaand iets en waar je als maker eigen creatieve keuzes in gemaakt hebt. Een simpele opsomming van enkele feiten kan dan als banaal en triviaal gezien worden (Wat is de hoofdstad van Nederland? a) Den Haag, b) Zwolle of c) Amsterdam?) en dergelijke vragen zouden dan niet als een werk gezien hoeven te worden.

Je mag echter verwachten dat de multiple choice vragen die door een uitgever gemaakt worden om de inhoud van een specifiek studieboek te toetsen wel degelijk als werken gezien mogen worden. Het is dan ook verstandig om van dezelfde voorwaarden uit te gaan als van het overnemen uit een boek en maximaal 10.000 woorden als aanvulling op je sheets in de elektronische leeromgeving te zetten. In de praktijk zal echter geen uitgever eisen dat een docent de (zelf)toetsvragen, die door de uitgever zelf verspreid worden, niet in de elektronische leeromgeving mag plaatsen. Twijfel je ondanks het bovenstaande nog steeds of je het mag gebruiken? Neem dan contact op met de uitgever en vraag het expliciet na.

@afbeelding via Pixabay met CC0 verklaring

#

Gebruik van beeldmateriaal ter toelichting bij het onderwijs – wat mag binnen de readerovereenkomst?

gebruik van beeldmateriaal ter toelichting bij het onderwijs
Dit jaar is een nieuwe readerovereenkomst (voor het hbo) van kracht geworden. Dit is een praktische invulling van de onderwijsexceptie in de Auteurswet die het mogelijk maakt om, ter toelichting bij het onderwijs, korte overnames uit boeken en tijdschriften te mogen gebruiken als onderwijsmateriaal zonder daarvoor toestemming van de rechthebbenden te hoeven vragen. Middels een afkoopregeling wordt het gebruik van deze korte overnames geregeld en in de readerovereenkomst wordt nauwkeurig omschreven wat de definities van een korte overname is.

Tot zo ver niets aan de hand. Behalve dat de laatste jaren steeds meer beeldmateriaal – foto’s, tekeningen en afbeeldingen – in het onderwijsmateriaal opgenomen wordt. Niet alleen datgene dat je tussen de tekst in boekhoofdstukken en artikelen terug vindt maar ook losse foto’s, tekeningen en afbeeldingen die vooral in (Powerpoint- of Prezi-)presentaties gebruikt worden ter illustratie van, en toelichting op, de lesstof.

Is dat ook geregeld in de Auteurswet?

Voor het gebruik van beeldmateriaal gelden in beginsel dezelfde regels als voor teksten uit boeken en tijdschriften: je hebt op 1 of andere manier toestemming nodig van de rechthebbende tenzij je je kunt beroepen op een uitzondering in de Auteurswet.

De onderwijsexceptie houdt in lid 2 gelukkig ook rekening met andere werken die ter toelichting bij het onderwijs gebruikt mogen worden. Daar staat namelijk:

Waar het geldt een kort werk of een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid onder 6°., onder 9°. of onder 11°. mag voor hetzelfde doel en onder dezelfde voorwaarden het gehele werk worden overgenomen.

De werken waar naar gerefereerd wordt in artikel 10, eerste lid onder 6°, 9° en 11° zijn dus afbeeldingen, foto’s en tekeningen. Het komt er op neer dat het bij beeldmateriaal toegestaan is om het volledige werk te mogen gebruiken ter toelichting bij het onderwijs in plaats van een (kort) deel ervan.

In de readerovereenkomst wordt dit in de toelichting ook aangegeven inclusief de toevoeging dat er wel restricties zijn in de hoeveelheid werken die je van één maker mag gebruiken:

Ook voor foto’s en tekeningen geldt krachtens artikel 16 lid 2 Auteurswet dat deze als kort werk voor hetzelfde doel en onder dezelfde voorwaarden geheel mogen worden overgenomen. Op grond van artikel 16 lid 3 Auteurswet geldt daarbij dat voor het overnemen in een reader van dezelfde maker (fotograaf, tekenaar of beeldend kunstenaar) niet meer mag worden overgenomen dan enkele van zijn werken.

Gemakshalve worden foto’s en afbeeldingen meegeteld in de berekening van korte overnames en tellen ze mee voor 200 woorden per stuk. Logisch als je een foto bij een overgenomen tekst plaatst in een reader maar niet heel erg handig als je (alleen) losse foto’s in een presentatie wilt zetten. Als een korte overname – van een artikel – maximaal 8000 woorden mag bevatten, is het dan zo dat je 40 foto’s mag gebruiken in een presentatie? En hoeveel mogen er dan maximaal van één en dezelfde maker zijn? Hoeveel is ‘niet meer dan enkele van zijn werken’?

Dat vragen we na bij de rechthebbenden!

Zoals Stichting PRO de belangen behartigt van uitgevers als het gaat om teksten (boeken en tijdschriften), zo doet Pictoright dat namens de beeldmakers voor beeldmateriaal. Of je nou gedigitaliseerde foto’s uit je archief online wilt zetten of foto’s ter toelichting bij het onderwijs in een presentatie wilt gebruiken, daar zul je afspraken met de rechthebbenden over moeten maken. Met Pictoright dus.

Het Netwerk Auteursrechten Informatiepunten-hbo is daarom om tafel gaan zitten met Stichting PRO en Pictoright om de afspraken in de readerovereenkomst concreter te verduidelijken. Wat mag een docent aan beeldmateriaal gebruiken ter toelichting bij het onderwijs? Onder welke voorwaarden? En hoeveel foto’s en afbeeldingen van één en dezelfde maker mogen er in een presentatie opgenomen worden?

De hieronder genoemde aantallen en afspraken zullen volgend jaar formeel worden vastgelegd in de tekst van de readerovereenkomst maar zijn wel met onmiddellijke ingang van toepassing:

In Powerpoint- en Prezi-presentaties mogen tot 25 foto’s, afbeeldingen of andersoortig beeldmateriaal worden opgenomen zonder aanvullende toestemming, waarvan tot 5 foto’s van dezelfde maker afkomstig mogen zijn. Vanaf 26 afbeeldingen moet er toestemming worden gevraagd aan de beeldmaker;

Een naamsvermelding, bestaande uit de vindplaats van de foto of afbeelding en naam van de maker, dient opgenomen te worden in de Powerpoint- of Prezi-presentatie. Dit kan zowel rechtstreeks bij de foto, als voetnoot op de betreffende dia of gebundeld op een aparte dia voor- of achterin de presentatie.

Komen de foto’s en tekeningen uit boeken of tijdschriften? Dan worden ze onveranderd meegenomen in de berekening van het aantal woorden voor een korte overname en tellen ze voor 200 woorden mee.

Wat betekent dit nu praktisch?

Als je foto’s, grafieken, tekeningen of andere afbeeldingen in je Powerpoint of Prezipresentatie wilt gebruiken dan kun je het beste op zoek gaan naar beeldmateriaal op één van de vele fotosites die gebruik maken van Creative Commons licenties.

Sites als Pixabay, Pexels, Unsplash maar ook (een groot deel van het aanbod bij) Flickr hebben vele tienduizenden foto’s waarbij de maker al vooraf toestemming gegeven heeft voor hergebruik. Handig want je hebt dan meteen de informatie over de vindplaats en de naamsvermelding. Aangezien je toestemming hebt via een Creative Commons licentie hoef je ook niet te letten op de regels binnen de readerovereenkomst.

Datzelfde geldt ook als je gebruik kunt/wilt maken van een beelddatabank. Dat zijn betaalde databanken vol met foto’s en afbeeldingen en hierbij moet je ofwel zelf een klein bedrag per foto betalen of heeft je onderwijsinstelling dit (hopelijk) al geregeld. Enkele instellingen bieden bijvoorbeeld Britannica ImageQuest aan. Hierbij is de toestemming dan ook geregeld en is het zeer gemakkelijk om de naamsvermelding over te nemen in de presentatie.

Heb je niet iets kunnen vinden bij de fotosites of beelddatabanken? Dan kun je dus binnen de readerovereenkomst maximaal 25 foto’s of afbeeldingen gebruiken zonder dat daarvoor aanvullende toestemming geregeld hoeft te worden. Dat kunnen illustraties, foto’s en grafieken uit een studieboek zijn maar ook foto’s die je elders op internet gevonden hebt.  Hierbij geldt dan wel dat er niet meer dan vijf van dezelfde maker (uit dezelfde bron!) gebruikt mogen worden en dat je (soms) op zoek zult moeten gaan naar de precieze gegevens om ook netjes de naamsvermelding en vindplaats te kunnen vermelden in de presentatie.

#

  • © 2006- 2019 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en duizenden liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top