Gebruik van beeldmateriaal ter toelichting bij het onderwijs – wat mag binnen de readerovereenkomst?

gebruik van beeldmateriaal ter toelichting bij het onderwijs
Dit jaar is een nieuwe readerovereenkomst (voor het hbo) van kracht geworden. Dit is een praktische invulling van de onderwijsexceptie in de Auteurswet die het mogelijk maakt om, ter toelichting bij het onderwijs, korte overnames uit boeken en tijdschriften te mogen gebruiken als onderwijsmateriaal zonder daarvoor toestemming van de rechthebbenden te hoeven vragen. Middels een afkoopregeling wordt het gebruik van deze korte overnames geregeld en in de readerovereenkomst wordt nauwkeurig omschreven wat de definities van een korte overname is.

Tot zo ver niets aan de hand. Behalve dat de laatste jaren steeds meer beeldmateriaal – foto’s, tekeningen en afbeeldingen – in het onderwijsmateriaal opgenomen wordt. Niet alleen datgene dat je tussen de tekst in boekhoofdstukken en artikelen terug vindt maar ook losse foto’s, tekeningen en afbeeldingen die vooral in (Powerpoint- of Prezi-)presentaties gebruikt worden ter illustratie van, en toelichting op, de lesstof.

Is dat ook geregeld in de Auteurswet?

Voor het gebruik van beeldmateriaal gelden in beginsel dezelfde regels als voor teksten uit boeken en tijdschriften: je hebt op 1 of andere manier toestemming nodig van de rechthebbende tenzij je je kunt beroepen op een uitzondering in de Auteurswet.

De onderwijsexceptie houdt in lid 2 gelukkig ook rekening met andere werken die ter toelichting bij het onderwijs gebruikt mogen worden. Daar staat namelijk:

Waar het geldt een kort werk of een werk als bedoeld in artikel 10, eerste lid onder 6°., onder 9°. of onder 11°. mag voor hetzelfde doel en onder dezelfde voorwaarden het gehele werk worden overgenomen.

De werken waar naar gerefereerd wordt in artikel 10, eerste lid onder 6°, 9° en 11° zijn dus afbeeldingen, foto’s en tekeningen. Het komt er op neer dat het bij beeldmateriaal toegestaan is om het volledige werk te mogen gebruiken ter toelichting bij het onderwijs in plaats van een (kort) deel ervan.

In de readerovereenkomst wordt dit in de toelichting ook aangegeven inclusief de toevoeging dat er wel restricties zijn in de hoeveelheid werken die je van één maker mag gebruiken:

Ook voor foto’s en tekeningen geldt krachtens artikel 16 lid 2 Auteurswet dat deze als kort werk voor hetzelfde doel en onder dezelfde voorwaarden geheel mogen worden overgenomen. Op grond van artikel 16 lid 3 Auteurswet geldt daarbij dat voor het overnemen in een reader van dezelfde maker (fotograaf, tekenaar of beeldend kunstenaar) niet meer mag worden overgenomen dan enkele van zijn werken.

Gemakshalve worden foto’s en afbeeldingen meegeteld in de berekening van korte overnames en tellen ze mee voor 200 woorden per stuk. Logisch als je een foto bij een overgenomen tekst plaatst in een reader maar niet heel erg handig als je (alleen) losse foto’s in een presentatie wilt zetten. Als een korte overname – van een artikel – maximaal 8000 woorden mag bevatten, is het dan zo dat je 40 foto’s mag gebruiken in een presentatie? En hoeveel mogen er dan maximaal van één en dezelfde maker zijn? Hoeveel is ‘niet meer dan enkele van zijn werken’?

Dat vragen we na bij de rechthebbenden!

Zoals Stichting PRO de belangen behartigt van uitgevers als het gaat om teksten (boeken en tijdschriften), zo doet Pictoright dat namens de beeldmakers voor beeldmateriaal. Of je nou gedigitaliseerde foto’s uit je archief online wilt zetten of foto’s ter toelichting bij het onderwijs in een presentatie wilt gebruiken, daar zul je afspraken met de rechthebbenden over moeten maken. Met Pictoright dus.

Het Netwerk Auteursrechten Informatiepunten-hbo is daarom om tafel gaan zitten met Stichting PRO en Pictoright om de afspraken in de readerovereenkomst concreter te verduidelijken. Wat mag een docent aan beeldmateriaal gebruiken ter toelichting bij het onderwijs? Onder welke voorwaarden? En hoeveel foto’s en afbeeldingen van één en dezelfde maker mogen er in een presentatie opgenomen worden?

De hieronder genoemde aantallen en afspraken zullen volgend jaar formeel worden vastgelegd in de tekst van de readerovereenkomst maar zijn wel met onmiddellijke ingang van toepassing:

In Powerpoint- en Prezi-presentaties mogen tot 25 foto’s, afbeeldingen of andersoortig beeldmateriaal worden opgenomen zonder aanvullende toestemming, waarvan tot 5 foto’s van dezelfde maker afkomstig mogen zijn. Vanaf 26 afbeeldingen moet er toestemming worden gevraagd aan de beeldmaker;

Een naamsvermelding, bestaande uit de vindplaats van de foto of afbeelding en naam van de maker, dient opgenomen te worden in de Powerpoint- of Prezi-presentatie. Dit kan zowel rechtstreeks bij de foto, als voetnoot op de betreffende dia of gebundeld op een aparte dia voor- of achterin de presentatie.

Komen de foto’s en tekeningen uit boeken of tijdschriften? Dan worden ze onveranderd meegenomen in de berekening van het aantal woorden voor een korte overname en tellen ze voor 200 woorden mee.

Wat betekent dit nu praktisch?

Als je foto’s, grafieken, tekeningen of andere afbeeldingen in je Powerpoint of Prezipresentatie wilt gebruiken dan kun je het beste op zoek gaan naar beeldmateriaal op één van de vele fotosites die gebruik maken van Creative Commons licenties.

Sites als Pixabay, Pexels, Unsplash maar ook (een groot deel van het aanbod bij) Flickr hebben vele tienduizenden foto’s waarbij de maker al vooraf toestemming gegeven heeft voor hergebruik. Handig want je hebt dan meteen de informatie over de vindplaats en de naamsvermelding. Aangezien je toestemming hebt via een Creative Commons licentie hoef je ook niet te letten op de regels binnen de readerovereenkomst.

Datzelfde geldt ook als je gebruik kunt/wilt maken van een beelddatabank. Dat zijn betaalde databanken vol met foto’s en afbeeldingen en hierbij moet je ofwel zelf een klein bedrag per foto betalen of heeft je onderwijsinstelling dit (hopelijk) al geregeld. Enkele instellingen bieden bijvoorbeeld Britannica ImageQuest aan. Hierbij is de toestemming dan ook geregeld en is het zeer gemakkelijk om de naamsvermelding over te nemen in de presentatie.

Heb je niet iets kunnen vinden bij de fotosites of beelddatabanken? Dan kun je dus binnen de readerovereenkomst maximaal 25 foto’s of afbeeldingen gebruiken zonder dat daarvoor aanvullende toestemming geregeld hoeft te worden. Dat kunnen illustraties, foto’s en grafieken uit een studieboek zijn maar ook foto’s die je elders op internet gevonden hebt.  Hierbij geldt dan wel dat er niet meer dan vijf van dezelfde maker (uit dezelfde bron!) gebruikt mogen worden en dat je (soms) op zoek zult moeten gaan naar de precieze gegevens om ook netjes de naamsvermelding en vindplaats te kunnen vermelden in de presentatie.

#

De onderwijsexceptie en artikelen die door studenten geüpload zijn in de elektronische leeromgeving

elektronische leeromgevingEen docent vroeg me: Inmiddels is het me duidelijk wat ik wel en niet mag opnemen in de ELO (elektronische leeromgeving) als korte overname. Maar hoe zit het met artikelen die studenten met elkaar delen in de kennisbank van een ELO-module? Moeten die ook aan de voorwaarden uit de readerovereenkomst voldoen?

Deze vraag is een mooi voorbeeld van hoe je nog zulke mooie afspraken kunt bedenken over het gebruik van andermans publicaties als onderwijsmateriaal, maar dat er bijna altijd praktijksituaties te vinden zijn die niet zo makkelijk onder die afspraken te scharen zijn.

Onderwijsexceptie en de readerovereenkomst

In artikel 16 Auteurswet, één van de vele beperkingen die in de Auteurswet genoemd worden en die ook bekend staat als de onderwijsexceptie, staat beschreven dat ‘verveelvuldiging of openbaarmaking van gedeelten’ van auteursrechtelijk beschermde werken ter toelichting van het onderwijs geen inbreuk vormt op het auteursrecht. Voor de opname van tijdschriftartikelen en gedeelten van boeken in readers voor het hoger onderwijs moet echter nog wel wel een ‘billijke vergoeding’ aan de rechthebbende(n) -de uitgever of de auteur- betaald worden.

De onderwijsorganisaties hebben daarom een regeling getroffen met het Nederlands Uitgeversverbond (NUV) en de Stichting International Publishers Rights Organisation (IPRO). Deze is vastgelegd in een  Readerovereenkomst per onderwijssector, een afkoopregeling waarbij korte auteursrechtelijk beschermde werken en (korte) gedeelten uit auteursrechtelijk beschermde werken in onderwijspublicaties gebruikt mogen worden. Stichting PRO, de auteursrechtenorganisatie voor uitgevers, ziet toe op de uitvoering en de voorwaarden van de readerovereenkomsten. Onderdeel hiervan is een periodieke controle van de elektronische leeromgevingen van onderwijsinstellingen aangezien hierin tegenwoordig de meeste overnames als digitaal onderwijsmateriaal in geplaatst worden.

Wie is verantwoordelijk voor het onderwijsmateriaal?

Ook al staat dat niet expliciet in de onderwijsexceptie, zowel de onderwijsorganisaties als de rechthebbenden zijn het er over eens dat onderwijsmateriaal wordt samengesteld door docenten en leraren. Daar was geen enkele twijfel over in het tijdperk van papieren readers en syllabi en zelfs toen het meeste materiaal in de elektronische leeromgevingen gebruikt ging worden, bleef dat de verantwoordelijkheid van een docent.

Maar zo zwart-wit hoeft het niet te zijn.

Onderwijswerkvormen zijn ook aan verandering onderhevig en het is niet ongewoon dat van studenten verwacht wordt om hun eigen kennisbronnen aan te dragen binnen een module of vak. Kennisbronnen die dan ook gedeeld dienen te worden met andere studenten zodat die daar hun voordeel weer mee kunnen doen.

Binnen een elektronische leeromgeving worden onderwijsprocessen ondersteund en dat is voor deze werkvorm niet anders.

onderwijsexceptie in de kennisbank in de ELO
Een onderwijseenheid (een module in de ELO) beschikt dan over een kennisbank die, in tegenstelling tot alle andere onderdelen van die module, ook door studenten gebruikt kan worden.

onderwijsexceptie in de kennisbank in de ELO
In de werkruimte van de kennisbank kunnen studenten (elkaar) verwijzen naar relevante internetbronnen maar dus ook zelf documenten uploaden.

En dan wordt het toch wat lastiger

Dat docenten zich afvragen of dit wel mag onder de afspraken in de readerovereenkomst (en daarmee de onderwijsexceptie) is niet vreemd. Van studenten wordt – door de docent – verwacht dat ze relevante internetbronnen en artikelen/rapporten met elkaar delen en dat lijkt me ‘ter toelichting van het onderwijs’ zoals in de onderwijsexceptie beschreven is. Een link naar een internetbron plaatsen is geen probleem maar betekent dat studenten rekening moeten houden met de grenzen van de korte overname net zoals docenten dat moeten doen?

Ja en nee.

De selectie van wat er door studenten gedeeld wordt in een dergelijke kennisbank gaat buiten de docent om. Er wordt ook geen inhoudelijke redactie op gepleegd door de docent en het fungeert, zoals docenten zelf ook de kennisbank beschrijven, vooral als een bestandsdeeldienst zoals Dropbox of Google Drive. Niet als een bron van onderwijsmateriaal zoals daar door de onderwijsgevenden in voorzien wordt. Docenten kunnen onmogelijk de verantwoordelijkheid nemen voor de door studenten geüploade documenten en in die zin is het dan geen onderwijsmateriaal.

Het lastige aan dit alles is dat dit normaliter voor studenten allemaal niet aan de orde is. Studenten gebruiken heel vaak andermans werken bij het produceren van opdrachten, werkstukken en andere documenten die ze moeten maken tijdens het doorlopen van een vak. Dat is geen probleem omdat die ingeleverd worden bij de docent zonder dat medestudenten daar toegang tot hebben. Het is daarmee geen openbaarmaking in de zin van het auteursrecht en daarmee ook geen inbreuk op het auteursrecht van een ander.

Bij een kennisbank gaat het echter om auteursrechtelijk beschermde werken die door studenten wel gedeeld en openbaar gemaakt kunnen worden en ook zij dienen zich aan de wetgeving te houden. Studenten kunnen weliswaar gebruik maken van een andere beperking uit de Auteurswet – de thuiskopie waarbij je voor eigen gebruik een kopie kunt maken van analoge en digitale werken – maar die kun je niet gebruiken om zo’n kopie weer te delen (openbaren) met anderen. Als je kijkt naar de Auteurswet, dan zouden studenten deze documenten alleen maar met elkaar mogen delen als ze daarvoor toestemming hebben van de rechthebbende(n) of als dat gebruiksrecht vooraf al meegegeven zou zijn.

En hier verandert ‘lastig’ simpelweg in ‘onwerkbaar’ of ‘onrealistisch’. Studenten gaan (en moeten) zich niet bezighouden met de fijnere nuances van het auteursrecht als ze in het kader van een onderwijseenheid opdrachten uitvoeren. Zelfs als ze daarbij worden “aangezet” tot wat je formeel als inbreuken op het auteursrecht zou kunnen zien. Als je bedenkt dat dit delen ook totaal onzichtbaar zou zijn als ze het wel via Dropbox of Google Drive zouden doen, dan weet je dat het weinig zin heeft om strenge regels te gaan opleggen rondom het delen van dit soort documenten.

Problematisch of pragmatisch?

De beste oplossing is om het aan twee kanten pragmatisch te bekijken. Bij controles zal Stichting PRO vast en zeker kennisbanken gaan aantreffen met documenten die niet onder de afspraken in de readerovereenkomst vallen. Het zou goed zijn om daar specifiek wel (nieuwe) afspraken over te gaan maken die er voor zorgen dat er recht wordt gedaan aan de belangen van uitgevers en auteurs, maar die ook het onderwijs de ruimte bieden om gebruik te blijven maken van deze werkvorm, zonder daarbij cursussen auteursrecht te moeten geven aan hun studenten of een administratieve rompslomp op hun hals te halen. In dat geval verdwijnt een kennisbank heel snel naar een gedeelde Dropbox map die buiten het zicht van de controles liggen.

Aan de andere kant heeft ook het onderwijs, de docent, wel enige verantwoordelijkheid in hoe die kennisbank gevuld wordt. Een cursus auteursrecht moet niet nodig zijn maar actief sturen op het delen van alleen links naar artikelen en rapporten die op het internet vrij toegankelijk zijn (of in een databank zitten waar de instelling een licentie op heeft), is geen onredelijke of bezwarende voorwaarde mijns inziens.

De meest voorkomende praktijken netjes regelen en vervolgens afspraken maken over de uitzonderingen. Het is niet alleen precies waarvoor de onderwijsexceptie maar ook de hele Auteurswet zelf bedoeld is.

#

Over de nieuwe readerovereenkomst voor het hbo en hoe we het samen werkbaar kunnen krijgen

readerovereenkomstGisteren, 12 februari, presenteerde ik aan de afgevaardigden van bijna alle hogescholen de nieuwe readerovereenkomst voor het hbo tijdens een bijeenkomst van het Netwerk Auteursrechten Informatiepunten-hbo. Die readerovereenkomst is nog niet definitief want pas eind volgende maand wordt de overeenkomst tijdens een bestuursvergadering van de Vereniging Hogescholen aan de (collegevoorzitters van de) hogescholen zelf ter instemming voorgelegd, maar aangezien deze nieuwe overeenkomst mede tot stand is gekomen dankzij alle bijdragen vanuit de Auteursrechten Informatiepunten werden de veranderingen nu alvast toegelicht. Niet alleen door mij maar ook door de Vereniging Hogescholen en Stichting PRO.

Het bijzondere van deze nieuwe readerovereenkomst is niet per se wat er in opgenomen is. Natuurlijk, er zijn meerdere onderdelen aangepast die er voor moeten zorgen dat de uitvoering ervan minder stroef zal gaan dan de afgelopen vijf jaar. Maar het grootste verschil zit hem in de wijze waarop de nieuwe overeenkomst uberhaupt tot stand is gekomen. Met inhoudelijke input vanuit de hogescholen, gebundeld via het Netwerk Auteursrechten Informatiepunten-hbo en verwerkt door de Vereniging Hogescholen in samenwerking met Stichting PRO. Of zoals gisteren werd opgemerkt door PRO zelf: het is bijzonder dat de nieuwe overeenkomst door de hogescholen zelf werd gepresenteerd in plaats van dat PRO dat deed.

Hoezo een readerovereenkomst?

In artikel 16 Auteurswet, de zogeheten onderwijsexceptie, staat beschreven dat ‘verveelvuldiging of openbaarmaking van gedeelten’ van auteursrechtelijk beschermde werken ter toelichting van het onderwijs geen inbreuk vormt op het auteursrecht. Voor de opname van tijdschriftartikelen en gedeelten van boeken in readers voor het hoger onderwijs moet echter wel een ‘billijke vergoeding’ aan de rechthebbende(n) -de uitgever of de auteur- betaald worden. De Vereniging Hogescholen heeft hiervoor een regeling getroffen met het Nederlands Uitgeversverbond (NUV) en de Stichting International Publishers Rights Organisation (PRO). Deze is neergelegd in de Readerovereenkomst, voluit Overeenkomst voor de overname van korte auteursrechtelijk beschermde werken en van (korte) gedeelten uit auteursrechtelijk beschermde werken in onderwijspublicaties van hogescholen, waaronder readers (PDF). De uitvoering van deze readerregeling is in handen van de Stichting PRO, de auteursrechtenorganisatie voor uitgevers.

Stichting PRO incasseert de readerafdrachten en verdeelt ze onder de uitgevers, zowel de Nederlandse als de buitenlandse. Deze readerregeling voorziet in essentie in een afkoopsom voor de billijke vergoeding daar waar het om gebruik en overname van korte werken in onderwijsmateriaal gaat, zowel in de vorm van individuele documenten als in readers. Zolang je binnen de grenzen blijft van de in de readerovereenkomst gedefinieerde begrippen van korte gedeelten en korte werken, hoef je als docent (en hogeschool) geen additionele vergoeding te betalen aan de rechthebbenden.

Deze regeling is in de jaren 80 al bedacht voor papieren readers en er doken nogal wat praktische problemen op in de vertaalslag die gemaakt is naar het digitale tijdperk in de readerovereenkomst die in 2010 werd geïntroduceerd.

De auteursrechten PRO-blematiek en het NAI-hbo

Dat je niet zo maar alle afspraken en procedures voor papieren readers kon toepassen op de digitale wereld, kreeg onvoldoende aandacht in de totstandkoming van de readerovereenkomst 2010-2014. Hierdoor bleek de regeling in de praktijk bijzonder lastig uit te voeren te zijn. Een digitale leeromgeving is geen reprowinkel, een onderwijsmodule wordt door de docenten zelf gevuld met documenten in plaats van dat er ergens centraal een reader geproduceerd werd en die digitale content, hoort dat eigenlijk niet meer bij de hogeschoolbibliotheken thuis?

Bij steeds meer hogescholen werd de uitvoering hierdoor ook een aangelegenheid van die bibliotheken. De behoefte om hier kennis en ervaringen over uit te wisselen leidde ook rechtstreeks tot de oprichting van Auteursrechten Informatiepunten bij de hogescholen en het overkoepelende Netwerk Auteursrechten Informatiepunten-hbo (NAI-hbo).

Over alle knelpunten heb ik vaker geschreven maar oplossingen moet je nou eenmaal aan beide kanten zien te vinden. Dat was ook de reden om als NAI-hbo alle ervaringen en suggesties te bundelen (PDF) vanuit de meer dan 20 aangesloten hogescholen en deze te overhandigen aan de Vereniging Hogescholen in de aanloop naar een nieuwe readerovereenkomst. In meerdere overleggen heeft het NAI-hbo samen met Stichting PRO en de Vereniging Hogescholen alle punten kunnen bespreken. Met een nieuwe, aangepaste, readerovereenkomst als resultaat.

Lang niet alles is aangepast

Je kunt helaas geen rekening houden met de belangen en praktische situaties van meer dan 40 hogescholen. Ook is en blijft de readerovereenkomst natuurlijk een uitwerking van een artikel uit de Auteurswet die weliswaar mogelijkheden schept voor het onderwijs maar daar ook duidelijk de belangen van de uitgevers in borgt. Zo kun je bijvoorbeeld heel lang gaan discussiëren over de interpretatie van ‘gedeelten van werken’ maar is een andere invulling dan de huidige (10.000 woorden uit een boek, 8.000 woorden uit een tijdschrift tot een maximum van 1/3 van dat boek of tijdschrift) net zo subjectief en potentieel onhandig.

Op welke basis bereken je nou die billijke vergoeding die betaald moet worden door een instelling? De huidige afkoopsommen zijn gebaseerd op feitelijk gebruik maar de berekening ervan dateert uit het begin van de 21ste eeuw toen er nog primair met papieren readers werd gewerkt. Hoe bereken je in hemelsnaam bij 40 instellingen het feitelijke gebruik van (relevante) digitale content? Of toch maar een bedrag per student gaan rekenen, ook al staat dat haaks op het achterliggende idee van de regeling?

En hoe ga je om met overnames in nieuwe onderwijsvormen? Die weblectures of MOOCs die een veel grotere doelgroep kunnen hebben dan de studenten die 1 specifiek vak volgen. En wat veel verder gaat dan alleen maar tekst omdat er ook veel meer met muziek en video gewerkt wordt? Allemaal zaken die vooralsnog ongewijzigd blijven of niet vermeld worden in de nieuwe readerovereenkomst.

Ook zijn er soms punten die niet thuis horen in een readerregeling. Het knelpunt dat hogescholen studenten met een functiebeperking – slechtziendheid en zware dyslexie – willen faciliteren door studieboeken volledig te digitaliseren, is er niet minder om maar wordt door Stichting PRO en het NUV opgepakt richting Dedicon zodat de bestaande werkwijze van de voormalige blindenbibliotheek aangepast kan worden om hier wel in te voorzien. Met een eigen procedure om er voor te zorgen dat het auteursrechtelijk ook correct wordt afgehandeld.

Nieuw: over licenties of ander gebruiksrecht

Eén van de grootste knelpunten, niet eens zo zeer richting Stichting PRO maar meer richting alle hogescholen, is de ontstane onduidelijkheid waar de onderwijsexceptie, en daarmee de readerovereenkomst, nou precies op van toepassing is. De onderwijsexceptie maakt het mogelijk om gedeelten van werken te gebruiken ter toelichting van het onderwijs zonder toestemming van de rechthebbenden te hoeven vragen. Maar dat dit vanzelfsprekend betekent dat je je niet hoeft te beroepen op de onderwijsexceptie als je al toestemming hebt om een (volledig) werk te gebruiken, kwam niet terug in de readerovereenkomst.

Dat staat er nu, op meerdere plekken, wel duidelijk in vermeld. De readerovereenkomst – en alle afspraken/procedures die daarbij komen – is van toepassing op korte overnames voor zover daarin al niet via licenties of andere wijze is voorzien. Is er al een gebruiksrecht verkregen via een content- of Creative Commons-licentie, is het materiaal sowieso niet auteursrechtelijk (meer) beschermd of heb je rechtstreeks toestemming gekregen van een uitgever of andere rechthebbende, dan hoef je langere overnames niet nog een keer aan te melden. Hoewel het wel een additionele procedures zal gaan vragen bij de hogescholen en Stichting PRO om ook daadwerkelijk inzichtelijk te krijgen welke overnames wel of niet onder de readerregeling of licenties vallen.

Nieuw: minder lange duur, meer evalueren

Dat de ontwikkelingen niet stil staan is iedereen wel duidelijk. Reden genoeg om niet nog een keer een overeenkomst voor vijf jaar af te sluiten. De nieuwe readerovereenkomst heeft een looptijd van drie jaar waarbij er jaarlijks geëvalueerd wordt. In die evaluaties – bewaakt en geïnitieerd door de Vereniging Hogescholen – is er ruimte om nieuwe inzichten en ervaringen te verwerken zodat de overeenkomst ook tussentijds aangepast kan worden. Wellicht dat die definitie van een korte overname toch anders moet, de afkoopsommen toch anders berekend kunnen gaan worden en er toch gekeken moet worden naar overnames voor gebruik in nieuwe onderwijsvormen.

Of, zoals gisteren al gesuggereerd werd, een nieuwe naam voor de overeenkomst aangezien die te vaak met papieren readers geassocieerd wordt.

In de overeenkomst is wel de mogelijkheid opgenomen om deze met nog eens drie jaar – inclusief jaarlijkse evaluaties – te verlengen zonder dat de overeenkomst opnieuw door alle hogescholen goedgekeurd moet worden.

Nieuw: afspraken rondom de controle

Geen afkoopregeling is compleet zonder een vorm van controle en de problemen rondom de uitvoering van deze controles stonden bovenaan elke lijst met verbeterpunten. Nieuw in de readerovereenkomst is daarom het controleprotocol. Een set met afspraken die expliciet vermelden waar op gecontroleerd wordt, hoe er gecontroleerd wordt en hoe de afwikkeling verder plaats vindt. Nieuw hieraan is dat dit als basis dient voor maatwerkafspraken om de controles af te kunnen stemmen op de eigen organisatie, het eigen instellingsbeleid en de (technische) infrastructuur. Hoewel er een standaardprotocol als bijlage aanwezig is, kunnen er nu eenvoudig afspraken op maat gemaakt worden tussen een hbo-instelling en Stichting PRO.

Feitelijk was dit altijd al in overleg mogelijk – ik heb zelf ook dergelijke afspraken gemaakt – maar de flexibiliteit en mogelijkheden hiertoe zijn nu dus vastgelegd in de overeenkomst zelf.

Nieuw: de contactpersoon en daadwerkelijk gaan afstemmen

Hoe zorg je er nou voor dat de readerovereenkomst ook echt goed werkt in de onderwijsinstellingen? Ook al werd er in het verleden regelmatig alleen maar naar Stichting PRO gekeken voor de uitvoering van de regeling, voor elke overeenkomst heb je twee partijen nodig en heel zorgvuldig is die vorige overeenkomst ook niet belegd binnen de hogescholen. Het heeft weliswaar tot een netwerk van auteursrechten informatiepunten geleid maar feitelijk alleen omdat er niets anders geregeld was.

De belangrijkste verandering nu is dat elke hogeschool, door het aangaan van de readerovereenkomst, zich ook verplicht om een contactpersoon aan te stellen. Deze krijgt een taakomschrijving mee in de overeenkomst want hij of zij is behalve algemeen aanspreekpunt ook degene die moet zorgdragen voor de belegging van auteursrechtprocedures binnen de eigen instelling en de uitvoeringsregels m.b.t. de controleprocedure. Zijn daar maatwerkafspraken voor nodig? Dan is de contactpersoon ook degene die deze met Stichting PRO kan (en moet) maken.

Daar vraag je nogal wat

Eigenlijk heeft de contactpersoon te maken met alle veranderingen in de readerovereenkomst. In de auteursrechtprocedures zal het gebruik en onderscheid van gelicenseerde werken een rol moeten gaan spelen, de punten voor de jaarlijkse evaluatie zullen vanuit de organisaties – en dus de contactpersonen – moeten komen en vanzelfsprekend zal hij of zij rol in de uitvoering van de controles gaan krijgen. Het vereist kennis van de eigen organisatie, auteursrecht, licenties en de readerovereenkomst zelf.

Als eenzame contactpersoon binnen een hbo-instelling kan dat best een uitdaging zijn. Maar daar heb je wel ondersteuning van een Netwerk Auteursrechten Informatiepunten-hbo bij beschikbaar. Het NAI-hbo begint met een nieuw hoofdstuk door niet alleen ruimte te bieden voor het uitwisselen van vragen, ervaringen en kennis maar ook door zelf scholing te gaan organiseren die als verplichte basiskennis bij alle leden aanwezig zou moeten zijn. En over de leden gesproken, alle 40+ hogescholen – voor zover ze nog geen lid zijn – zullen uitgenodigd worden om actief lid te worden. Het is daarmee ook een uitnodiging aan alle toekomstige contactpersonen om gebruik te maken van de gezamenlijke kennis, ervaring en expertise.

Auteursrecht is meer dan alleen een readerovereenkomst

De PRO-blematiek was (en blijft) weliswaar een belangrijke factor als het gaat om auteursrechten binnen hoger onderwijsinstellingen maar het beperkt zich daar zeker niet toe. In het hoger onderwijs wordt ook veel gebruik gemaakt van andere auteursrechtelijk beschermde werken zoals video en muziek. Er is al een collectieve overeenkomst tussen de (Vereniging) Hogescholen en Videma rondom het gebruik van filmwerken en er is zeker behoefte aan duidelijkere afspraken met o.a. Buma/Stemra en Pictoright voor respectievelijk muziek en foto’s, juist nu er geëxperimenteerd wordt met multimediale onderwijsvormen zoals blended learning.

Maar de hbo’s produceren zelf eveneens (steeds meer) beschermde werken. Onderzoekspublicaties, studentpublicaties (scripties) en vakpublicaties van docenten vormen het kenniskapitaal van instellingen en daar speelt het eigen auteursrecht net zo goed een rol. Open access dringt verder door in het hbo, eigen videoproducties worden ontwikkeld en ingezet in het onderwijs, en opleidingen ontwikkelen nieuwe producten samen met het bedrijfsleven waarbij steeds vaker de vraag gesteld wordt hoe het nu geregeld moet worden met het auteursrecht.

Een nieuwe readerovereenkomst in 2015 is volgens mij nog maar het begin van (hopelijk) een groeiend besef van hoe belangrijk het is om een onderwerp als auteursrechten goed beter te regelen in het hoger onderwijs.

#

  • © 2006- 2019 Vakblog – werken met informatie
    Aangedreven door WordPress en duizenden liters koffie // Theme: Tatami van Elmastudio
Top